Boekbespreking: Adolf Hitler, Reden zur Kunst- und Kulturpolitik
Boekbespreking: Adolf Hitler, Reden zur Kunst- und Kulturpolitik
Toen vijftien jaar geleden een televisiedocumentaire de complexe verhouding tussen esthetiek en rassenwaan in het Derde Rijk schetste, leende de acteur Bruno Ganz aan deze uitzending zijn stem. Dit jaar heeft de acteur de rol van Adolf Hitler gespeeld in de geruchtmakende speelfilm Der Untergang, die een beeld schetst van de laatste dagen van de Führer in zijn hoofdkwartier in een bunker. Een symptomatisch moment: hoe verder het Derde Rijk in tijd van ons verwijderd raakt, des te preciezer brengt men zijn protagonisten in beeld. Nu de laatst verantwoordelijken niet meer in leven zijn, interviewt men ook de getuigen uit de tweede hand (bijvoorbeeld de zoon van de filmer Frentz, die Hitler continu met de camera begeleidde) om meer te weten te komen over de persoonlijke achtergrond van de leidinggevenden uit de nazi-tijd. Speelfilms als deze brengen onverbloemd de psychologie van de daders in beeld en presenteren deze als een karakterstudie van de ultieme slechterik.
Een perspectief dat in het naoorlogse West-Duitsland ondenkbaar was vanwege de confrontatie van de generatie ‘68 met hun vaders, de ‘daders’. Een onderdeel van de verwerking was om – uitgaande van de interesse in de persoonlijke achtergrond van de ‘meelopers’ – de kritische vraag te stellen hoe het mogelijk was dat het dagelijkse leven in Duitsland doordrongen raakte van het nationaal-socialistische gedachtegoed. Men onderzocht de gelijkschakeling van organisaties van de vakbond tot en met de sportvereniging, om een antwoord te vinden op de vraag hoe de cultuurnatie Duitsland een dictatuur kon worden die de grenzen van de menselijke wreedheid tartte. Zelfs de vervolgden en ballingen – zoals Theodor W. Adorno – ontwikkelden een beredeneerde blik op de gebeurtenissen, die uitgaande van de absoluutheid ervan, persoonlijke of individueel psychologiserende verklaringsmodellen vermeden. Pas de laatste decennia komt er in de Bondsrepubliek meer aandacht voor de werkelijke offers van de holocaust, de oorlog en de politieke vervolging.
Bij uitgeverij Revolver, Archiv für aktuelle Kunst is onlangs een verzameling origineel bronnenmateriaal uitgegeven, namelijk de redevoeringen over kunst- en cultuurpolitiek van Adolf Hitler. Met dit boekje getiteld Reden zur Kunst- und Kulturpolitik 1933-1939 komt Revolver tegemoet aan de interesse die er bestaat in het onderzoeken naar de meer persoonlijke, achterliggende motieven van de politiek van het Derde Rijk. Want ook al waren de redevoeringen deel van de openbare propaganda, toch leest men hier de teksten van een mislukte kunstschilder die kunst en cultuur gebruikte ter legitimatie en illustratie van een ‘nieuwe tijd’, zoals nog nooit eerder gedaan.
De elegante, omslagloze uitgave in pocketboekformaat is in wit op zwart papier gedrukt. Daarbij gaat het er simpelweg om dat de met slechts een paar foto’s geïllustreerde tekst, een eigen gezicht behoudt. Men heeft een boek in handen dat een neutrale brontekst zou moeten zijn, maar optisch als het ware een soort zwart gat verbeeldt. Het is een goede zaak dat het boekje ondanks de zwart-wit omkering, zorgvuldig is vormgegeven zodat het makkelijk te lezen valt, want de dertien documenten, van Hitlers redevoering op de cultuurvergadering van de partijdag van de NSDAP in Neurenberg op 1 september 1933 tot en met de redevoering bij de opening van de Große Deutsche Kunstausstellung in München van 16 juli 1939, liggen als uitgeschreven teksten nogal zwaar op de maag. Stefan Germer en Bazon Brock hebben er in hun bundel Kunst auf Befehl terecht op gewezen, dat de kunstopvatting van het nationaal-socialisme – net als alle andere terreinen van de nationaal-socialistische ideologie – weinig origineels bevat.
De retorische mix van de redenaar Adolf Hitler kan, per alinea voorgedragen en in samenhang met de parades en de overvolle zalen dan misschien wel indruk gemaakt hebben, als geschreven tekst deugt er weinig van. Noch de theorieën van de ‘rassenkern’ en de ‘eeuwige kunst’, die recht zouden doen aan de ontwikkelingen in ‘een tijdperk van staal en glas’, noch ‘de heroïsche kunst’ van ‘het nieuwe’ verbonden aan de zoektocht naar nationale, onaangetaste oervormen, noch Hitlers agressieve polemiek tegen kunstvormen als dada en expressionisme zijn met elkaar te verbinden tot een samenhangende gedachtegang die zicht leent voor een diepere analyse. Het blijft bij de afwijzing van de moderne kunst, die haar toppunt bereikte in werkverboden, vervolgingen en laster van de Entartete Kunst en de boekverbrandingen, zonder dat hier een duidelijk omlijnd, inhoudelijk programma tegenover staat. Meer dan een diffuus verlangen naar een nieuwe tijd voor de kunst en de literatuur, is het niet. Het is als met de schilderkunst, architectuur en de beeldhouwkunst die slechts teruggrijpen op monumentale formuleringen van beproefde vormen, terwijl ze uitvoerig spreken over pathos en een diffuus heldendom. Auteurs als Bazon Brock en Stefan Germer beweren zelfs dat de lichtkoepels (gangbare reclame) van Albert Speer en de filmkunst van Leni Riefenstahl geen eigen (discutabele) inhoud zouden bezitten. Zo liet Germer eens weten dat er in iedere Hein-Rühmann-film meer nazistische ideologie schuilt dan de hele Große Deutsche Kunstausstellung.
Het voorwoord van Boris Groys, getiteld ‘Das Kunstwerk Rasse’, blijft over als de meest expressieve tekst van het boek. Helaas probeert Groys achter de redevoeringen van de Führer wel een diepere betekenis te vinden, hetgeen even hopeloos is als de poging om in de schilderkunst van Hitlers hofschilder Ziegler een consistente iconologie te herkennen, of met het instrumentarium van het architectuurdebat aan bouwwerken van Speer meer effect toe te schrijven dan aan om het even welk monumentaal gebouw. Dat Hitler ook als hij over kunst spreekt, altijd weer terugkomt op het thema ‘ras’, hetzij om zich af te zetten tegen het internationalisme, hetzij om in het voorbijgaan het joodse volk te discrimineren of gewoon om van de gelegenheid gebruik te maken om zijn oorlogspropaganda te berde te brengen, is zo ook wel duidelijk.
Maar het feit dat de meest recente omgang met het verleden van het Derde Rijk zich in toenemende mate toespitst op de motivaties, overwegingen en het karakter van het leidinggevende kaderpersoneel, maakt het verschijnen van dit kleine boek misschien toch betekenisvol, omdat het zo voor iedereen duidelijk zal worden dat het lezen van deze teksten geen diepzinnig inzicht van das braunes Gedankengut zal opleveren. De uitweidingen van de voormalige kunstschilder over kunst en cultuur zijn ondanks de onaflatende opgewonden toon, niet bijzonder, noch is de demagogische kwaliteit van de alleenheerser eruit af te lezen. Hitlers redevoeringen laten slechts iemand zien die zich een verlosser waande, wat alleen binnen een historisch kader te begrijpen valt.
Adolf Hitler: Reden zur Kunst- und Kulturpolitik 1933-1939, Robert Eikmeyer (uitg.) / Revolver Verlag, Frankfurt am Main, 2004, ISBN 3865880002
Catrin Lorch





