metropolis m

Brief uit Kampala, Oeganda, oktober 2005

De Nederlandse curator Alice Smits en haar Amerikaanse vriend en filmmaker Lee Ellickson bezochten drie jaar geleden Oeganda, zonder enig besef waar dit korte bezoek toe zou kunnen leiden. Zij namen op verzoek video’s van kunstenaars van over de hele wereld mee om te laten zien aan kunstenaars en studenten. Uit discussies die daar uit voortvloeiden en het gebrek aan kennis van Afrikaanse film werd het idee geboren om een filmfestival in Oeganda te organiseren. Inmiddels heeft het Amakula Kampala International Film Festival net haar tweede editie achter de rug.

De vraag die mij het afgelopen jaar het meest werd gesteld, en waarop ik tot op heden geen passend kort antwoord heb kunnen vinden, is waarom wij Oeganda gekozen hebben om een filmfestival te organiseren. Zelden kiest men een land uit om daar iets te ondernemen; het land, de mensen die je ontmoet, de situatie waarin je terecht komt kiezen jou. En zo keerden we vorig jaar terug naar Kampala om er het eerste, internationale filmfestival te organiseren. En het tweede is nu net achter de rug. De naam die we het gegeven hebben, Amakula, is een woord uit het Luganda wat oorspronkelijk ‘geschenk aan de Kabaka, de koning van de Buganda’ betekent en meer in het algemeen: ‘iets wat waardevol is’.

Toen mij door de redactie van METROPOLIS M werd gevraagd een brief te schrijven, moest ik lang nadenken waar over te schrijven. Niet vanwege gebrek aan gespreksstof, want er is zoveel om te vertellen, zoveel ervaringen, observaties, maar ook zoveel verwarring. Dat maakt schrijven moeilijk. Dit gaat over praktische dingen als de elektriciteit die bijna dagelijks uitvalt, zoals nu terwijl ik dit schrijf bij kaarslicht, hopend dat het licht weer aan zal zijn tegen de tijd dat de batterij van mijn laptop op is. Of over eraan wennen dat ik, terug in Amsterdam, voor een week eten in huis kan halen omdat de koelkast echt aan blijft. Of het gaat over meer ideologische zaken zoals een nuancering van de lof- of klaagzang op tradities of moderniteit. Als westerlingen zijn we gewend aan een zeker schuldgevoel ten opzichte van het lot van de wereld, maar hier, terwijl ik aan den lijve ondervind hoe diepgaand en desastreus de gevolgen van (neo)kolonialisme zijn op de collectieve psychologie van een volk, realiseer ik me wat eigenlijk zo uniek en bijzonder is aan de geschiedenis van het Westen. En hoe treurig het is, dat zij die zo graag modern willen zijn, zich kleden in stropdas of minirok, luisteren naar Dolly Parton, kijken naar Arnold Schwarzenegger, het kind in een buggy zetten in plaats van op de rug en de koffer in de hand dragen, in plaats van op het hoofd.

Men lijkt in de greep van slechts één kant van moderniteit, die van de wegwerp- en fastfoodcultuur die zo gemakkelijk zijn weg naar Afrika heeft weten te vinden. Maar moderniteit in de beste zin van het woord, als een zelfreflectieve relatie met de eigen cultuur, verkoopt zich heel wat moeilijker. Modern in deze zin is onze vriend Ras Jingo, die veel kennis heeft van de geschiedenis van zijn land, naar Afrikaanse muziek luistert, even kritisch is ten aanzien van zijn eigen tradities als de ongevraagd geadopteerde, en zelfgemaakte, Afrikaanse kleding draagt. Veel andere Oegandezen noemen Jingo een ‘muzungu’ (Swahili voor blanke), omdat hij veel leest, van reizen en kamperen houdt, het als man leuk vindt om op kinderen te passen en er ‘anders’ uitziet.

Vanaf het moment dat ik hier woon heb ik al een artikel willen schrijven over beeldende kunst in Oost-Afrika. Maar ik weet niet precies hoe erover te schrijven, vanuit welke blik ernaar te kijken. Hoe recht te doen aan kunst die experimenteert met expressionistische en kubistische schilderkunst? En hoe deze te plaatsen in de eigen context waar ze uit voortkomt, terwijl deze context zelf gekenmerkt wordt door een schizofrene relatie met zowel de eigen, als een van buiten opgelegde cultuur, waartussen tot op heden geen gemakkelijke synthese gevonden is? Waar kunststudenten uitsluitend in de westerse kunstgeschiedenis onderwezen worden en Duchamps urinoir kennen, zonder enig inzicht in de specifieke context waaruit dit werk voortkomt, daar is Picasso, de kunstenaar die zich meer dan ieder ander liet inspireren door de West-Afrikaanse maskers, de grote inspiratiebron die Afrika terugbrengt naar de moderne, Afrikaanse kunstenaars.

En zo is het eigenlijk met alles hier, om Afrika te vinden moet je het eerst verlaten. Zo brengen wij, een Europeaan en Amerikaan uit continenten waarin elk land zijn Afrikaanse festival heeft, de Afrikaanse film terug naar Afrika, als het typische symptoom van een wereld van neo-koloniale machtsverhoudingen waar elke Oegandese filmliefhebber Schwarzenegger, Eddy Murphy of Steven Spielberg kent, maar waar weinigen gehoord hebben van Ousmane Sembene, Med Hondo of Jean-Pierre Bekolo.

Voor het eerst word ik hier de politieke betekenis van cultuur gewaar. En besef ik wat het betekent om je eigen verhaal te vertellen op een plek waar de vraag ‘wat is mijn verhaal?’, zoveel verwarring schept. Hier toont zich het belang van kunst om je eigen identiteit niet slechts uit te drukken, maar te construeren, te communiceren wie je bent op een manier die alle complexiteiten ervan weerspiegelt. Het thema van het afgelopen filmfestival was Story Lines, een thema dat even belangrijk is voor de cinema als voor de Afrikaanse cultuur. Verhalenvertellers van verschillende stammen in Oeganda vertelden tijdens het festival verhalen, vaak met zang en muziek. Maar ook ‘de vertellers van de stedelijke cultuur’ – de rappers, televisiepresentatoren, vj’s en academici – vertelden verhalen tussen de films door en reflecteerden erop in een symposium. Zo’n platform te kunnen bieden, waar al deze verhalen elkaar ontmoetten en in de schijnwerpers stonden, opende een inzicht dat hier niet vanzelfsprekend is: dat deze rijke verhalen en talen waardevol zijn om geïntegreerd te worden in een moderne cultuur zoals die van film.

Recentelijk waren we uitgenodigd deel te nemen aan een vergadering van de Europese Unie over een culturele viering van Europa en riepen daar de vraag op waarom de meeste ambassades een marginale rol geven aan cultuur, als een soort luxe post naast de meer dringende noodzaken van armoede en bestrijding van ziekten. Want voor het eerst, juist nu ik al die dingen om me heen zie, ervaar ik hoezeer de ontwikkeling van individuen en een samenleving als geheel, in eerste en laatste instantie een kwestie van mentaliteit is en cultuur een uiterst urgente zaak is. Omdat het uiteindelijk overal in doordringt, omdat het gaat over je plaats in de wereld. Opeens is het geen theorie meer, maar ervaar je direct de politieke betekenis van het eigen beeld. Kijk naar alle handgeschilderde advertentieborden die hier gemaakt worden voor de vele kapsalons en zie hoe moeilijk het gevonden wordt het eigen beeld te schilderen: de meeste portretten lijken eerder Latino’s dan Afrikanen. Uit deze beelden kan een geschiedenis over de relatie tot het zelf gelezen worden. Een Congolees te horen vertellen over de films die hij maakt, resulteert in heftige discussies over de mogelijkheid van een Oegandese film. Iets wat de droom van Hollywood waar de meeste mensen hier mee opgroeien, nooit zal doen. Onze nachtwaker Gilbert verkondigt nu overal dat zijn favoriete filmmaker Stan Brakhage is, wiens experimentele films hij vorig jaar zag in een performance van de Adungu Cultural Troupe.

Nog een omkering, waar in Europa steeds meer kerken tot concerthallen verworden, veranderen hier de cinema’s in kerken. Maar de enige filmacademicus die we hier ontmoet hebben, een van de voornaamste voortrekkers voor een faculteit voor film, die we onmiddellijk uitgenodigd hebben zitting te nemen in ons stichtingsbestuur, is een non. Onze filmvoorstellingen in het Plaza Theater, een vervallen theater dat ooit in de jaren vijftig een prachtig theater moet zijn geweest, kunnen pas beginnen nadat de plaatselijke christenen hun dienst hebben beëindigd. Maar in de sloppenwijken van de stad krijgt Schwarzenegger, die daar een ware held is, een inheemse stem door vj’s die de professionele, maar ook zeer vrije vertalers zijn van Amerikaanse actiefilms. Deze actiefilms worden vertoond in videohalls, armoedige gebouwtjes waar het publiek voor driehonderd Oegandese shillings op houten banken videotapes bekijkt op tv-monitoren. Voor het festival vertonen we een selectie films vertaald in het Luganda in de videohalls, en omgekeerd haalden we de vj’s voor een VJ Slam Competitie naar het meer prestigieuze National Theater.

Het heeft mij geïnspireerd tot mijn eerste poging een film te maken. Die film gaat over John ‘The Love Doctor’, die gespecialiseerd is in het vertalen van liefdesfilms, en over de meer intellectuele Chau Khan die detectivefilms voor zijn publiek weet te ontraadselen; maar ook over de vakbond voor videohall-eigenaren, opgericht nadat de regering ze wilden sluiten als potentiële schuilplekken voor terroristen, pornografie en drugsgebruik, maar die zelf soms opereert als een maffia die belastinggeld incasseert of apparatuur in beslag neemt. En het gaat over de jongens van Ivory Productions met aan het hoofd regisseur Abdul Magid Ssenoga, die zichzelf tot pionier van de Oegandese film heeft omgedoopt en geen gelegenheid voorbij laat gaan om zichzelf als zodanig te introduceren. Hij leert zijn vrienden de gevechtskunsten van de martial arts, nageaapt van de film en maakt speelfilms – in naar eigen zeggen de stijl van Claude van Damme – waarvoor hij zijn genootschap Swahili leert spreken, de lingua franca in oostelijk Afrika maar niet in Oeganda, die de vj’s dan weer vertalen in Luganda. Volg je het nog?

En dan is er de herinnering aan die ene middag toen we onverwacht te midden van alle drukte een lange reis buiten de stad maakten naar het huis van Albert Ssempeke, een van de laatste hofmuzikanten die de Buganda-muziek en -verhalen speelt. Hij speelde de fluit voor ons in zijn tuin, samen met zijn zoons. Hij vertelde ons hoe weinig interesse er in Oeganda in zijn muziek was, en hoe blij hij was dat wij van ver weg hem in zijn dorp hadden weten te vinden om hem uit te nodigen op te treden in de National Theater op de openingsavond van het festival. Drie dagen later stierf Ssempeke, zijn zoons speelden die avond zonder hem. En ik voel nu pas hier wat ik voorheen slechts in theorie wist te verwoorden, dat kunst zoveel meer is dan een schilderij in een galerie.

www.amakula.com

Alice Smits

curator Zone 2 Source Amsterdam en kunstcriticus

Recente artikelen