
Draad naar de toekomst – Intergenerationele praktijken in mode
In een wereld van snelle consumptie en overproductie slaan jonge modeontwerpers een andere weg in. Ze kiezen voor het hergebruik van materialen en traditiegebonden technieken als breien, weven en borduren. Karmen Samson analyseert hoe deze generatie traditionele klederdracht transformeert tot een eigentijds symbool van duurzaamheid en culturele identiteit.
Het tot leven brengen van een stof is het resultaat van elke steek die eraan voorafging, waarbij de draden elkaar kruisen en verbindende schakels vormen. Evenzo vloeit mode voort uit de sociaal-culturele interacties en manifestaties van voorgaande generaties. Het is een praktijk die mensen van verschillende leeftijden en achtergronden samenbrengt in een gedeelde activiteit, zowel in het maken als het dragen. Dit ‘voortborduren op’ positioneert mode als een essentieel onderdeel van het (collectieve) culturele geheugen, waarin het zowel een vluchtige vorm aan kan nemen, zoals fast fashion die haar bestaansrecht heeft verworven door gecultiveerd consumptiegedrag, als meer een duurzame, zoals klederdracht dat dankzij kritische jonge makers een herwaardering ondergaat.
De Feministische Handwerk Partij is een collectief dat traditionele handwerktechnieken combineert met een eigenzinnig hedendaags feministisch activisme. De kledingstukken en stoffen worden niet alleen publiekelijk hersteld, maar er wordt tegelijkertijd een discours gestart over maatschappelijke kwesties. Het door de kunstenaar Emmeline de Mooij aangestuurde collectief organiseert speciale ‘mending circles,’ waarbij de deelnemers kledingstukken herstellen door middel van breien, haken, naaien of borduren, terwijl verschillende sprekers hun visie op actuele feministische vraagstukken delen. Er worden ook samen theoretische teksten gelezen.
Deze aanpak resulteert in een tweeledig herstel: er worden fysieke objecten gerepareerd, en daarnaast worden ook verstoorde genderbeelden en geconditioneerde verwachtingen kritisch herzien. Ze breken los van het idee dat handwerk, dat vaak geassocieerd is met vrouwelijke gedomesticeerde rollen, niet alleen een conservatieve drager van traditie is, maar juist een medium kan zijn voor radicale transformatie en maatschappelijke dialoog. Door expliciet aan te haken op de vaak vergeten geschiedenis van textielproductie en de rol ervan binnen patriarchale constructies, zet het collectief handwerk in als een krachtig pedagogisch en politiek instrument.
De drang tot behoud van eeuwenoude handwerktechnieken speelt op meer fronten. In hun recente presentatie bij het TextielMuseum lieten Dasha Tsapenko en Marjo van Schaik zien hoe klederdracht een krachtig medium kan zijn om politieke en sociaal-maatschappelijke vraagstukken aan te kaarten. Met hun herinterpretatie van de gunya, een wollen jas die fungeerde als een draagbare schuilplaats, oorspronkelijk gedragen door Hutsul-herders in de Karpaten, plaatsen zij een traditioneel kledingstuk in een kritisch licht. Ze geven de jas een nieuwe functie en vragen direct aandacht voor het symbolische belang van hun circulaire praktijk.
In januari 2023 reisden ze met afgedankte wol uit Nederland naar de Karpaten, om deze om te vormen tot nieuwe gesponnen wol, waarmee ze uiteindelijk een traditionele geweven gunya creëerden. Het werk is bedoeld als een ode aan ambachtelijke technieken, maar ook als een aanklacht tegen verspilling en het gebrek aan respect voor natuurlijke hulpbronnen. Hun werkwijze had ter plekke veel impact. De Oekraïense wevers die hen leerden hoe met de traditionele methoden te werken, werden door deze samenwerking geïnspireerd om hergebruik als nieuwe werkwijze te omarmen. De gunya’s werden verder verrijkt met zakjes waarin zaadjes waren opgeborgen, als een hommage aan de Oekraïense zaadbank die granen en inheemse bloemsoorten herbergde, en in 2022 tijdens een bombardement werd vernietigd. Deze symbolische toevoeging benadrukt de vergaande gevolgen van oorlog, aangezien tradities en erfgoed niet alleen vastliggen in objecten, maar zich ook manifesteren in het culturele geheugen. Het verlies van deze planten uit de regio is het uitwissen van een fundamenteel onderdeel van de nationaliteit en habitat. De gunya die Tsapenko en Van Schaik creëerden, reikt daarom verder dan een esthetische functie: het kledingstuk fungeert als een schuilplaats en als beschermend symbool voor de natuur.
Thema's
Denzel Veerkamp presenteerde enkele maanden geleden de collectie Abrasei (dat ‘aan de andere kant’ of ‘overzee’ betekent) waarmee hij refereert aan het Afro-Surinaamse erfgoed. Centraal in deze collectie staat de traditionele koto-dracht, bestaande uit stoffen met patronen, felle kleuren en unieke prints die specifieke boodschappen of symboliek uitdragen. De kledingstukken zijn diep geworteld in het slavernijverleden en dragen sporen van een gedeelde geschiedenis. Veerkamp transformeerde deze historische klederdracht door hedendaagse patchwork- en deconstructivistische technieken toe te passen. De volumineuze koto-rokken, die traditioneel gecombineerd worden met yaki (wijd uitstaande jasjes), werden in deze collectie gepaard met brede satijnen bomberjacks, om het verleden te verbinden met hedendaagse mode.Veerkamps esthetiek is geworteld in het Afrofuturisme, een stroming die geschiedenis, spiritualiteit en technologie verweeft om nieuwe hoopvolle visies op de toekomst te bieden. Afrofuturisme biedt voor Veerkamp niet alleen ruimte voor agency in de autonome beeldvorming, maar waarborgt ook de continuïteit van de Afrikaanse diaspora.
Mode, als een ongrijpbaar non-chronologisch verschijnsel, omvat meer dan de materialiteit van een kledingstuk, heeft de capaciteit om overtuigingen, normen, waarden en attitudes over te dragen. Het beïnvloedt zogezegd intergenerationeel gedrag, wat kan resulteren in een nieuwe verhouding tussen de generaties en hun onderlinge dynamiek. Zo zou het ook kunnen helpen bij het bevragen van schrijnende misstanden uit het verleden, die structureel hun weg naar het heden hebben gevonden, door de fundamenten ervan ter discussie te stellen in het belang van een rechtvaardige toekomst.
Maatschappelijk debat
De vraag is waar deze interesse in oudere technieken onder een jonge generatie makers vandaan komt. Wat verklaart de enorme vlucht die de belangstelling voor soms eeuwenoude technieken genomen heeft? We bevinden ons in een stroomversnelling van geaccelereerde productie en steeds snellere consumptie. Waar de brandingcarrousel haar hoogtepunt heeft bereikt, de consumptie-doolhof zich steeds verder vertakt en esthetische vermoeidheid zich aandient. Mode- en cultuurhistoricus Elizabeth Wilson benadrukte in Adorned in Dreams: Fashion and Modernity (1985) al de diepgewortelde verbinding tussen mode en het kapitalisme. Zij beschouwt mode als een ‘kind van het kapitalisme’, een product dat in essentie voortkomt uit de economische en sociale structuren die door het kapitalistische systeem worden gedomineerd. Vanuit een industrieel perspectief wordt mode gezien als een koopwaar, waarbij de menselijke interacties vaak van secundair belang zijn. Hoe sneller de consument wordt aangespoord om zijn modevoorkeuren te veranderen, hoe effectiever het kapitalistische model werkt.
De kapitalistische kern manifesteert zich op exemplarische wijze in de cyclische aard van mode, die voortdurend nieuwe stijlen introduceert – voorheen traditioneel per seizoen, maar tegenwoordig zelfs dagelijks. Deze constante vernieuwingsdrang heeft geleid tot een groeiend verzet, waarbij steeds vaker afstand wordt genomen van het accelererende circuits en door te zoeken naar meer duurzame vormen van productie.
Toch is er bij de omarming van traditionele technieken op dit moment iets anders aan de hand. Nieuwe generaties ontwerpers vallen terug op traditionele technieken in een poging actief deel te nemen aan maatschappelike debatten en gebruiken. Deze jongere generaties prikkelen oudere generaties om klederdracht vanuit een hedendaags perspectief te heroverwegen en er kritische zienswizen aan toe te voegen, waardoor progressie juist zichtbaar wordt in de ogenschinlike stilstand van productieprocessen. Heel concreet bespreekt mode- en cultuurwetenschapper José Teunissen, expert op het gebied van duurzaam modeontwerp en de ethiek van modeproductie, dit thema in haar essay Slow Fashion: Mode als tegenbeweging (2019) dat ze schreef
Heel concreet bespreekt mode- en cultuurwetenschapper José Teunissen, expert op het gebied van duurzaam modeontwerp en de ethiek van modeproductie, dit thema in haar essay Slow Fashion: Mode als tegenbeweging (2019) dat ze schreef voor het Nieuwe Instituut. In dit essay beschrijft ze hernieuwde interesse in het maken en allerhande traditionele technieken als verzet tegen de cultuur van fast fashion, die de modeproductie de afgelopen decennia buitensporig heeft versneld. Ze belicht tevens de ernstige gevolgen, zoals de ecologische schade en de problematische arbeidsomstandigheden die ermee gepaard gaan.
Er is een dringende behoefte om alternatieven te ontwikkelen, die Teunissen plaatst binnen het kader van terugkeer naar lokale grondstoffen en distributed economies, wat wil zeggen dat de productielijnen transparant moeten zijn met directe lijnen tussen producent en consument. Ze observeert dat er steeds meer pogingen worden ondernomen om ‘verouderde’ mode een nieuwe waarde te geven, bijvoorbeeld door hergebruik.
Kate Raworths Doughnut Economics (2017) sluit hier naadloos op aan. Raworth pleit voor een herziening van ons economische model, waarbij we niet langer streven naar eindeloze groei, maar een evenwicht zoeken tussen ecologische grenzen en sociale basisbehoeften. Haar model biedt een fundament voor de Slow Fashion-beweging, waarin de focus niet ligt op de snelheid van productie en consumptie, maar op het zich verantwoordelijk voelen voor de generaties na ons. In de mode-industrie betekent dit dat we de nadruk leggen op duurzaamheid in de vorm van lokale productie, eerlijke werkprocessen en het herwaarderen van oude technieken – principes die rechtstreeks bijdragen aan een circulaire economie en duurzame toekomst creëren voor de generaties die volgen.
Teunissen benadrukt dat de Slow Fashion-beweging zich kenmerkt door de nadruk op het maken, zoals in vroegere tijden, en niet alleen het kijken of consumeren. In deze context wordt mode niet enkel gezien als koopwaar, maar als een proces van waardeherstel, dat zorgt voor betrokkenheid bij zowel het product als het productieproces en de historische implicaties die hiermee verbonden zijn. Mode wordt zo een dynamisch medium voor kennisoverdracht, waarin generaties en culturen elkaar ontmoeten en van elkaar leren.
Bovendien biedt de non-chronologische aard van mode de mogelijkheid om alternatieve toekomsten te verbeelden. Dit betekent dat mode niet alleen als reflectie van het verleden en het heden fungeert, maar ook als een middel om hoopvolle visies te ontwikkelen voor een rechtvaardigere, duurzamere toekomst. Door tradities te eren, hergebruik te omarmen en te erkennen dat vooruitgang niet altijd gelijk staat aan groei, ligt er juist in het herstellen en herwaarderen van het bestaande een kans voor een nieuwe visie op de toekomst. Een toekomst waarin we niet langer gefixeerd zijn op meer, maar op wat er al is, en hoe we dat op een verantwoorde manier kunnen behouden en transformeren voor de generaties die volgen.
Karmen Samson
is modebeoefenaar en onderzoeker met interesses in materiële cultuur en museologie




