metropolis m

1e Moskou biënnale

In een tijdschrift zag ik een paar jaar geleden een cartoon met daarop twee mannen in gesprek en op de achtergrond de rokende puinhopen van een aan flarden geschoten stad. ‘Wat deze stad nodig heeft is een biënnale voor hedendaagse kunst’, zegt de ene man tegen de andere. In de tekening wordt gezinspeeld op de hoge verwachtingen die lokale en landelijke politici voorgespiegeld krijgen van het effect van een grote internationale manifestatie voor hedendaagse beeldende kunst. Een biënnale trekt internationaal toerisme aan en bevordert niet alleen de economie, maar poetst vooral ook het imago van een stad op. Een biënnale ‘zet een stad op de kaart’.

De stad Moskou staat al lang op de wereldkaart en is bepaald geen rokende puinhoop, maar had toch behoefte aan een biënnale. De officiële reden voor de organisatie van dit grootschalige kunstevenement was volgens het Russische ministerie van cultuur en massacommunicatie het ondersteunen van hedendaagse kunst, de hoofdpeiler van het huidige cultuurbeleid. Maar je voelt dat deze biënnale alles te maken heeft met beeldvorming. Rusland wil af van het schrikbeeld van Tsjetsjeens terrorisme en het antisemitisme; het wil mee met de democratische vaart der volkeren. Dat mag wat kosten.

Onder leiding van Joseph Backstein werd een internationaal team van curatoren samengesteld bestaande uit Daniel Birnbaum, Iara Boubnova, Nicolas Bourriaud, Rosa Martínez en Hans Ulrich Obrist. Martínez kan gezien haar loopbaan aanspraak maken op de titel ‘Miss biënnale’ en ook Obrist lijkt nergens te mogen ontbreken. Victor Misiano, werkzaam in het Nationale Centrum voor Musea en Tentoonstellingen en hoofdredacteur van Moscow Art Magazine maakte oorspronkelijk ook deel uit van het team van curatoren. Vanwege ‘meningsverschillen’ werd hij er op een tamelijk onfrisse wijze uitgezet. Het thema Dialectics of Hope dat voor deze eerste biënnale gekozen werd, kreeg zo al bij voorbaat een nare bijsmaak.

In de catalogus wordt de keuze voor het thema als volgt verantwoord. Rusland is een land met een sterke cultuur van utopie, maar tegelijkertijd ook de plek waar de utopie van het socialisme verloren ging. Vanwege zowel de positieve als de negatieve connotatie van utopia is gekozen voor ‘Dialectics of Hope’. Het is duidelijk dat de samenstellers in hun internationale consensusvorming even de kunstwerken zijn vergeten. De moeilijkheid met dergelijk weidse thema’s, die ook elke keer weer op de Aperto-tentoonstellingen in de biënnale van Venetië worden geplakt, is dat je bij de tentoongestelde werken steeds onwillekeurig zoekt naar een rode draad, een gemeenschappelijke noemer, die er eigenlijk niet is.

Ondanks de organisatorische strubbelingen en het concept dat als een oekaze boven de biënnale zweeft, is het resultaat verrassend. Voor de hoofdmanifestatie, die in het voormalige Lenin Museum bij het Rode Plein plaatsvindt, werden 41 overwegend jonge kunstenaars uitgenodigd uit 19 verschillende landen. Aangezien er werd geselecteerd op kunstenaars en niet op werken, was het voor de conservatoren vaak een verrassing om te zien wat er soms pas vlak voor de opening binnengebracht werd.

‘Nieuwe kunstenaars provoceren het publiek niet langer eenvoudigweg. Sociale verantwoordelijkheid, nieuwe serieusheid, en de esthetica van interactie maken de tijdgeest uit’, zo staat in een begeleidend schrijven te lezen. Net als het gekozen thema is het een te grove abstractie om te dienen als typering van de getoonde kunstwerken. Daarvoor is de variatie eenvoudigweg te groot. De Chinese Cao Fei toont in haar omvangrijke installatie Father de producten en werkwijze van de hofbeeldhouwer van partijleider Deng Xiao Ping. Maar er is ook een uitgebreid commentaar te zien van Michael S. Riedel op het werk One and Three Chairs van Joseph Kosuth. Of werken van Rostan Tavasiev en Tomas Saraceno, die op het eerste gezicht grappige en onschuldige installaties maken, waarin je pas later de kritische visie op de maatschappij ontdekt. De Rus David Ter-Oganyan plaatste verspreid over het hele gebouw een groot aantal tikkende ‘bommen’ van flessen, dozen en allerlei andere materialen. It is not a bomb heten deze werken. Je gelooft het omdat je in een goed beveiligd museum bent, maar op een vliegveld zou je wegrennen.

Het oude Lenin Museum heeft voor veel mensen in Rusland een symbolische betekenis, maar er werden ook andere locaties geselecteerd voor de biënnale: een kleine twintig in totaal, met presentaties van afzonderlijke kunstenaars, onder meer van Christian Boltanski, Bill Viola en Ilya Kabakov, talloze installaties maar ook groepspresentaties van jonge, Russische kunstenaars. Obrist lichtte op de persconferentie luchtig toe dat deze manifestatie was bedacht als een ‘wandeling door de stad’. Echter een blik uit het raam volstond om daarvan af te zien: 15 tot 20 graden onder nul, een snerpend koude wind die stuifsneeuw door de straten joeg en spiegelgladde trottoirs. Het ontbreken van een centrale plattegrond met daarop in detail alle locaties, de in cyrillisch schrift gespelde namen van de metrostations en het feit dat er aan de buitenkant van de deelnemende locaties geen herkenningsteken van de Moskou biënnale te zien was, maakte een excursie naar de buitenlocaties tot een avontuur met onzekere afloop.

Zeer de moeite waard echter waren de zogenaamde ‘appartementtentoonstellingen’. Deze kleinschalige tentoonstellingen in appartementen van kunstenaars, verwezen naar de tijd van het socialisme, toen er geen andere mogelijkheid was om hun werk te tonen. In dezelfde buurt was in het oude atelier van Kabakov zijn installatie 16 ropes uit 1984 te zien. Dit werk maakt de toenmalige positie van Russische kunstenaars op beklemmende wijze duidelijk. Maar het gevaar is ook voor de kunstenaars nu nog niet geweken. Veel kunstenaars moeten hun ateliers in deze buurt verlaten omdat ze de nieuwe huurprijzen niet meer kunnen opbrengen. Een van hen zei: ‘Nu we eindelijk alles mogen maken en tonen wat we willen, kunnen we het niet meer betalen.’

Willem Jan Renders

Recente artikelen