
Het ‘waarachtig’ museum van Arnoud Odding
Om ‘waarachtig’ te zijn dienen musea ruimte te laten voor twijfel en discussie en zich niet onvoorwaardelijk activistisch op te stellen, zo beargumenteer Arnoud Odding in zijn nieuwe boek. Arent Boon merkt een aantal tegenstrijdigheden op in zijn pleidooi.
Aan het eind van 2022 legde Arnoud Odding zijn functie neer als directeur van het Rijksmuseum Twenthe en de Museumfabriek, beide in Enschede. Sinds zijn aantreden in 2012 is er veel in die musea veranderd: waar de Raad voor Cultuur aanvankelijk adviseerde het Rijksmuseum te sluiten, heeft het museum sindsdien ambitieuze tentoonstellingen als De naakte waarheid (2016) en de collectieopstelling Ars longa – vita brevis (2018) gerealiseerd. Daarvoor was Odding directeur van het Nationaal Glasmuseum in Leerdam en schreef hij verschillende boeken over musea, zoals Het gedroomde museum (2004) met Tiziana Nespoli en Het disruptieve museum (2011), in opdracht van Stichting DOEN.
Zijn nieuwste wapenfeit is Echt – Het waarachtig museum dat hij uitbracht in 2023. Het boek, eigenlijk meer een essay, heeft een tweeledig doel: enerzijds het duiden van actuele gevoelens van crisis in de samenleving en anderzijds het schetsen van de rol van musea in de omgang met die crises. ‘Waarachtig’ zijn volgens Odding de musea die relevant weten te blijven. Maar wat houdt deze ‘waarachtigheid’ precies in?
In het eerste deel van het boek, getiteld ‘De menselijke conditie’, schetst Odding een aantal complexe maatschappelijke vraagstukken van de afgelopen jaren, zoals de klimaatcrisis en de risico’s van kunstmatige intelligentie. Deze crises verergeren, stelt Odding, omdat bedrijven en instellingen binnen kapitalistische systemen baat hebben bij constante groei. Het zijn volgens Odding symptomen van de afbrokkeling van de democratie. Ze vermoeilijken het vormen van een gemeenschappelijk verhaal, wat Odding, in navolging van Yuval Noah Harari, noemt als een belangrijk weefsel waarmee gemeenschappen hun collectieve identiteit vormen. In meerdere hoofdstukken komt de vraag terug: zijn er nog plekken waar deze gemeenschappelijke verhalen wel worden gevormd en gedeeld?
Het tweede, wat mij betreft interessantere deel van het essay, ‘De naakte waarheid’, gaat dieper in op de relevantie van musea binnen deze maatschappelijke veranderingen. Odding schetst de verschuivingen van de afgelopen decennia: van het wijdverspreid geloof in de ‘autonomie’ van kunstmusea rond de eeuwwisseling, naar de grote invloed van de bezuinigingen onder staatssecretaris Halbe Zijlstra en het kabinet-Rutte I. De bezuinigingen dwongen musea om zich ondernemender op te stellen, wat zich uitte in ambitieuze pogingen om meer publiek te trekken. Odding put deels uit zijn eigen ervaringen als museumdirecteur in Enschede. Zo reflecteert hij op een aantal onder hem gerealiseerde tentoonstellingen en in mindere mate ook op bijvoorbeeld zijn eigen aankoopbeleid. Aan de hand van fragmenten uit gesprekken met collega’s, die Odding voerde voor zijn podcast De museoloog, schetst hij hoe musea niettemin toenemend proberen zich geëngageerd op te stellen. Uit deze passages blijkt dat musea allesbehalve neutrale plekken zijn. Ze vertellen verhalen altijd vanuit een bepaald perspectief en op een bepaalde manier, en zijn daarmee onderhevig aan politieke en maatschappelijke belangen.
Het valt Odding op dat mensen in grote getale musea blijven bezoeken, wat voor hem een indicatie is dat musea, ondanks de vele maatschappelijke crises, een ‘speciale’ rol bekleden in de maatschappij. Dit dankt het museum aan wat hij noemt hun ‘authenticiteit’: ‘Mensen bezoeken musea om iets echts te zien of te ervaren.’ Naast de recente overzichtstentoonstelling van Vermeer noemt hij als voorbeeld zijn bezoek enkele jaren geleden aan het Groote Museum van Artis, een van de oudste museuminterieurs van Nederland, wat hem een eureka-moment gaf, ‘want dit voelt echt en dit is écht, authentiek!’ De auteur weet dit begrip echter niet helemaal helder af te bakenen: zijn objecten van zichzelf ‘authentiek’, of is ‘authenticiteit’ een waarde die objecten wordt toegedicht?
Nog overtuigender dan ‘authentiek’ is, volgens Odding, het museum dat ‘waarachtig’ is. ‘Waarachtig’, zo stelt hij, is ‘een oprechte poging om te doorvoelen wat goed en wat slecht is in een meerduidige werkelijkheid’. Het duidt op een bedachtzame, genuanceerde en enigszins kritische houding ten opzichte van de crises die de samenleving karakteriseren. ‘Het waarachtige museum is het museum met ruimte voor twijfel en discussie. Een plek waar geprobeerd wordt de groeiende tegenstellingen te overbruggen in een eeuwig ambivalente wereld.’ Ruimte voor ‘twijfel en discussie’ is hierbij een belangrijk element: musea kunnen heersende narratieven en verhoudingen ter discussie stellen, zoals in tentoonstellingen over slavernij en het koloniaal verleden. Een voor Odding evident voorbeeld van een ‘waarachtige’ tentoonstelling is Design van het Derde Rijk (2019) in het Design Museum in Den Bosch, een (volgens de media en historici omstreden) poging om te laten zien hoe de nazi’s modernistische esthetiek inzetten om hun fascisme te verkondigen.
Hoewel Odding waardeert dat musea hun drempels proberen te verlagen, aarzelt hij over engagement in musea dat uitgroeit tot activisme. Activisme ziet hij als de bereidheid om de wereld actief te veranderen. Het heeft volgens hem de neiging om de discussie die hij zo waardevol vindt, te verstoren. ‘Activisme betekent stellingname’, schrijft Odding, ‘en daarmee zul je groepen van je vervreemden.’ Op welke groepen doelt Odding hier? Waarom zouden activisten een ‘waarachtige’ discussie in het museum verstoren, als in dit museum ‘twijfel en discussie’ juist zo belangrijk zouden moeten zijn?
Het beeld dat Odding schetst van musea en hun ‘waarachtigheid’ blijft daarmee wat tegenstrijdig. Enerzijds is Odding zich bewust van de complexe, politieke situatie waarin musea zich bevinden als niet-neutrale instituten en toont zich enthousiast over tentoonstellingen die heersende normen bevragen. Anderzijds probeert Odding musea ook vrij te pleiten, teruggrijpend op het Mouseion uit de Griekse oudheid en op het museum met ‘authentieke’ objecten en een ‘speciale’ rol binnen de samenleving. Het maakt dat zijn essay op twee benen hinkt: zijn musea onderhevig aan maatschappelijke tendensen, of juist hiervan onafhankelijk? Zijn musea betwist of moeten ze juist onbetwistbaar blijven?
Dit soort kwesties zijn de afgelopen decennia vaker beschreven of besproken, recentelijk bijvoorbeeld in het langdurige en moeizame proces dat voorafging aan het vastleggen van de nieuwe ICOM-museumdefinitie. Zelf was ik onder de indruk van Rolando Vásquez’ essay Vistas of Modernity (2020), waarin begrippen als ‘dekolonialiteit’ op een heldere en concrete manier met musea in verband worden gebracht. Het essay van Odding weet vele actuele, prangende kwesties in museumland aan te snijden, maar trekt daar in vergelijking niet veel vernieuwende conclusies uit. Echt – Het waarachtig museum biedt weliswaar een prikkelende maar niet echt baanbrekende poging om de huidige relevantie van musea te duiden.
Echt – Het waarachtig museum, O dubbel d, 2023
Arent Boon
is schrijver en onderzoeker




