metropolis m

Kidlat Tahimik, Killing us Softly… with their SPAMS… (Songs, Prayers, Alphabets, Myths, Superheroes…), 2023, installatie in de Bienal de São Paulo – Choreographies of the Impossible, 2023, © Levi Fanen / Fundacão Bienal de São Paulo

Vier jaar lang was de performance O samba do crioulo doido uit 2004 van de Braziliaanse danser en choreograaf Luiz de Abreu door het politiek-conservatieve klimaat niet te zien op podia in zijn thuisland. Nu maakt de performance deel uit van het openingsprogramma van de 35e jubileumeditie van de Bienal de São Paulo. De Abreu gaat in zijn werk aan de haal met stereotyperende representaties van Zwarte lichamen. Hij trekt die door, overdrijft ze en contrasteert ze met symbolen van zijn vaderland om zich zijn eigen lichaam weer toe te eigenen. Het is een emotionele ervaring, confronterend en bevrijdend, om een naakte Zwarte man op hooggehakte rijglaarzen een samba te zien dansen met de Braziliaanse vlag als achtergrond, trofee, kledingstuk en onderdeel van een striptease. Een dikke middelvinger naar onderdrukking en discriminatie en een viering van het lichaam, het ritme en de dans. ‘Ik moest bewegen om te kunnen bestaan’, zegt De Abreu over zijn motivatie om te performen.

O samba do crioulo doido is kenmerkend voor deze 35ste jubileum editie van de biënnaleBienal de São Paulo die zich expliciet wil verhouden tot de urgente onderwerpen van deze tijd en die verschillende ‘choreografieën van het onmogelijke’ opvoert. Het resultaat is een wijduiteenlopende biënnale, zowel geografisch, thematisch als qua kunstpraktijken, met een grote rol voor kunstenaars die door verschillende systemen van uitsluiting de weg naar grote podia is bemoeilijkt. De Bienal de São Paulo, op Lade Biennale di Venezia na de oudste biënnale ter wereld, werd in 1951 opgericht in een tijd van economische voorspoed voor het land en in navolging van de oprichting van het Masp, het eerste museum voor moderne kunst in Brazilië (dat als een van de weinige musea in Zuid-Amerika een grote collectie werken uit de Westerse kunstgeschiedenis bezit en op dit moment, net als veel andere kunstinstellingen in São Paulo, een proces van dekolonisatie doormaakt). Sinds de vierde editie huist de biënnale in het door Oscar Niemeyer ontworpen Ciccillo Matarazzo-paviljoen, vernoemd naar de Italiaans-Braziliaanse industrieel die de biënnale oprichtte, in het Ibirapuerapark. De biënnale had tot doel om het Braziliaanse publiek kennis te laten maken met hedendaagse kunst en tegelijk kunst uit de regio internationaal op de kaart te zetten. Die lijn van agenderen krijgt in deze jubileumeditie, die zich sterk richt op werk van inheemse, Zwarte en anderszins gemarginaliseerde kunstenaars, een urgente nieuwe impuls.

Nu Lula sinds 2023 weer president van Brazilië is en de coronapandemie achter de rug is, ruimen de kunstenaars en curatoren in deze editie het puin op veroorzaakt door het koloniale, patriarchale en discriminerende gedachtegoed van voorbije eeuwen onderdrukking – dat culmineerde in het presidentschap van Jair Bolsonaro – en stellen er alternatieve kennissystemen en vormen van samenleven tegenover. Hierbij is veel ruimte voor gemeenschappen en collectieven uit Brazilië en de rest van de wereld, die dat al in de praktijk brengen, ook buiten de context van de hedendaagse kunst. Zo is er een installatie over de geschiedenis van de quilombo, één met werk uit het Argentijnse Archivo de la Memoria Trans en wordt er o.a. stilgestaan bij het activisme van de Zapatistas, de Colombiaanse Taller 4 Rojo en de Peruviaanse Taller NN. Het eten op de biënnale wordt verzorgd door Cozinha Ocupação 9 de Julho – MSTC, een lunchplek in een door vijfhonderd mensen bewoond kraakpand in São Paulo dat aandacht vraagt voor de woonproblematiek in de stad. 

De heroriëntatie van wie wanneer het podium mag beklimmen is ook doorgevoerd in het team van curatoren dat deze editie samenstelde, dat voor de eerste keer in de geschiedenis van de biënnale overwegend Zwart is. Waar eerst alleen de Spaanse Manuel Borja-Villel, voormalig directeur van Museo Reina Sofia in Madrid was aangesteld als hoofdcurator, zijn de Braziliaanse curator, criticus en onderzoeker Diane Lima, de Portugese kunstenaar en schrijver Grada Kilomba en de Braziliaanse curator en antropoloog Hélio Menezes na protest ook aangetreden als curator. Het thema van de tentoonstelling is ‘choreografieën van het onmogelijke’. In hun essays voor de catalogus halen Diane Lima en Hélio Menezes allebei het werk van de Amerikaanse schrijver en academicus Saidiya Hartmann aan, die schrijft: ‘Choreography was an art, a practice of moving even when there was nowhere to go to, no place left to run. It was an arrangement of the body to elude capture, an effort to make the uninhabitable liveable.’ Hoewel voor een andere context en over een andere kunstpraktijk geschreven, resoneert dat inzicht met veel werken in de biënnale.

De vier curatoren onderstrepen in hun uitingen telkens hun horizontale werkwijze waarmee ze de ‘homogeniteit van een collectief’ willen vermijden. Dat lukt, met als resultaat veel sterke werken onder één dak. Maar de keerzijde is dat de biënnale soms te veel verhalen, territoria en perspectieven wil herbergen. Omdat ze ook nog eens kriskras door elkaar heen worden gepresenteerd in het meanderende paviljoen van Niemeyer dat voor deze biënnale aan de binnenzijde nog extra rondingen heeft gekregen voor een spiralling effect, levert dat soms een wat schizofrene kijkervaring op en lijken een aantal werken in de veelheid te verdrinken. De altaarachtige healing machines van Guadalupe Maravilla vallen bijvoorbeeld op de bovenste verdieping weg tegen de beeldbepalende witte spiraalvormige trappen van het gebouw. De verstilling en verwondering die nodig zijn voor hun therapeutische kracht komt daar niet tot zijn recht. Ook de door candomblé-geïnspireerde installatie Outros (2023) van Daniel Lie lijkt op de verkeerde plek te zijn geplaatst. De organische installatie van met kurkuma geverfde doeken, chrysanten, zaailingen en vazen krijgt in de open ruimte tussen de pilaren van de tweede verdieping gek genoeg iets hermetisch en afgeslotens, terwijl het werk juist een uitnodiging lijkt te willen zijn tot het herzien van de relaties tussen soorten. 

Sowieso zijn voor mij in deze biënnale, rijk als die is aan imposante, grootschalige installaties, de subtielere werken veruit het meest indrukwekkend. Neem de met cement gevulde en gebroken traditionele keramiek van Marilyn Boror Bor waarmee de kunstenaar in een enkel beeld vangt hoe kolonialisme en modernisme stilstand brengen. O, of de choreografie van bewegende gevlochten strooien schermen van Diego Araúja en Laís Machado, die verdwijning en opaciteit monumentale proporties geeft. EnOf de vibrerende schilderijen waarin Carmézia Emiliano het dagelijkse leven en de mythes van de Maxuci vangt. Voor deze editie moet je als bezoeker ook niet te snel schermmoe zijn, want er is veel moois te zien als je de tijd neemt voor de vele videowerken. Zo is er een zaal die cineaste Sarah Maldoror eert en de krachtige, ingetogen film van Simone Leigh en Madeleine Hunt-Ehrlich, die zich eerst laat lezen als een viering van creatie maar eigenlijk gaat over samenzwering, over welke kennis wel en niet te delen vanuit de Zwarte vrouwelijke gemeenschap. Dan is er ook nog het energieke, brutale en zeer menselijke SHAKEDOWN (2018) van Leilah Weinraub, waarvoor ze twaalf jaar aan filmmateriaal in een stripteaseclub in Los Angeles voor en door Zwarte lesbische vrouwen in Los Angeles tot een wervelwind van een film monteerde, en de poëtische meditatie op vergankelijkheid in de korte film van Elda Cerrato, van wie ook intrigerende abstracte schilderijen worden getoond. Even intrigerend zijn de sculpturale werken van afgedankt of gekregen textiel van Sonia Gomes die in haar op Braziliaanse ritmes geïnspireerde werken traditioneel verguisde kunsttechnieken – want toegeschreven aan vrouwen en Zwarte mensen – nieuw leven schenkt. Ontroerend zijn de foto- en filminstallatie van Dayanita Singh en de dagboekachtige tekeningen van Aurora Cursino dos Santos (1896-1959) die een groot deel van haar leven in psychiatrische instellingen doorbracht en daar werk over maakte.

Wat nagenoeg alle werken op deze biënnale met elkaar delen is een zoektocht naar genezing, naar de verwerking van een verdriet dat vaak zijn oorsprong heeft in onrecht en soms ook in meer persoonlijke vormen van rouw, zoals het verlies van een moeder in het werk van Aline Motta. Er is hier niet de in Europa schijnbaar noodzakelijke kwinkslag. De algehele indruk is er een van zwaarte. Hier wordt de pijn doorleefd en tegelijkertijd genezen, als een stevige massage die het verharde bindweefsel zo aanpakt dat je je adem inhoudt, maar waarna er weer ruimte in het lichaam ontstaat die nieuwe bewegingen mogelijk maakt. Het is uiteindelijk in de werken waarin dans een hoofdrol speelt dat de grootste bevrijding ervaren wordt, zoals in het werk van Maya Deren of Katherine Dunham. Dat zang een evenzo sterke vorm van een expressie en bevrijding is werd duidelijk tijdens het openingsfeest van de biënnale, waar Margareth Menezes, de huidige Braziliaanse minister van cultuur, het podium beklom en een nummer zong. Het uitzinnige publiek zag dat wat onmogelijk leek, een Zwarte vrouwelijke minister van cultuur in Brazilië die de mensen en de kunst toezingt, voor hun ogen plaatsvinden.

São Paulo Bienal
Fundação Bienal de São Paulo, São Paulo, Braziliëe
6.9 t/m 10.12.2023

Dit artikel werd geschreven in het kader van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2022, waarbij Zoe Dankert de basisprijs Recensie toegekend kreeg. De reis is mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds.

 

Zoë Dankert

is dichter, kunstcriticus en podcastmaker. Vorig jaar maakte ze de driedelige podcastserie Voor de sprong over afstuderen aan de kunstacademie

Recente artikelen