Fotograferen zonder camera
Fotograferen zonder camera
Er is niets aan, ik roep het tegen iedereen die het horen wil. Er ís echt niets aan, ik houd niemand voor de gek. Je moet gewoon doen. Veel doen, dat wel. En veel kijken zonder doen. En als je je eigen foto’s ziet, steeds jezelf afvragen: ben ik dit of is het iemand anders? De vraag is niet of je origineel bent. Wat denk je wel? Er is niets nieuws onder de zon. De vraag die je jezelf steeds moet stellen is: hou ik hier echt zelf van of denk ik hiermee erkenning te krijgen? Liefde en behaagzucht, altijd moeilijk van elkaar te onderscheiden. Zeker in het begin. Je mag je best door anderen laten inspireren zolang je jezelf er maar in herkent. Zodra het nadoen wordt, moet je kappen. Dat is het ambacht, ja. Verzamelen zonder aan succes denken. Gewoon doen, doorduwen, balletjes opgooien, nee schudden, wegleggen, weer oppakken. Doen tot je een ons weegt. Ongemerkt, zonder dat je het zelf in de gaten hebt, is het al begonnen toen je kind was. Hoe je ogen steeds maar weer afdwaalden naar de plaatjes in het prentenboek. Hoe je de foto’s in de bladen spelde, tot je ze kon dromen. Niet óm ze te kunnen dromen, gewoon omdat je geen genoeg van plaatjes kon krijgen.
Toen ik mijn eerste camera kocht was ik 28. Al die jaren geoefend zonder camera, zonder dat ik het wist. Ik weet dat op mijn eerste filmpje schapen stonden. De zon scheen, er was een rode schuur en er waren schapen. Ik dacht dat dit een leuk onderwerp was. Maar schapen zijn geen onderwerp. Voor mij in ieder geval niet. Voor een ander weer wel. Een snelweg is een onderwerp voor mij. Mijn fiets. Mijn boekenkast. Het glas van een ingeslagen autoraam op de stoep. Maar in dat soort dingen zag ik toen nog geen foto. Daar gaat het om. Dat je een foto leert zien in de dingen waar je van houdt. Of in de mensen. Na dat eerste schapenfilmpje heb ik mijn camera in de kast gelegd. Een jaar heeft ie daar gelegen. Om pas weer tevoorschijn te komen toen ik zélf een onderwerp had. Onderwerp is alles. In de keuze van het onderwerp schuilt het ambacht. In datgene waarin je iets denkt te zien. Tijdens het fotograferen moet je niet te zwaar aan de kwestie van het onderwerp tillen. Het bestaan is vluchtig, je moet snel reageren anders is het voorbij. Ach nee, ik zit nu op de fiets. Ach nee, tegen de tijd dat ik mijn camera uit mijn zak heb, is het moment al voorbij. Ach nee, daar krijg je gelazer mee. Niets van die remmende stemmetjes aantrekken, doen, doen, doen.
Het maken van de opname zelf is het een kwestie van in het midden zetten en op de knop drukken. Dat heeft niet zoveel met ambacht te maken. Eerder het tegendeel. Een foto moet niet ambachtelijk, niet bestudeerd overkomen. Hij moet eruit zien of hij in het voorbijlopen gemaakt is. Of het leven sterker is dan de foto. Dan steekt een foto het diepst. Juist in het onopgesmukte, in het toevallige, schuilt de kracht van de fotografie. Eén keer druk ik op de knop, anders gaat het er al gauw ambachtelijk uitzien. Hoe vaak zal het per dag door mijn hoofd schieten: is dat wat? In je hersenen ligt steeds iets op de loer dat de wereld als een foto wil zien. Een gemiddelde van tien keer per dag, schat ik. Per week schiet ik een halve film vol. Kun je nagaan hoe groot de invloed van de remmende stemmetjes is. Fotograferen is verzamelen. Het is niet alleen het onderwerp, het is ook het verband tussen de dingen die je verzameld hebt. Niet aan denken tijdens het fotograferen. Later kijken we wel, of het ergens in past. Of je nog meer van zulke foto’s gemaakt hebt. Of jij het bent.
Hans Aarsman





