De kunstacademie als cateringbedrijf
Pascal Gielen en Paul De Bruyne introduceerden zo’n tien jaar geleden de term ‘cateringregime’ om de effecten van neoliberalisering op de Nederlandse kunstacademies te omschrijven: de academies moesten zich in steeds hoger tempo aanpassen aan de eisen van de arbeidsmarkt, met modulaire en flexibele curricula die in strak berekende uren door docenten moesten worden overgebracht aan precies op schema afstuderende studenten. Met de aangekondigde bezuinigingen op de academies rijst de vraag: hoe staat het er vandaag de dag voor op de academies? En hoe wordt het ervaren door de mensen die er werken?
Drie gebeurtenissen op dezelfde dag. Een afstuderende student van een schrijfopleiding vertelt dat ze die week negen vergaderingen heeft staan. Een docent van een kunstacademie ontvangt een mail dat ze wekelijks de mogelijkheid heeft een gratis stoelmassage te krijgen. De hoofdredacteur van Metropolis M stuurt een bericht: of ik een tekst wil schrijven over de effecten van neoliberale politiek op kunstacademies? ‘Volgens mij urgent. Overal hoor ik van crisis en bezuinigingen. Het gaat niet goed!’
Cateringregime
In de introductie van de essaybundel Teaching Art in the Neoliberal Realm (2012, Valiz) vergelijken Pascal Gielen en Paul De Bruyne de kunstacademie met een cateringbedrijf. Bij een cateraar draait alles om voorraadbeheer, distributie en timing; alleen zo krijgen klanten op het juiste moment op de juiste plek het meest verse voedsel zonder dat het bedrijf blijft zitten met een overschot. ‘Van academies […] wordt verwacht dat ze kennis leveren die op maat gemaakt is en voldoet aan de eisen van hun klanten of potentiële studenten. Zelfs de inhoud van een vakgebied, hoe klassiek ook, heeft tegenwoordig een beperkte houdbaarheid, onderhevig als ze is aan snel veranderende eisen op de arbeidsmarkt. De overdracht van kennis en het leerproces worden letterlijk op maat gemaakt voor modules en competenties, die op hun beurt netjes worden ingedeeld in precies berekende contacturen’ [alle citaten uit de essaybundel zijn vertaald uit het Engels]. Kunstacademieonderwijs is volgens Gielen en De Bruyne ‘een nauwkeurig berekende middelmatigheid’ geworden. Een cateraar mag vooral niet te veel buiten de norm leveren; de klant moet de garantie hebben dat het voorgeschotelde eten in de lijn der verwachting ligt.
Gielen en De Bruyne schrijven daarnaast dat het cateringregime niet zomaar een realiteit is geworden, maar dat het een resultaat is van bewust politiek en neoliberaal beleid dat aan kunstacademies (en andere hogescholen en universiteiten in Europa) is opgelegd. Ze verwijzen in de publicatie naar de Bolognaverklaring uit 1999 als duidelijk omslagpunt. In dit akkoord, dat werd getekend door 29 Europese Ministers van Onderwijs, moest er ‘een gemeenschappelijk en open Europees hoger onderwijs’ komen. Kenniseconomie werd het toverwoord; voortaan zou een substantieel deel van de economische Europese groei voortkomen uit kennis. Om dat te bewerkstelligen werden onder andere het bachelor/masterstelsel en het studiepuntensysteem ingevoerd. Er moest vrij verkeer mogelijk zijn tussen studenten van verschillende onderwijsinstellingen, de graad waarmee beoordeeld werd moest in alle ondertekenende landen vergelijkbaar zijn, en criteria en methodologieën moesten in heel Europa dezelfde ‘kwaliteitsgarantie’ behalen. Door dit akkoord werden onder andere kunstacademies in de eerste jaren van het nieuwe millennium gedwongen enorme veranderingen te bewerkstelligen en werd volgens Gielen en De Bruyne het cateringregime geïmplementeerd.
Afgelopen jaren
Meer dan tien jaar na deze publicatie is er veel gebeurd op kunstacademies in Nederland. Organisaties hebben hun managementstructuur voltooid en binnen vakken of projecten (er worden nog maar weinig vakken gegeven) is het streven naar doelmatigheid vaker belangrijker geworden. Kijkend naar alle academies in Nederland valt het op dat er de laatste jaren veel aandacht is voor beeldvorming, bijvoorbeeld middels de jaarlijkse eindexamenshow of opendag. Hoe verhoudt deze aandacht voor ‘het afleveren van visitekaartjes’ zich tot de inhoud, tijd en kwaliteit van het onderwijs zelf? Het is kritiek die op veel academies te horen is door docenten of studenten die de toenemende werkdruk moeilijk aankunnen.
In navolging van wereldwijde bewegingen zoals Black Lives Matter en #MeToo komen bij verschillende onderwijsinstellingen in binnen- en buitenland steeds meer verhalen bovendrijven over seksisme, racisme en pesterijen. Deze bewegingen zijn nog steeds springlevend en gaan hand in hand met kritische geluiden op hogescholen en universiteiten over het curriculum, de taal waarin gesproken en onderwezen wordt, en op de machtsposities van docenten. Het is de moeite waard om te kijken of de problemen die steeds zichtbaarder worden op academies te plaatsen zijn in de contouren van het cateringregime.
Ik spreek met verschillende mensen die werkzaam zijn bij kunstacademies en die reflecteren op een aantal kernonderwerpen van het huidige kunstonderwijs. Twee daarvan gaven toestemming om hier met naam en toenaam genoemd te worden. Rosa te Velde is ontwerper, theoriedocent op de KABK in Den Haag en vormt sinds afgelopen augustus samen met Aminata Cairo het lectoraat Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten op de AHK in Amsterdam. Maaike Lauwaert is sinds zeven maanden de nieuwe voorzitter van het college van bestuur van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam.
Vrije ruimte
Een van de belangrijkste kernmerken van het cateringregime volgens Gielen en De Bruyne is dat het gevoed wordt door angst voor vrijheid en het gebrek aan vertrouwen in medewerkers, studenten en docenten. Die angst wordt beteugeld door bureaucratie. Dat onderstreept Maaike Lauwaert: ‘In de zeven maanden dat ik deze baan nu heb, merk ik dat de regeldruk voor kunstacademies immens is. Dat zorgt voor extra bureaucratie en bestuurlijke processen en er gaat veel geld in zitten. Het creëert een administratieve zwaarte waarvan je je kan afvragen of die echt nodig is.’ Maarten Simons en Jan Masschelein onderbouwen dit argument in een ander hoofdstuk van de eerdergenoemde essaybundel, waarin ze betogen dat die bureaucratie en het wantrouwen lijnrecht tegenover de historische betekenis van het originele Griekse woord Scholè staan: tijd waarin mensen niet economisch of politiek hoeven te handelen, en waarin alleen de leerstof centraal zou moeten staan. Ook in de wandelgangen van academies is deze kritiek te horen. De vrije ruimte van weleer brokkelt af, de plek die niet draaide om studiepunten, digitale beoordelingssystemen of accreditaties, maar om kennis en experiment, waar studenten en docenten nog tot diep in de nacht aanwezig mochten zijn. De academie als woonkamer waarvan de deur nooit dicht ging, maar die tegelijkertijd genoeg afstand had tot de dagelijkse (politieke) werkelijkheid.
Als ik Rosa te Velde deze kwestie voorleg, neemt ze de tijd om haar kritiek te verwoorden. Ze heeft moeite met de aanname dat de kunstacademie ooit een vrije plek was en dat deze ruimte momenteel onder spanning staat door zoiets als marktwerking of prestatiedruk. ‘Inderdaad is er momenteel zoiets als een sterke marktwerking – vast en zeker sterker dan vroeger – maar voordat we het daarover hebben, laten we even stilstaan bij het idee van ‘vrije ruimte’. Is daar überhaupt ooit sprake van geweest?’ Te Velde moet bij de romantisering van de academie van vroeger denken aan het klassieke feministische essay The Tyranny of Structurelessness (1971) van Jo Freeman. Vanuit haar eigen ervaringen bij de vrouwenbeweging eind jaren zestig, schrijft Freeman dat groepen die geen structuur hebben een informeel, niet erkend en niet verantwoordelijk leiderschap verhullen. Het essay herinnert Te Velde eraan dat wanneer er in situaties zogenaamd geen normen heersen, er waarschijnlijk juist hele sterke normen zijn. ‘Normen die bijvoorbeeld “innovatie”, “originaliteit” of “succes” op een hele specifieke manier voorschrijven, ontstaan vanuit een dominant kader: wit, modern, eurocentrisch, patriarchaal, heteronormatief. Het idee dat je studieperiode op een academie een tijd is waarin je niet economisch of politiek hoeft te handelen is bovendien niet waar. Alles wat we leren en hoe we studeren is inherent politiek, academies functioneren als traininggrounds om toegang te krijgen tot een competitief werkveld. Wie er kan studeren, hoe en voor welk toekomstperspectief zijn ook economische vraagstukken. En daarnaast; het werkveld zit natuurlijk in die kunstacademies, alleen al omdat het hbo Sectorplan Kunstonderwijs van de Vereniging Hogescholen lange tijd in het teken heeft gestaan van het geloof in een “bewegend curriculum”, oftewel, veel flexibiliteit, “inspelen” op actualiteiten en dus heel veel zzp’ers inzetten.’2 Daarnaast hebben nieuwe docenten op afdelingen er vaak ooit zelf gestudeerd waardoor hun studie van destijds opnieuw wordt gereproduceerd. Dit maakt dat er in docententeams stemmen worden gemist en het ook moeilijk is voor buitenstaanders om een positie te verkrijgen.
Lauwaert denkt dat elke goede opleiding in zekere zin een vrije ruimte is; een ruimte waar de student geen of minder rekenschap hoeft te geven van economische druk. Tegelijkertijd merkt ook zij de nostalgie naar anarchisme op in de wandelgangen. ‘Mensen zijn vaak aan het schaduwboksen met het verleden, een tijd waarin er meer zou kunnen. Ik denk echter dat het altijd goed is dat we ons rekenschap geven van de mensen die op dat moment geen onderdeel uitmaakten van de academie, die geen deel konden of mochten uitmaken van die zogenaamde vrije ruimte.’ De omgangsvormen die destijds ruimte kregen worden nu vaak niet meer getolereerd, ook al gaat dat moeizaam. ‘Er was, toen ik zelf op de toneelacademie zat bijvoorbeeld, meer seksisme en mensen van kleur of met een niet- westerse achtergrond zag je niet op de academie. Dus voor sommigen was die vrije ruimte misschien prettig en anarchistisch, maar voor anderen juist keihard en belichaamde het een systeem van uitsluiting. Daar wil ik niet nostalgisch over zijn.’
Lauwaert zou op dit vlak wel gebaat zijn bij meer richtlijnen of handvatten vanuit het ministerie over hoe om te gaan met de problemen die naar boven komen in de huidige emancipatiegolven. Het is veel gebruikelijker geworden dat studenten praten over mentale worstelingen. Dat is volgens haar belangrijk, maar daar moeten vervolgens opleidingen wel adequaat op gereageerd kunnen worden. ‘Het is echt een omslag voor docenten dat ze naast het lesgeven nu beladen worden met zorg voor mensen die het mentaal moeilijk hebben. Docenten gaan met buikpijn naar huis, ze willen verantwoordelijkheid nemen en passend reageren op zorgvragen. Maar hoe moet dat precies?’ Dit is volgens Lauwaert de grootste uitdaging binnen haar werkzaamheden: hoe zorg je voor sociale veiligheid binnen onderwijsinstellingen wanneer daar maar beperkt extra middelen voor beschikbaar zijn?
Relatie docent en student
Waar Gielen en De Bruyne in 2012 nog schreven dat het cateringregime de potentiële vrije ruimte tussen student en docent niet meer zou vertrouwen, hebben we tien jaar later meer redenen om aan te nemen dat die vrije ruimte niet altijd betrouwbaar was. Bovendien is het opvallend dat er destijds nog niet werd geschreven over zoiets als machtsverhoudingen tussen student en docent. Gielen en De Bruyne schrijven zelfs: ‘Goede docenten […] zijn niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de leerlingen en vooral niet in zichzelf, maar spreken alleen vanuit hun enige ware liefde voor dans, muziek, theater of beeldende kunst. Studenten zullen hen alleen interesseren als zij op hun beurt geïnteresseerd zijn in de leerstof. […] Wie met oprechte betrokkenheid over een onderwerp praat, heeft weinig pedagogische regels nodig om interesse op te wekken of kennis en vaardigheden over te dragen.’ Te Velde beaamt dat het oog voor didactische vaardigheden een recente beweging is. ‘De afgelopen jaren is er een sterke ontwikkeling geweest om het belang van didactische vaardigheden in kunstonderwijs te erkennen. Maar dat is binnen de structuren van een kunstacademie nog nieuw, nauwelijks ontwikkeld en er zijn weinig uren voor, waardoor dit nog echt in de kinderschoenen staat. En ook daarin moet de vraag worden gesteld: welke normen en wereldbeelden worden gereproduceerd bij de ontwikkeling van didactische vaardigheden?’
Experiment en speelruimte
In het beleidsplan van de Gerrit Rietveld Academie (2020 – 2025) is een quote van docent Hansje van Ooijen te lezen: ‘Als je zegt dat experiment een kernwaarde is, dan maak je consequent ruimte voor de zaken die je niet direct kunt benoemen, voor het zoeken naar het onbekende, zonder dat daar iets aan vastzit, en wapen je je tegen neoliberalisme en rendementsdenken.’ Hoe doe je dat: experiment bewaken als academie terwijl je ook moet voldoen aan wat een van mijn gesprekspartners de ‘kilometers administratieve rompslomp’ noemt? Na de Bolognaverklaring in 1999 en de bezuinigingen vanuit de Nederlandse overheid moesten veel kunstacademies in de eerste vijftien jaar van het nieuwe millennium fuseren en sloten ze zich aan bij reguliere hogescholen. De Gerrit Rietveld Academie verzette zich hiertegen en bleef klein en zelfstandig. Lauwaert moet er anno 2023 nog steeds hard aan werken om die positie te behouden, omdat het tegen de keer ingaat en omdat je als kleine hogeschool een schaalnadeel ondervindt: met minder geld en mensen moet de academie voldoen aan dezelfde wet- en regelgeving als grotere hogescholen. Toch willen ze dit zo behouden omdat ze de vrijheid om een eigen koers te varen van groot belang achten. Er wordt integraal beoordeeld over meerdere jaren heen en middels onderbouwingen eerder dan cijfers, om prestatiedruk tegen te gaan kunnen studenten niet meer cum laude afstuderen en de academie reikt ook geen eindexamenprijzen meer uit, op wens van de studenten zelf.
Het ministerie van OCW zet de laatste jaren flink in op flexibilisering van onderwijs, de student moet zelf kunnen kiezen welk pad er wordt gevolgd door eenvoudig te switchen van curriculum of om minors elders te volgen. De Gerrit Rietveld Academie is niet in die trend meegegaan en dat was een bewuste keuze; iedere student volgt het curriculum zoals dat uitgezet wordt door een afdelingshoofd. ‘We geloven in het educatieve traject dat een afdelingshoofd met het team uitzet; daarin past het idee van de rondshoppende student niet. De Rietveld heeft nog een basisjaar, dat is op veel andere plekken wegbezuinigd. Er zit een opbouw in de studies en die maken studenten collectief door. We willen niet dat studenten er constant uit kunnen stappen om een volledig individueel pad te volgen. Het idee dat je wat bij elkaar kan sprokkelen om je eigen palet te maken, daar verzetten we ons op deze academie tegen.’
Onderzoek en een minderwaardigheidsgevoel
Dat Europa een kenniseconomie moest worden, heeft ook effect gehad op het aanzien van onderzoek op hogescholen. Bijna alle academies in Nederland hebben de afgelopen twintig jaar een lectoraat gekregen waarmee praktijkgericht onderzoek wordt gedaan binnen en buiten de academie. Te Velde en Cairo streven met hun lectoraat naar projecten die praktisch, concreet en toegankelijk van aard zijn, terwijl veel onderzoek aan hbo-instellingen discursief en theoretisch is. Er gaan ook vaker stemmen op dat de kunstacademie universitair moet worden, net zoals andere academies in Europa.1 Te Velde: ‘Het verbaast mij en tegelijkertijd snap ik waar het vandaan komt. De overheid heeft de afgelopen dertig jaar nauwelijks geïnvesteerd in onderwijs, maar wel in “kennisontwikkeling”. Dus die investering in de “kenniseconomie” heeft gezorgd voor enorme toename van researchagenda’s op academies.’
In juni 2022 liet minister Dijkgraaf in een brief weten de komende tien jaar jaarlijks honderd miljoen te willen investeren in praktijkgericht onderzoek op hogescholen. Hoewel Te Velde zelf ook een lectoraat runt en hier dus direct van profiteert is ze kritisch, omdat volgens haar het gevaar bestaat dat onderzoek binnen hogescholen te veel een doel op zichzelf kan worden. ‘Als ik vanuit mijn rol als docent spreek, vind ik het kwalijk dat ik en mijn collega’s moeten bedelen voor uren voor onderwijsontwikkeling, betaalde overlegmomenten en herkansingsuren, terwijl er wel een potje wordt opengetrokken van honderd miljoen euro per jaar voor onderzoek. Die onderzoeksagenda is heel sterk: elke onderwijsinstelling wil nu een ‘kennisinstelling’ worden. Zo is er nu een speciaal ‘Professional Doctorate’ traject opgetuigd, een hbo-equivalent van een PhD. Het is waardevol om de traditionele wetenschappelijke kaders te verruimen, en ook ruimte te maken voor ‘artistiek onderzoek’, maar laten we wel opnieuw de vraag stellen: wie komt dit (niet) ten goede? Een hbo-instelling moet geen nep-universiteit worden.’
Bezuinigingen en arbeidsomstandigheden
Op verschillende academies wordt er aanstaand collegejaar (2023 – 2024) bezuinigd ten koste van onderwijsuren van docenten. Dit is geen specifieke overheidsbezuiniging; getroffen academies moeten letten op de uitgaven omdat er de afgelopen jaren meer is uitgegeven dan er binnenkwam. Het benadrukt hoe kwetsbaar de positie is van veel mensen die lesgeven op de kunstacademie en ook dat academies blijkbaar te weinig geld ontvangen voor de uitgevoerde werkzaamheden – of dat het geld naar andere kostenposten gaat.
Kunstacademies zijn competitieve omgevingen geworden waarin uren van docenten van elkaar afhangen. Afdelingen moeten enerzijds nog meer projecten aangaan, anderzijds zijn er niet genoeg middelen. Zo wordt te hard werken voor weinig geld geïnternaliseerd en gereproduceerd. Iedereen wil nog dat ene project, die studietrip of publicatie doen. Het is problematisch dat we nu op een punt zijn gekomen dat arbeidsomstandigheden en het welzijn van docenten tegenover de ontwikkeling van curriculum is komen te staan.
Daarnaast ontbreekt het op academies veelal aan een goede HR afdeling. De HR wordt vaak volledig overgelaten aan het hoofd van een opleiding, diegene regelt nagenoeg alles betreft de arbeidsomstandigheden van docenten. Maar wat er van docenten precies wordt verwacht, wat ze verdienen, wat hun rechten en plichten zijn; het is op veel academies niet transparant en er zijn geen duidelijke richtlijnen waardoor het aan de desbetreffende docent wordt overgelaten en diegene moet hopen op vertrouwen.
Gesprekken die eigenlijk zouden moeten gaan over arbeidsomstandigheden, gaan nu vaak over zaken als uren, projecten en semesters. Jonge, beginnende docenten hebben het meest last van deze precariteit; hun positie hangt aan elkaar van freelance contracten, tijdelijke contracten en het opvullen van gaten in het rooster om maar een voet binnen de deur van de academie te krijgen.
Uiteindelijk is iedereen die werkt voor een academie onderdeel van het instituut. Het is een voorrecht om op dagelijkse basis bezig te mogen zijn met kunstonderwijs, maar dat voorrecht brengt ook de verantwoordelijkheid mee weerstand te bieden tegen invloeden die ditzelfde onderwijs uithollen. Die verantwoordelijkheid geldt des te meer voor de mensen met gezaghebbende posities. Gielen en De Bruyne schreven het al: neoliberale principes ogen vaak ‘natuurlijk’, terwijl het politieke keuzes zijn. Die keuzes moeten eerst in het licht komen te staan alvorens er weerstand tegen te kunnen bieden. Daarnaast weet iedereen die werkt op een kunstacademie; er is ook veel wél mogelijk tussen de regels van het beleid. Laten we die ruimte blijven oprekken.
1 Ranti Tjan schreef bijvoorbeeld op 11 augustus 2022 een opiniestuk in het NRC dat kunstacademies in Nederland een universitaire status zouden moeten krijgen. De kunstacademie is volgens Tjan vooral een zoektocht naar het vinden van een eigen artistiek handschrift: ‘Die zoektocht is academisch van aard, er wordt onderzoek gedaan, er wordt gemaakt, gelezen, gekeken, gereflecteerd en gediscussieerd. Academisch? Ja. Universitair? Ja, maar niet in Nederland.’
2 Kunstonderwijs Next, Sectoragenda 2016-2020
Lieneke Hulshof
is freelance kunstjournalist, curator, moderator en docent




