metropolis m

Installation view, Mounir Eddib, Little Ghetto Boy, Galerie Ron Mandos, Amsterdam, 2026, Photo by Jonathan de Waart

In de pers wordt Mounir Eddib vaak geportretteerd als ‘rising star uit een kansarme wijk’ en ‘een ongelooflijke toevalstreffer’. Het is een verleidelijk narratief, maar ook één dat in zijn herhaling de gelaagdheid van Eddibs oeuvre dreigt plat te slaan. De beeldend kunstenaar en derde-generatie gastarbeider vervlecht zijn leefwereld in het postindustriële Genk met de rijke Berberse cultuur van zijn Marokkaanse wortels. Eddibs werk laat zich niet louter als sociologisch document recupereren; de kunstenaar neemt een actieve, bijna strijdbare houding aan over wie zijn verhaal mag vertellen. Louise Osieke spreekt Eddib in zijn studio naar aanleiding van zijn recente solotentoonstelling Little Ghetto Boy bij Galerie Ron Mandos in Amsterdam.

Ik spreek Mounir in zijn studio bij Vonk Ateliers, gevestigd in een voormalig schoolgebouw in het centrum van Genk. Hij bewoont er een ruim lokaal; licht, leeg – nu al zijn werk op zaal bij Ron Mandos hangt – en haast steriel, op uitzondering van enkele hints naar de artistieke arbeid die hij hier dagelijks verricht. Ik moet denken aan een anekdote van de Vietnamees-Amerikaanse dichter Ocean Vuong, die vertelt dat hij, wanneer hij schrijft, zware bottines draagt, om te onderstrepen dat het vastleggen van abstracte ideeën en gevoelens een geaarde, fysieke mentaliteit vraagt. Bij Mounir geen bottines, maar lood, teer, steengruis, textiel en bijenwas. Materialen die niet alleen substantieel zijn in gewicht, maar ook in betekenis.

Eddib studeerde in 2024 cum laude af aan de Kunstacademie van Maastricht. Daarna volgden een eerste institutionele soloshow (Taliswoman, Z33, Hasselt), verschillende prijzen en belangrijke institutionele acquisities elkaar in snel tempo op.

Eddibs kindertijd biedt essentiële sleutels tot zijn praktijk. ‘Op de academie leerde ik aan te sluiten bij de ongefilterde verbeelding uit mijn kindertijd’, vertelt hij. ‘Het is een manier van intappen op een energie waarbij ik op een bepaald moment het technische aspect kan loslaten en het beeld zelf laat spreken.’ Zijn jeugd speelde zich af in twee decors die voortdurend in elkaar overvloeiden. Enerzijds is er de intimiteit van de ouderlijke woning in Genk, waar zijn moeder de cultuur bepaalt: een wereld doordrenkt van pre-islamitische rituelen, recepten, gebeden en de Arabische taal. Anderzijds is er het publieke leven in de cités: de tuinwijken met hun kronkelende straten, de pleintjes waar de popcultuur en hiphop regeren, en de drang om erbij te horen zonder je eigenheid te verliezen. Op de achtergrond torenen de terrils [bergen steenkoolgruis, red] en de stille karkassen van de mijngebouwen boven de stad uit.

Net als ik vertegenwoordigt Mounir de derde generatie migranten in het Belgisch-Limburgse steenkoolbekken. We delen een biculturele identiteit in een stad die zich probeert te herdefiniëren, maar waar de littekens van de extractie van zowel het natuurlijke als het menselijke kapitaal nog diep zitten. Naast al dat zichtbare is er het impliciete: de trauma’s en kansen die intergenerationeel zijn doorgegeven. Het structurele racisme en het spanningsveld tussen het isolement van de ‘ghetto’ en de belofte van integratie vormen de onderstroom van zijn beelden.

Mounir Eddib, Taliswoman, 2025, Silver ring, lead, tin, wood and indigo cloth, 23 x 23 x 100 cm, image by Jonathan de Waart
Mounir Eddib, Taliswoman, 2025, Silver ring, lead, tin, wood and indigo cloth, 23 x 23 x 100 cm, image by Jonathan de Waart

De mystieke vrouwelijke energie van het huis en de viriele, rauwe energie van de straat komen op een dwingende manier samen in de sculptuur Dar (2025). De titel, Arabisch voor ‘huis, grondgebied, vaderland en familie’, suggereert bescherming, maar blijkt eveneens een complex ritueel instrument. Het huis is opgebouwd uit loodvellen, een materiaal dat Mounir graag gebruikt omdat het ‘leeft’; het reageert op zuurstof, oxideert en transformeert door de tijd heen. Boven op de structuur prijkt een kristal van aluin, als een spirituele bliksemafleider of een versteende rookpluim. Binnen in dit loden huis ligt een figuur op een kussen van indigotextiel. Deze stof, in het zuiden van Marokko gebruikt voor gewaden, laat een blauwe kleur achter op de huid van de drager; een fysieke transformatie die Eddib associeert met magie en alchemie. Maar de figuur ligt daar niet in loutere rust; hij is vergroeid met een deel van een drilboor, een directe verwijzing naar de mijnindustrie die zijn familiegeschiedenis heeft gevormd.

Met Dar stelt Mounir een fundamentele vraag over de menselijke conditie in een industriële context: waar eindigt het lichaam en waar begint de machine? Werden de gastarbeiders die hierheen kwamen gezien als individuen met een eigen culturele en spirituele bagage, of louter als instrumenten voor de economische vooruitgang? Door het lood te combineren met de indigo en het aluinkristal, herstelt Mounir de menselijke waardigheid van de figuur.

‘Als ik mezelf niet voor mezelf zou definiëren, zou ik in de fantasieën van andere mensen worden gekneed en levend worden opgegeten.’ Het is een citaat van de auteur Audre Lorde dat Eddib met me deelt wanneer ik pols hoe hij zich verhoudt tot de stereotypering waaraan zowel hijzelf als de personages in zijn beelden onderhevig zijn. In Little Ghetto Boy toont de kunstenaar dat hij de ‘fantasieën van anderen’ resoluut van zich afschudt. Hij gebruikt zijn materialen niet om een identiteit te illustreren, maar om die identiteit vrij te denken. Dit proces van ‘vrijdenken’ is bij Eddib niet enkel een solitaire oefening in het atelier. Het is een actieve houding die hij doortrekt naar de maatschappij. Hij is geen slachtoffer van zijn achtergrond, maar de architect van een nieuwe context.

Het structurele racisme en het spanningsveld tussen het isolement van de ‘ghetto’ en de belofte van integratie vormen de onderstroom van zijn beelden

Mounir Eddib, Walking, 2026, Oil and lead on canvas, 185 x 185 cm, image by Jonathan de Waart

Deze drang tot zelfbeschikking uitte zich al in 2021, toen hij in Genk The Building oprichtte. Het stoorde Eddib dat het kunstenlandschap in een diverse stad als Genk nog steeds een ‘vrij witte bedoening’ was. Daarom creëerde hij een autonoom, multidisciplinair kunsthuis met residenties. Voor The Building is diversiteit geen holle slogan of een vinkje op een subsidieformulier, maar het fundament. Eddib nam het heft in eigen handen om jonge makers de tools, het netwerk en knowhow te bieden die hen in de reguliere instituten vaak ontzegd werden. En dat gaat niet zonder resultaat. Verschillende jongeren stromen door naar het hoger kunstonderwijs of krijgen presentatiekansen in binnen- en buitenland.

Zijn engagement bleef niet beperkt tot Belgisch Limburg. Tijdens zijn drie jaar in het Bonnefantenmuseum in Maastricht bracht hij jonge, diverse stemmen het instituut binnen onder de noemer Young Office. Hij gaf hen geen symbolisch mandaat, maar echte verantwoordelijkheid.

In ons gesprek herinnert Mounir zich de weerstand die zijn loopbaan oproept. Hij vertelt over een incident waarbij een lokale krant zijn succes reduceerde tot een sensatiebeluste koptekst. Hij diende een officiële klacht in. ‘Voor mij minimaliseerden zij zo al mijn harde werk tot een soort toevalstreffer,’ zegt hij geëmotioneerd. Hij verzet zich tegen de ‘gastarbeidersmentaliteit’: het idee dat je niet uit de pas mag lopen uit angst voor afwijzing. Hij weigert de ‘goede migrant’ te zijn die dankbaar is voor elke kruimel aandacht. Hij eist respect voor de artistieke arbeid, de jaren van kneden en herorganiseren.

Deze actieve houding vertaalt zich onder andere in schoonheid als een daad van verzet. In de reeks tekeningen Dream Kin (2026), onderzoekt Mounir het concept van kinship. Voor Mounir is verwantschap breder dan een bloedband; het gaat om affiniteit, om een gedeelde positie in het leven. De tekeningen, deels gebaseerd op oude familiefoto’s, zijn droomachtig en transparant. Door inkt en water te laten vloeien, verliest hij de controle, waardoor de figuren ontsnappen aan stereotiepe weergaven. Er ontstaat ruimte voor troost en veerkracht.

In het werk Rachid (2025) zien we een jongen op een fiets in de cités van de jaren negentig. Hij kijkt je recht aan, zijn knokkels wit van de grip op het stuur. Het is een beeld van hoop en trots, maar ook van de spanning die inherent is aan het navigeren door een wereld die je liever klein houdt. Mounir toont ons dat de ‘ghetto boy’ niet iemand is die gered moet worden, maar iemand die – letterlijk en figuurlijk – zijn eigen weg stuurt.

Mounir weigert de rol van de passieve zondebok of de wonderbaarlijke phoenix uit de cité. Hij wil niet moraliseren of zijn gemeenschap een menselijk gezicht geven voor een wit publiek. Het is precies andersom: hij eigent zich beeld en taal toe om zijn eigen denkwereld te definiëren. Titels zijn daarin cruciaal. Hij haalt David Bowie aan: het moment dat een kunstenaar besluit een titel met je te delen, is het grootste cadeau dat je kunt krijgen.

Mounir Eddib, Scorpionic dream, 2025, 170 x 200 cm, Oil, India ink and tin on canvas, image by Jonathan de Waart

De titel van de tentoonstelling, Little Ghetto Boy, is zo’n cadeau. Het is een rechtstreekse verwijzing naar de soulklassieker van Donny Hathaway. In de tekst van Hathaway zit een bittere realiteit, maar ook een dwingende aanmoediging: ‘You’re going to die if you don’t get out of the ghetto / But you can’t get out of the ghetto unless you learn to read and write.’ Voor Mounir gaat dat ‘lezen en schrijven’ over het beheersen van je eigen narratief. Hij koppelt die soul-traditie moeiteloos aan de hiphopcultuur van zijn jeugd, specifiek aan de poëzie van Tupac Shakur. In diens beroemde bundel The Rose That Grew From Concrete beschrijft Tupac hoe een roos leert ademen in de betonnen jungle, ondanks de wetten van de natuur.

Het is die paradox die de derde generatie migranten in de mijnstreek zo uniek typeert: het vermogen om te groeien op een bodem die daar niet voor bedoeld was. Eddib vindt hierin aansluiting bij de Nederlandse dichteres Tjitske Jansen. In haar bundel Koerikoeloem (2007) schrijft ze: ‘Er was mos, het levende bewijs dat je kan groeien zonder wortels.’ Het is een zin die Mounir zichtbaar raakt. ‘Het is zo waar,’ zegt hij, ‘en het is precies wat Tupac ook zegt.’ Voor een generatie die vaak als ‘ontworteld’ wordt bestempeld, is het mos – of de roos uit het beton – een symbool van ultieme veerkracht. Je hebt geen diepe, traditionele wortels nodig als je het vermogen hebt om informatie en energie te absorberen uit de omgeving waarin je bent geplant.

In de verstilling van zijn atelier, tussen het tin en de indigo, vertaalt Mounir die veerkracht naar materie. Zijn werk is lichamelijk en sensorieel, maar bovenal is het een daad van verzet tegen elke vorm van simplificatie. De eenvoudige titels als Family of Walking, zijn niet bedoelde om de zaken klein te houden, maar om de eerlijkheid van het alledaagse te bewaren.

Uiteindelijk is Mounir Eddib allesbehalve ‘toevalstreffer’, maar een bewuste architect van zijn eigen vrijheid. Hij heeft de tools van de academie en de lessen uit de huiskamer van zijn moeder versmolten tot een praktijk die de toeschouwer dwingt om anders te kijken. Niet naar wat ons onderscheidt, maar naar de universele, magische kracht van transformatie.

METROPOLIS M KAN NIET ZONDER JE STEUN

Trouwe lezers vormen het fundament van Metropolis M. Wij kunnen niet zonder je steun. Je kunt ons steunen door een jaarabonnement af te sluiten. Het eerste jaar krijg je 40% korting. Een regulier jaarabonnement kost 58 euro. Er zijn ook kortingsabonnementen. Studenten/65plussers/CJP-ers/Personen met een minimuminkomen en PLATFORM BK-leden betalen slechts 36 euro voor hun jaarabonnement. Op DEZE PAGINA lees je meer over de verschillende abonnementssoorten en kun je je direct aanmelden.

BIJ VOORBAAT DANK!

Mounir Eddib | Little Ghetto Boy, galerie Ron Mandos, Amsterdam, 18.04.2026 tm 24.05.2026. Meer info HIER

Louise Osieka

is kunsthistorica en curator en was tot voor kort algemeen en artistiek directeur van C-mine in Genk (BE)

Recente artikelen