
Het decor van een werkplaats – Michael Beutler bij Z33
Met enorme weefgetouwen, kartonpersen en papierzeven toverde Michael Beutler Z33 om tot het monumentale decor van zijn eigen atelier dat hij steeds opnieuw opbouwt. Te midden van zijn enorme kartonnen sculpturen en papieren muren vinden rust en chaos elkaar. Bas Blaasse bezoekt de tentoonstelling die het plezier van omvang en overvloed viert.
Tijdens mijn bezoek vertelde een museummedewerker mij dat Michael Beutler geen atelier heeft. Aanvankelijk leek me dat wat sterk. Maar Beutler maakt van elke tentoonstelling zijn werkplaats: iedere plek die hem uitnodigt verandert hij in een tijdelijke omgeving voor creatie, improvisatie en experiment. Geen afgesloten oeuvre waarin werken zich opstapelen, maar een soort circulaire economie van bouwen, afbreken, hergebruiken en opnieuw beginnen. Dat is op zich geen hele radicale geste, maar Beutler geeft die logica enorme proporties. Zijn zelfgebouwde machines – weefgetouwen, persen, snijapparaten – reizen met hem mee en verdwijnen tussen tentoonstellingen door vermoedelijk in een enorme opslag, samen met stapels papier, karton, textiel en half-fabricaten die telkens in nieuwe constellaties opduiken. In Z33 wordt die werkwijze zichtbaar in monumentale structuren van fragiele, lichte materialen.
Een belangrijk deel van Beutlers praktijk ontstaat in samenwerking. Zijn machines vragen altijd om meerdere handen: één iemand drijft het werktuig aan en anderen voeren het materiaal aan of sturen het proces bij. Standaardisatie leidt nooit tot uniformiteit, maar toont volgens Beutler juist de variatie en het leerproces van de deelnemers. In Z33 werkte hij met studenten, vrijwilligers en medewerkers van het huis, die ieder op hun eigen manier bijdroegen aan de tentoonstelling.
De aankomsthal is meteen het meest overweldigend. De hoge, smalle doorgang van Vleugel 19 voelt als een schacht waar een verticale druk op heerst. Aan beide zijden staan metershoge kolommen van kleurrijke repen papier bevestigd op gaas in paars, geel, blauw, roze, oranje. Leunend tegen de muren, zijn de kwetsbare kokers op sommige plekken gekreukeld of gescheurd en op andere plekken worden ze bij elkaar gehouden door tape. Ze lijken tegelijk majestueus en op instorten te staan, wat een fragiele monumentaliteit oplevert die bijna tegen het absurde aan schuurt.
Op de grond liggen snippers, palen en resten draad, alsof er nog wordt gewerkt. Achteraan staat de lamineerconstructie waarmee de kokers zijn gemaakt, waarvan ik het gevoel hebt dat hij zo weer kan aanslaan. De zaal is werkplaats en decor, of preciezer: het decor van een werkplaats, en juist die dubbelheid geeft het geheel iets enorm speels. Het voelt als een opslagplaats voor toneelstukken die nog bedacht moeten worden of als het atelier van een theatrale wereld die zichzelf steeds opnieuw uitvindt. Beutler noemt deze installatie Stiff Pants. Het is inderdaad alsof je door een reusachtige droogrekconstructie loopt waarin papier een tijdelijke vorm krijgt.
Wat deze eerste ruimte meteen duidelijk maakt, is dat Beutler niet alleen met kleur en schaal werkt, maar ook met tempo. De tentoonstelling geeft voortdurend de indruk dat er snel wordt gewerkt: alsof alles bij wijze van spreken nog nat is, net geplakt en net verplaatst. Het papier draagt de sporen van momenten van improvisatie. Dat heeft iets luchtigs en vrolijks, maar ook iets licht vermoeiends: alsof er geen pauze is geweest in een productie die maar doorgaat. De zalen die volgen variëren verder op dit motief. Ik loop door ruimtes waarin papier tot wafels is samengeperst, tot lussen is gedraaid, tot wanden is gevouwen of gestoken. De werken houden steeds het midden tussen monument en testversie. Alsof Beutler telkens opnieuw wil ontdekken hoe ver papier kan gaan, maar nooit tot een definitieve vorm komt of wil komen.
Die overvloed is aanstekelijk maar roept wel vragen op. Het is verleidelijk om Beutlers wereld van repen, knipsels, rollen en restanten te lezen als kritiek op verspilling – als een spel met afval dat kritisch commentaar levert op overproductie. Maar of de tentoonstelling zover gaat? Misschien wil ze dat punt niet expliciet maken. Ja, de materialen zijn gerecycleerd. En ja, de monumentaliteit ervan maakt de fragiliteit van de basis voelbaar. Maar tegelijkertijd is het een feest van veelheid: een plezier in maken, knippen, plakken, persen, bouwen. In de brochure staat dat Beutler laat zien dat je met ‘beperkte middelen en door samen te werken iets groots kunt realiseren’. In een tijd waarin de kunstwereld geregeld reflecteert op duurzaamheid en reductie, kiest Beutler voor veel en groot, op een manier die weliswaar circulair is, maar toch opnieuw nieuwe resten zal voortbrengen. Het is een spanning waar de tentoonstelling overigens niet uit wegloopt. Ze laat de vraag eerder open: wat betekent het om groots te denken in een tijd van materiaalbewustzijn?
In de toren van Z33, waar het daglicht door het hoge plafond naar binnen valt, hangt Bucket: een zwevend papieren plafond dat met vier houten kolommen wordt opgetild. Het vel werd ter plekke gemaakt in een papierzeef die Beutler bouwde voor deze ruimte, gevuld met pulp van oude boekpagina’s die in de binnentuin tot vezels zijn vermalen. Na het drogen is het raster met katrollen omhoog gehesen, waardoor een licht, doorschijnend vlak is ontstaan waarin de papiervezels zichtbaar blijven. Hetzelfde materiaal krijgt hier een meer architectonische permanentie: iets dat nauwelijks iets weegt maar de ruimte toch voelbaar verandert. Het fungeert als knooppunt tussen Beutlers seriële papierwerk en zijn interesse in schaal en geïmproviseerde bouw.
Op de bovenverdieping krijgt de tentoonstelling een ander ritme. Haus Beutler bestaat uit een reeks kamers met wanden gemaakt van hergebruikte materialen van Beutlers projecten uit de afgelopen vijfentwintig jaar. De kamers ogen niet heel huiselijk, misschien doordat ze zich in een permanente staat van herconfiguratie lijken te bevinden. Hier wordt Beutlers procesmatige praktijk het meest zichtbaar. Alles wat hij ooit maakte, lijkt beschikbaar of zelfs bestemd voor hergebruik: als wand, als vloer, als decorstuk. Het huis doet dus in zekere zin dienst als archief, maar ook als metafoor: wat betekent een atelier als het voortdurend wordt opgebouwd en afgebroken? En wat betekent het voor een oeuvre als het zich telkens herordent naar gelang de plek en de handen die meewerken?
In een laatste grote zaal staat een monumentaal weefgetouw: een zelfgebouwde machine die al jaren met Beutler meereist en waarmee hij op elke locatie nieuwe tapijten weeft uit lokaal verzameld en gerecycleerd textiel. In Z33 leidde hij studenten van UHasselt en LUCA School of Arts op om de machine te gebruiken. Er zijn zes mensen nodig om één tapijt te maken en het weefproces duurt ongeveer een week. Om het enorme, golvende tapijt, Le Lac, dat Beutler met de studenten maakte te betreden, moet je schoenen uitdoen. Dat ritueel verandert het ritme; de ruimte vertraagt. In tegenstelling tot het papierwerk beneden, dat niet alleen snel gemaakt lijkt te zijn maar ook een vluchtigere manier van kijken stimuleert, nodigt deze zaal uit tot een aandacht die de tijd neemt. Dat temporele contrast zit ook al in de monitoren beneden, waarop registraties van eerdere projecten van Beutler te zien zijn, of in de maquettes in Haus Beutler. Maar terwijl die toevoegingen daar als randactiviteiten blijven aanvoelen, staat het tempo hier zelf centraal, wat een aangename dramaturgische afsluiter is.
De tentoonstelling eindigt met een geïmproviseerde ingreep: Beutler bracht de deur van zijn atelier – dus toch een atelier! – naar Z33 en plaatste die als letterlijk en figuurlijk slotstuk in de scenografie. Ik verlaat de tentoonstelling via de deur die zijn werkplek vertegenwoordigt. Het atelier is overal en nergens, en altijd zowel instrumenteel als decoratief: een tijdelijk thuis dat telkens van gedaante verandert en weer verdwijnt zodra de tentoonstelling voorbij is. Het is een eenvoudig gebaar, maar wel een die de circulaire logica van de tentoonstelling scherp samenvat. Misschien laat Beutler vooral zien dat een tentoonstelling geen afgerond resultaat hoeft te zijn, maar een tussenstop in een proces dat steeds opnieuw kan beginnen en uitnodigt om te blijven kijken.
De solotentoonstelling van Michael Beutler is tot en met 22 februari te zien bij Z33
Bas Blaasse
is schrijver, onderzoeker en filmmaker




