metropolis m

Ayca van galerie Marquise Dance Hall is er vrij expliciet over. Er gebeurt niet zoveel in de kunst in Istanbul. Er zijn nauwelijks galeries en die paar die er zijn, zijn meestal dicht in de winter. Alleen nu zijn ze open, vanwege de biënnale. Veel bezoek ontvangt ze overigens niet in de kleine ruimte in het krakkemikkige huis in de galeriewijk Beyoglu. ‘Turken zijn niet zo dapper’, zegt ze. ‘En ze zijn nogal van het uiterlijk vertoon. Een bouwvallige galerie als deze durven ze niet zomaar binnen te gaan.’

Ayca zingt de biënnale-blues die wel vaker valt te horen bij de lokale kunstgemeenschap in een biënnalestad. De belofte van de biënnale als cultureel kwartiermaker, die de basis legt voor een bruisend artistiek klimaat, blijkt ook in Istanbul niet helemaal ingelost, als we de mening van Ayca moeten geloven. De biënnale-organisatie zelf denkt daar uiteraard heel anders over. In een ronkend persbericht rept ze over het succes van de huidige 12th Istanbul Biennial. Op de opening kwamen 4000 vertegenwoordigers uit de kunstwereld af en 400 vertegenwoordigers van de media. Istanbul lijkt vaste prik geworden op de internationale kunstkalender, met een groeiende zuigkracht op de kunsttoerist.

Voor aanvang van de huidige editie is uitgebreid bij dit succes stilgestaan, op een conferentie waar voormalige curatoren hun verhaal over hun eigen edities van de biënnale mochten oprakelen. De lezingen zijn gebundeld in een speciale uitgave, die een annex is van de catalogus van dit jaar. Uit de verhalen valt op te maken dat de biënnale eerst nog een volledig Turks feestje was, en pas na een paar edities definitief koos voor het internationale circuit.

Gedurende alle vorige edities probeerden de curatoren een mogelijke negatieve lokale ontvangst te bezweren met mooie verhalen over Istanbul zelf, met een grondige research van problemen uit de stad en met een gespreide presentatie van de tentoonstelling, waardoor de kunsttoerist als vanzelf de stad ingetrokken werd. Des te opvallender is hoe bij de huidige twaalfde editie, die onder de hoede van Jens Hoffmann en Adriano Pedrosa tot stand is gebracht, daar volledig van wordt afgeweken. In hun toelichting op de tentoonstelling doen de curatoren opvallend weinig moeite Istanbul aan zich te binden. Ze kiezen opzichtig voor een eigen verhaal, gericht op de kunst zelf. Openlijk erkennen ze dat er niet is gekozen voor kunst uit Istanbul, Turkije of de landen eromheen, maar voor de kunst die ze het beste kennen, uit Noord- en Zuid-Amerika.

De tentoonstelling zelf is het best te beschrijven als een monologue intérieur. In twee grote hallen is een speciale tentoonstellingsarchitectuur opgetrokken, die op bijpassende manier de blik naar binnen richt. De kunst wordt geëxposeerd in een enorm aantal gesloten kleine hokjes, die zich enkel naar elkaar openen, en waar je via slechts enkele ingangen toegang tot krijgt.

Om niet nader verklaarde redenen is de hele biënnale opgehangen aan het oeuvre van de in 1996 in New York overleden, Cubaans-Amerikaanse kunstenaar Félix González-Torres. Zonder twijfel is hij een belangrijk kunstenaar, die vooral als mythe overleeft na zijn vroegtijdige dood aan aids. Het werk uit de periode 1991 tot 1994, opgedragen aan zijn eveneens aan aids overleden grote liefde Ross, omvat enkele moderne klassiekers (bijna iedereen kent de berg ingepakte snoepjes, precies 80 kilo zwaar – het ideale gewicht van Ross). Toch is het een raar, zelfs onbegrijpelijk idee van de curatoren om in Istanbul zo’n omvangrijk eerbetoon te brengen aan deze kunstenaar. Zijn roerige leven, zijn werk op de grens van dood en leven, zijn openheid over zijn seksuele geaardheid en zijn nomadendom, als immigrant in New York, mogen symbool staan voor het kunstenaarschap van een jonge, naar het buitenland wegtrekkende Turkse generatie kunstenaars, de specifieke situatie van kunst in deze regio leer je er niet bepaald beter door begrijpen.

De curatoren spreken in een toelichting over de fijnzinnige balans van politiek en esthetiek in González-Torres’ werk. Maar dat is een wel erg algemeen uitgangspunt om je selectie op te baseren. Op die manier ken ik nog wel een paar kunstenaars die centraal hadden kunnen staan in deze tentoonstelling, vanwege werk dat mogelijk veel beter had gepast bij de thema’s die de curatoren uiteindelijk hebben geformuleerd: abstractie, homoliefde, paspoort, geschiedenis en de dood.

Hoewel de biënnale in deze vorm net zo goed in San Diego of São Paulo had kunnen plaatsvinden, valt er veel goede kunst te zien. Vooral de selectie Zuid-Amerikaanse kunst is van hoog niveau. Verder zag ik een schitterende nieuwe film van de Libanese filmer Akram Zaatari, een dialoog op een typemachine tussen twee (homoseksuele) ex-geliefden. Er is een bovengemiddeld aantal textielwerken van onder andere de Braziliaan Leonilsson, en andere huisvlijt als de politiekgeëngageerde, aan aids gewijde keramiek van Ardmore Ceramic Art Studio uit Zuid-Afrika, en de subtiele, op verfijnd vakmanschap inspelende fotoreportage van Jonathas de Andrade van twee identiek geklede werklui die een tweepersoonsbed in elkaar zetten. Grappig is de terugkeer van de historieschilderkunst, maar dan op miniformaat van 30×40 cm en in een uiterst knullige, niet erg monumentale uitvoering, van Nasrin Tabatabai en Babak Afrassiabi (Pages) die het depot van het Museum voor Moderne kunst in Teheran schilderden, en een reeks geschilderde televisienieuwsbeelden door het kunstenaarsduo Mona Vatamanu & Florin Tudor.

Uiteindelijk biedt Istanbul een zorgvuldig ingerichte tentoonstelling, waarin ik meerdere ontdekkingen heb gedaan. De memorabele goedmakers die mij mijn verbazing over het curieuze tentoonstellingsconcept rondom González-Torres snel deden vergeten, waren de spitsvondige conceptuele knipsels van de Argentijn Jorge Macchi, enkele met engelengeduld in elkaar gefabriceerde melodramatische tekstuele zelfbespiegelingen van Simon Evans en een schitterend tableau van uitgeknipte figuurtjes uit de wereldgeschiedenis van Geoffrey Farmer, die eerder in Witte de With exposeerde. Als curatoren enkel op de kwaliteit van de geselecteerde kunst en de inrichting worden afgerekend, hebben ze het goed gedaan. Jammer dat hun concept zo onzinnig is.

Domeniek Ruyters is hoofdredacteur van Metropolis M

Domeniek Ruyters

is hoofdredacteur van Metropolis M

Recente artikelen