metropolis m

De stem of zoiets (deel II)
Eerste liefde

De stem als markering van de liefde en de liefdesbreuk. Paul Elliman trekt langs enkele voorbeelden van vervlogen liefdes en stemmen, zoals die van Hal 9000 uit Stanley Kubricks 2001, A Space Odyssee het leven liet. Klinkt daar het liedje Daisy Bell?

Damn I wonder why I broke up with that fuckin’ chick? Uffie

In het liedje Eerste Liefde overdenkt Uffie (Anna-Catherine Hartley) de pijnlijke les die ze heeft moeten trekken uit een vroege relatie. Een van de levenslessen die telkens weer opduikt in liedjes en gedichten, is die van de eerste liefde, die zowel staat voor een gevoel dat zich maar niet laat uitbannen, als de hieraan tegengestelde kracht van het onvermogen terug te kunnen keren naar die tijd. Wist ik nog maar hoe ‘t was die eerste dag,/Dat eerste uur, die eerste tel met jou, luiden de eerste regels van Christina Rossetti’s Sonnet. Maar dat kan niet: Het glipte weg, onopgemerkt en gauw.

Ook het gedicht van een andere negentiende-eeuwse Engelse dichter, John Clare, heeft als titel Eerste liefde. Het is een gloedvolle herinnering aan zijn verloren muze Mary Joyce, die Clare nog lang bleef inspireren, ze was geen deel van zijn leven, maar had een plek gekregen binnen zijn woorden. Ze leek mijn stille stem te kunnen horen, zegt Clare als zijn gevoelens voor Mary de normale spraakvermogens overstijgen en iets te euforisch worden: De woorden stroomden uit mijn ogen/En spraken als akkoorden klinken van een snaar.

In de 21ste-eeuwse versie van Uffie, geproduceerd door de electro-house muzikant monsieur Oizo (Quentin Dupieux, een techno-stemfanaat met een Atari 1040), worden de woorden uitgesproken door de snaren van een digitaal keyboard. Ditmaal is het geheugen geen probleem. De stem is de live input uit de beschreven ervaring: And when I met you long ago I was so alone/My heart was beating so fast I had to write this song. Hij is ook een vorm van mediteren met een eigen drop-down menu van esthetische effecten. Oizo (spreek uit: oiseau, wah-soo, vogel in het Frans) wakkert de stress hoogstens wat aan. De zinnen sterven weg in vocale harmonieën of flikkeren ritmisch na als afzonderlijke ademstootjes. De regels storten op elkaar als betrof het dubbelgedrukte pagina’s of uitgelopen inkt. Het woord real klinkt alsof het wordt verfrommeld in de prullenbak op de desktop. Wat er dan nog resteert van de hartenkreet van de zangeres wordt meegesleurd in een gewelddadig krachtenveld van nagalm waarmee meer wordt verbrijzeld dan alleen het oppervlak van de taal der liefde. Ook de stem zelf breekt.

I love it when you whisper in my ear

You say the sweetest things that I wanted to hear

Misschien is een lied niet het beste medium om een stem psychologisch te duiden, maar stem en lied hebben beide hun sensuele basis in het emotionele spectrum van pijn en genot. Gevoelens kunnen worden opgerekt in de precieze taal van een lied. Of ze worden uitgebannen.

In zijn boek Uit de taal van een verliefde citeert Roland Barthes een Frans liefdesliedje uit de vijftiende eeuw, Trop penser me font amours (Liefdes doen mij teveel denken), om het begrip loquela te introduceren, een symptoom van pijn dat het slachtoffer dwingt erover te blijven praten en telkens terug te keren naar de oorzaak ervan: ‘Bij vlagen wordt er in mijn hoofd, naar aanleiding van een speldenprikje, een taalkoorts ontketend, een defilé van redenen, interpretaties, redevoeringen. Het enige waar ik me nog van bewust ben is een machine die zichzelf gaande houdt, een draailier die nooit verstomt en waarvan aan de slinger wordt gedraaid door een wankelende, anonieme speler.’

Dit beeld van gemechaniseerde gekte met een eigen overlevingsdrang en zelfs met eigen liedjes, is tegelijk een prachtige omschrijving van wat taal vermag. De menselijke stem lijkt eveneens een oeroude herinnering aan een breuk in zich te dragen. Is de geschiedenis niet begonnen met de zondeval van de allereerste liefde?

Een unheimisch aspect van de zogeheten moderne tijd is dat de geschiedenis en de stem zich op een spookachtige manier met elkaar zijn gaan verzoenen. Misschien niet om op hun eerste misstap terug te komen, maar wel als heropvoering van enkele oorzaken daarvan. Neem alleen al de fantastische litanie van beroemde eerste woorden. Van Thomas Edison die in 1877 Mary had a little lamb zingt, tot Alexander Graham Bells roep uit datzelfde jaar: ‘Mr. Watson come here, I want to see you’, of van de eerste aarzelende stem op de radio: ‘One, two, three, four – is it snowing where you are Mr. Thiessen?’ (van de heer Reginald Fessenden, op 23 december 1900 vanuit Washington DC) tot de onverwachte sneeuwstorm van stemmen in de cinema. ‘Wait a minute, wait a minute, you ain’t heard nothin’ yet!’ roept Al Jolson en na dit eerste spontane zinnetje op film zet de band prompt dat klassieke nummer over een eerste liefde in: Toot Toot, Tootsie, Goodbye (1927). En in 1968, een jaar voordat Neil Armstrong zijn eerste maanwoorden spreekt, levert Stanley Kubrick op film een nog veel meer melancholieke bijdrage aan de gereanimeerde stem van de geschiedenis.

In de film 2001: A Space Odyssey zakt de stervende Hal 9000 computer steeds verder weg in een gesimuleerde jeugdherinnering met een synthetische weergave van alweer een liedje over een eerste liefde, Daisy Bell. Dat zoog hij niet zomaar uit zijn duim. In 1962 had men de schrijver van 2001: A Space Odessey , Arthur C. Clarke, tijdens een rondleiding door Bell Labs een IBM 740 laten zien die door fysicus John L. Kelly was geprogrammeerd om als eerste computer ooit een liedje ten gehore te brengen. Daisy, Daisy, give me your answer true/I’m half crazy all for the love for you.

In de loop van een eeuw keert de stem terug als een wezen dat eerst de wereld om zich heen aftast, al snel jongvolwassen wordt en dan instort onder de zielige bandbreedte van z’n eigen emotionele grenzen. De stem was van gereguleerde vorm van expressie omgevormd tot typografisch specimen.

I’m off to search for a new lover, with the chance I might find better

Eerder dit jaar werd bekend dat de allereerste opname van een menselijke stem is gemaakt door een Franse typograaf, Édouard-Léon Scott de Martinville. Deze opname van zo’n twintig jaar voor de ‘uitvinding’ van de fonograaf door Thomas Edison was slechts een bijproduct van wat Léon Scott eigenlijk voor ogen stond. Hij zocht naar een manier om het letterzetten te vereenvoudigen en probeerde daarom typografie en de menselijke stem direct aan elkaar te koppelen. De opname, van 9 april 1860, werd aangetroffen in het archief van een patentenbureau in Parijs, het Institut Nationale de la Propriété Industrielle. De ijle stem die geëtst staat op een met een olielamp zwartgeblakerd velletje papier, zingt een achttiende-eeuws deuntje, Au clair de la lune. Aanvankelijk meende men dat het om de stem van de dochter van Léon Scott ging, maar nadat de ontdekkers de opname een paar keer op verschillende snelheden hadden afgeluisterd, denkt men nu dat het de zangstem van Léon Scott zelf is.

De tekst, die ons terugvoert naar het tanende lamplicht van het negentiende-eeuwse Parijs en naar ideeën over schrijf- en spraaktechnieken, blijkt een liedje over een eerste liefde te zijn. Au clair de la lune Pierre repondit/ ‘Je n’ai pas de plume. Je suis dans mon lit /Va chez la voisine. Je crois qu’elle y est...’ Al is de eerste liefde misschien niet echt de ontbrekende schakel tussen de stem, de herinnering en het schrift, ze levert wel een allegorie op voor de veranderingen die gepaard gaan met verschuivingen in de technische ontwikkeling.

John Clare was zo geobsedeerd door zijn eerste liefde dat ze zijn denkbeeldige vrouw en de moeder van zijn fantoomkinderen werd. Maar Clare wordt als schrijver erg bewonderd om de formele kwaliteiten van zijn stem op papier. Hij stond erom bekend dat hij zich bewust niet hield aan de gestandaardiseerde Engelse grammatica, die wij tegenwoordig associëren met de schriftcultuur na de komst van de drukpers. Zijn gebruik van lokale dialecten, volksliedjes en alledaagse beschrijvingen van het leven op het platteland tonen een sterke betrokkenheid met de sociale onrust tijdens de Industriële Revolutie. In zijn geschriften hield Clare koppig vast aan de niet-gereconstrueerde stem, en dat galmt na in eigentijdse opnames waarin de stem bewust verkeerd geconstrueerd wordt als een soort grove facsimile van tekst.

En zonder iets af te willen doen aan de ongelooflijke eerste opname van Léon Scott, moet ook worden geconstateerd dat forensische tests om iemands vaderschap vast te stellen meestal in dienst staan van het hoofddoel van de geschiedenis: voldoen aan onze behoefte om ergens in te geloven. Leugens en bedrog, beloftes van trouw en intimiteit hebben altijd deel uitgemaakt van haar aardse charme. Wat Uffie betreft draait opnametechniek erom een leven te vinden aan gene zijde van die oude, geliefde, oneerlijke stem.

You are the one that I always think about

My first love that I made this song about

Paul Elliman is kunstenaar en ontwerper, Londen

Vertaling: Maaike Post/Arjen Mulder

Paul Elliman

Recente artikelen