metropolis m

Can the Monster Speak? bij RADIUS CCA, overzicht, courtesy RADIUS CCA – Center for Contemporary Art & Ecology, Delft.

Wie we zien en hoe we kijken, bepaalt wie er mag bestaan. In dit essay onderzoekt Simon(e) van Saarloos hoe zichtbaarheid zowel kan bevrijden als vastzetten, in een reflectie op transitie, representatie en het zichtbaar worden als man.

‘Ik weet dat je bekeerd bent’, zegt hij. We hebben zojuist samen een work-out gedaan en hij wil weten hoe je mijn naam schrijft. Ik zeg dat het gecompliceerd is. ‘Ik zag de littekens van je borstoperatie.’

Mannelijkheid is een trend. Opeens verschijnen er overal tentoonstellingen, boeken, artikelen en special issues over mannelijkheid. Ook worden er cursussen en mannencirkels aangeboden: hoe een feministisch verantwoordelijke man te worden, hoe zowel zacht als mannelijk te zijn, hoe over gevoelens te praten. Mannelijkheid werd lange tijd voornamelijk besproken binnen academische queer studies, zoals Jack Halberstams Female Masculinity of Roderick Fergusons Aberrations in Black: Toward a Queer of Color Critique, binnen artistieke homokringen, van Tom of Finland, Robert Mapplethorne, Alvin Baltrop tot Erwin Olaf, en binnen de Zwarte vrijheidsstrijd, bijvoorbeeld in het werk van bell hooks en James Baldwin. Mannelijkheid kreeg al wel veel aandacht op rechts. Dan gaat het vooral over de man die agressiever moet flirten en zijn viriliteit moet teruggrijpen. Op links en in het midden moest de man vooral niet worden besproken. Mannelijkheid was er gewoon – niet te complex, niet te overduidelijk, niet te interessant. De ondertoon van alles.

Eigenlijk vind ik het wel passend om als bekeerling te worden aangesproken. Een bekering is immers afhankelijk van anderen. Om te worden toegelaten, wordt je geloof getoetst. Gendergerelateerde zorg is ontoegankelijker gemaakt dan een streng bewaakte religieuze tempel. Je moet de dokter zien te overtuigen. Je moet je toewijden aan gender en aantonen dat het bestaan van gender zeer wezenlijk voor je is. Je mag niet afwijken van de God die gender heet. Die God bepaalt of je echt trans bent of niet, want zonder geloof in gender, hoef je ook niet in transitie. Om succesvol te bekeren, moet alles volgens het medische boek verlopen. Pas wanneer je de juiste verzen kent, zal de dokter je verlossen en belonen.

Hersenonderzoeker Dick Swaab zegt dat het in mijn brein zit, maar ik kan je verzekeren dat ik in transitie ben gegaan vanwege Nederland. En vanwege de tijd. Soms lopen de tijd en jij niet gelijk op. Ik woonde een paar jaar ergens anders. Absoluut geen paradijs, maar wel een plek waar een enigszins ambigue genderpresentatie er algauw toe leidde dat mensen ‘mevrouw’ of ‘meneer’ achterwege lieten en je gewoon aanspraken met ‘hallo’. Meestal werd een neutraal voornaamwoord verondersteld. Was ik op reis naar plekken waarvan we in Nederland vaak zeggen dat genderbinariteit er sterker aanwezig is, zoals bijvoorbeeld Italië, dan werd ik soms als ‘broer’ aangesproken en soms als ‘zij’. Soms wonnen de harige benen, soms wonnen de borsten. De afwisseling van soms was prettig. Maar eenmaal terug in Nederland, was het plotseling weer overal ‘mevrouw’. Een pittig kort kapsel brengt hier immers geen verwarring. Nadat ik mee mocht maken hoe fijn het is als verwarring niet hoeft te worden platgedrukt met de keuze voor ‘hij’ of ‘zij’, was Nederland ineens heel genderklein. Ik wenste hormonen om de verwarring meer lichamelijk met mij mee te dragen. Ik hoopte dat de lezing van mijn gender minder afhankelijk zou zijn van context.

Na een paar jaar hormonen, word ik overal als man gezien. Man, broer, jongen zijn dagelijkse woorden. Soms ook baas, koning, gast. Ik ben een meisje in een mannenlichaam geworden, en dat past beter dan een meisje in een vrouwenlijf. Moeilijker kan ik het niet maken. Waar ik niet op was voorbereid, is de Nederlandse mannelijkheid.
Mannelijkheid is zoals alles hier gevormd door het maaiveld. Nederlandse mannelijkheid kent vrij weinig schakeringen: de enorme spierbundel met glimmende auto en opgewonden pitbull is algauw te veel, of hij wordt weggezet vanwege zijn sociale klasse. De hele gevoelige variant is ook niet overdreven gecultiveerd, want als homo kun je ‘gewoon’ trouwen en meedoen met de rest. Je hoeft ook niet hardvochtig gepassioneerd te zijn om cultuur te snuiven, want theater en musea zijn dankzij subsidies redelijk betaalbaar. Nederlandse mannen doen normaal, dan doen ze natuurlijk al gek genoeg.

Ik mis de extremen. Niet vanwege een voorkeur voor het ene boven het andere, maar juist vanwege de veelheid aan mogelijkheden. Wanneer er veel rollen zijn – van zeer macho en hard tot nerdy en zacht – ligt het er allemaal wat dikker bovenop. Gender lijkt daardoor misschien nog meer aanwezig, maar de performativiteit van de rollen is vaak minder weggestopt. In Nederland wordt de dominante vorm normaal genoemd; het is geen spel of schaal, maar werkelijkheid. Mannelijkheid is meestal een versie van Mark Rutte: een vriendelijk lachende, witte man zonder stropdas, een knoopje open en gewoon op de fiets. Een praktische jas tegen de wind. Het patriarchaat dat het land bestuurt, toont zich trots neutraal. Niet genderneutraal, of non-binair, natuurlijk niet, maar mannelijk neutraal. Gewoon, dus. 

Can the Monster Speak? bij RADIUS CCA, Dae Uk Kim, BLOOOMING.008, 2025, siliconen, haar, metaal, hout, 20 x 20 x 75, foto Gunnar Meier, courtesy RADIUS CCA – Center for Contemporary Art & Ecology, Delft.
Can the Monster Speak? bij RADIUS CCA, overzicht, courtesy RADIUS CCA – Center for Contemporary Art & Ecology, Delft.

Telefoon, transitie, testosteron

Hoe voelt het om tot een trend te behoren? Ik denk aan mijn overgrootoma. Toen zij op haar honderdste verjaardag werd gevraagd hoe het voelde om zo oud te worden, wreef ze over haar onderarm en zei: ‘Even voelen hoor.’ Ik wrijf over mijn arm, altijd al flink behaard, en vind daar geen antwoord. Mannelijkheid zit bij mij niet vanbinnen, of op de huid. De huid verandert met wie het bemint en aanraakt en vanbinnen zit een meisje dat hardop lacht en het allemaal een grote grap en truc acht. Mannelijkheid hangt buiten mij, als een schilderij. Het hing daar altijd al wel, maar ik kan er ineens veel beter bij. Ik zie kleuren, diepte, patronen en vormen die ik nooit eerder waarnam. Waar ik het voorheen een heel saai schilderij vond, een waar je vlug aan voorbijloopt, kan ik er nu uren mee doorbrengen. Ik verveel me geen moment.

Een vriendin vertelt mij over een oefening die zij ooit moest doen tijdens haar studie kunstgeschiedenis. Je kreeg een schilderij toegewezen en moest dan een klasgenoot bellen. Je mocht niet zeggen welk schilderij het was, of wie het had gemaakt. In plaats daarvan moest je het werk heel precies beschrijven. Op basis van die beschrijvingen, tekende de klasgenoot het schilderij na. De oefening was bedoeld om heel gedetailleerd te leren beschrijven en heel precies te leren luisteren. Wat zie je en hoe deel je dat? Welke termen neem je bijvoorbeeld voor lief, terwijl elk woord in beeld multi-interpretabel is?

De binaire wereld bepaalt, in mijn geval, dat ik nu als man word gezien. Dat doel had ik helemaal niet, maar door een vertrek van de voormalige vrouwelijke vorm te initiëren, ben ik nu hier beland. Transitie wordt vaak beschreven als een dapper besluit om jezelf te worden. Maar voor mij is het heel duidelijk dat zo’n zelf niet bestaat. Transitie is geen invuloefening: er ligt (althans in mijn geval) van binnen geen man of vrouw te wachten. Het is een vertrek en een losworstelen, maar in een binaire wereld betekent het ook vaak arriveren, zelfs als je niet wilt aanmeren.

Bekeren in een binaire wereld voelt een beetje als die kunsthistorische oefening. In dit verhaal is de man het schilderij. Het hangt daar al eeuwen. Wat is veranderd, is mijn nabijheid. Ik mag ineens vooraan staan (ik hang, als trans persoon, nog net niet zelf aan de muur). Transitie is de telefoon, en mijn vriendinnen hangen allemaal aan de lijn. ‘Wat zie je, wat zie je?’ Voorheen zag ik alleen rechte lijnen, duidelijke vlakken, platte kleuren. Nu zie ik schimmen, ik zie beweging, kleurschakeringen, ik zie gedroogde korsten en natte verf, het druipt en klontert hier en daar. Ik zie tonen en snelheden, streken en diepte. Het schilderij ontroert me. Hoe meer ik zie en voel, hoe moeilijker het te beschrijven is. Mijn vriendinnen vragen ongeduldig door: ‘Hoezo ontroert het je, wat zie je dan?’ Ik weet, dit is de oefening, de belofte van T (telefoon, transitie, testosteron) is dat ik nu een boel te zeggen heb, maar het cadeau van nabijheid is juist dat beschrijven afstand vereist.

Ik bedoel niet te zeggen dat het schilderij zo belangrijk of mysterieus is. Er is veel te zien wanneer je dichtbij staat. Maar er is altijd en overal veel te zien wanneer je ergens dichtbij komt of onderdeel van wordt. Dat heeft niets te maken met de specifieke nuance van mannelijkheid. De verbinding van nabijheid is rijkdom. Maar het is niet vanzelfsprekend dat die rijkdom ook moet worden gecommuniceerd. Het gaat immers al enkele decennia best veel over vrouwen. Het idee heerst nog altijd dat het niet genoeg over vrouwen gaat, dat er daarom nog altijd zoveel ongelijkheid is. Ik vrees dat de kunsthistorische oefening een verkeerd geloof aanhangt: het toevoegen van meer beschrijvingen, meer zichtbaarheid, heeft niet tot de gedroomde emancipatie geleid. Wat je benoemt en beschrijft, raakt niet alleen vrij, maar wordt ook verder vastgezet. Elke vorm van beschrijven is evengoed een vernietigend grijpen. Stel nu dat de vele, verse uitingen over mannelijkheid bedoeld zijn om mannelijkheid vast te zetten en te grijpen. Wellicht is dat geen verkeerd idee. Maar het lijkt in het gesprek rondom nieuwe mannelijkheid toch vooral te gaan over mogelijkheden, bevrijding en verlossing.

Can the Monster Speak? bij RADIUS CCA, Pauline Boudry / Renate Lorenz, Wig Piece III (Richt Body, Wrong Time), courtesy RADIUS CCA – Center for Contemporary Art & Ecology, Delft.

Meer slechte mannelijkheid

Mijn recente bekering maakt dat het gevoel van nieuwigheid dat ik in relatie tot mijn lijf ervaar, vreemd gelijk loopt met een maatschappelijke fascinatie. Ik zou eindeloos over mannelijkheid kunnen praten, maar tegelijkertijd wil ik geen mansplainerige monoloog afsteken. Zelfkritische bescheidenheid zet de toon van het gesprek over nieuwe mannelijkheid. Het algoritme van mijn sociale media is er druk mee: transmannen die andere transmannen ervan overtuigen dat het oké is om man te zijn, dat het mogelijk is: een andere vorm van mannelijkheid dan de eenduidige mannelijkheid waaronder we allemaal lijden. Het is moeilijk om hier iets tegenin te brengen. En toch.

De nadruk op zachtheid en ‘goede’ mannelijkheid, doet me iets te veel denken aan de respectabiliteitspolitiek die queer mensen, immigranten, vluchtelingen, en mensen van kleur betreft. Je mag bestaan, als je je maar netjes, productief, reproductief en goed burgerlijk voordoet. We hebben niet nog meer goede, productieve burgers nodig – de genocide-steunende machine draait al meer dan vlot genoeg. Maar de reflecties rondom mannelijkheid lijken wel die kant op te sturen. Wanneer het mannelijkheid betreft, gaat het nooit over de wens meer slet te mogen zijn of meer werkloos. Het gaat niet over staken of demonstreren. Mannen willen zachter worden, meer gevoelens en zorgtaken delen. Het gaat, kortom, niet over de activistische verantwoordelijkheid om je onverantwoord te gedragen in een samenleving die het van ons eist om goede burgers te zijn. Daarom maak ik mij zorgen om de kunstzinnige, linkse en queer benadering van mannelijkheid: de emancipatiewensen voor de man zijn te veel gevormd door respectabiliteitspolitiek. Wat zou het betekenen om een slechte man te willen zijn? Slecht op alle fronten: slecht als vader, slecht als echtgenoot, slecht als werknemer, slecht als nationaal product, slecht als burger.

Die mannelijkheid is natuurlijk al vaak genoeg beschreven. Bijvoorbeeld in The Faggots and Their Friends Between Revolutions uit 1977, waarin de faggots een politieke beweging vormen. Daar zijn Mannen degenen die in schaarste denken en een kapitalistisch paleis achter slot en grendel bouwen. De faggots verzetten zich door in overvloed te denken, met elkaar te delen, seks te hebben. Of bijvoorbeeld Le Corps lesbien van Monique Wittig uit 1973, recent opnieuw in het Engels uitgegeven door Winter Editions met een voorwoord van Paul B. Preciado. The Lesbian Body verhaalt niet over een lichaam dat per se vrouwelijk is, maar over een manier van politiek verzet en onderling samenzijn, dat altijd eerst op en in het lijf wordt gevoeld en uitgevoerd. Hoewel de term ‘flikker’ doorgaans aan mannen wordt toegedicht en ‘lesbisch’ naar een vrouw zou verwijzen, is de strijd van faggots en de lesbian body niet afhankelijk van gender.

Ik vrees dat de trend die mannelijkheid bespreekbaar wil maken, een voortzetting is van respectabiliteitspolitiek. Ik vrees dat we goede mannen proberen te vormen, terwijl we meer slechte mannen – faggots en lesbians – nodig hebben. Ik vrees ook dat we, als queers en bekeerlingen, onze wijsheden verkopen, zonder dat dit tot een betere – en dus slechtere, minder functionele – wereld leidt. We delen dat wat we kennen vanaf de kwetsbare kant, vanaf de rand, veraf van het schilderij, en pogen die kwetsbaarheid verleidelijk aan te bieden. We beloven dat Mannen daar ook meer gebruik van kunnen maken. Maar werkt de wijsheid van kwetsbaarheid en marginalisatie wijdverspreid, of is het een strategie die in verzet is ontwikkeld? Uitgespreid lijkt die kwetsbaarheid vooral ingezet als een extra likje verf in een verder al erg vol schilderij: het maakt nog meer zichtbaar waar toch al veel van bestond. De nadruk op nieuwe mannelijkheid zorgt ervoor dat het straks nog beter gaat met mannen, niet alleen als onderdrukkende macht, maar ook als onderdrukte staatsburgers. We zouden moeten willen dat het slecht gaat met mannen. Niet als straf of omdat mannen het verdienen, maar omdat we in de huidige maatschappij niet nog meer gehoorzaamheid moeten willen cultiveren.

Simon(e) van Saarloos

is schrijver en curator

Recente artikelen