metropolis m

Waar stoelen door de lucht vliegen is reuring, opwinding en hoogstwaarschijnlijk een goed verhaal. Niet voor niets is het stoelengooien in vele disciplines veelvuldig aangehaald om een politiek of emotioneel statement te maken. Lena van Tijen onderzoekt de praktijk van het gooien met stoelen in film, poëzie, politiek en in de hedendaagse kunst. 

Zitten. Het is ongeveer het meest redelijke wat je kunt doen. Over het algemeen neemt men plaats op een stoel om zich te bezinnen. Of om zich rustig en met overgave aan een taak te wijden. Het verorberen van een met zorg bereide maaltijd bijvoorbeeld. Of het voeren van een discussie met vrienden of collega’s. En, natuurlijk, het hebben van een goed gesprek met een geliefde – hoewel dit een van de weinige gesprekken is die ook liggend gevoerd kan worden. Werken, wachten, lezen, maken, schrijven, denken. Allemaal doe je het bij voorkeur op een stoel. Maar dit is over het algemeen weinig interessant om naar te kijken als je niet tot de zittende partij behoort. Redelijkheid is namelijk leuk om aan deel te nemen, niet om te aanschouwen. Zitten wordt voor een buitenstaander vaak pas interessant wanneer er een conflict ontstaat. Wanneer iemand opstaat, begint te ijsberen, op het punt staat weg te lopen. Of , en dan wordt het echt spannend, wanneer diegene de rugleuning of de poten van de stoel beetpakt, het meubel boven zijn hoofd heft en ermee gaat gooien. 

Van jongs af aan heb ik een fascinatie voor het moment waarop redelijkheid overboord wordt gegooid. Tijdens proefwerken, werkvergaderingen en afspraakjes heb ik vaak genoeg gedacht: ‘wat als ik nu met dingen ga gooien? Zou iemand mij dan tegenhouden? Of zouden ze met me meedoen?’ Hier ben ik zeker niet de enige in. Ik heb mijn dagdroom al meermaals gespiegeld gezien, met name in films. Zo ontstaat er in The Man Who Knew Too Much (Hitchcock, 1934) een stoelengevecht in een kerk omdat Bob Lawrence (Leslie Banks) wil voorkomen dat er pistolen getrokken worden. In Possession (Zulawski, 1981) gooit Mark (Sam Neill) een heel café overhoop omdat hij niet wil dat zijn vrouw hem verlaat voor een ander. Op zijn beurt slingert drumleraar Fletcher (J.K. Simmons) in Whiplash (Chazelle, 2014) een klapstoel naar het hoofd van een leerling die buiten het tempo van de band valt. En in Nobody (Naishuller, 2021) wordt met een stoel gegooid om iemand in een ziekenhuisbed op brute wijze te wekken. Hoewel er in deze scènes verschillende menselijke verhoudingen aan bod komen, is de redelijkheid in alle gevallen ver te zoeken. De respectievelijke handeling – beschermen, onmacht uitdrukken, intimideren en agressie uiten – wordt telkens weer kracht bijgezet door het gooien van een stoel. 

Een simpele zoekopdracht op Google toont dat het stoelengooien niet alleen voorkomt in bars en in fictie. Bij het zoeken op ‘fighting with chairs in parliament’ komen YouTube-video’s boven van gevechten in de parlementen van Sierra Leone, Congo, Taiwan, Nepal en vele andere landen. Een opmerkelijk contrast aangezien de politiek van oudsher dé plek is waar redelijkheid hoog in het vaandel zou staan. En toch is er een behoefte om met spullen te gooien. Recentelijk ging er zelfs nog een video viraal op TikTok waarin iemand werd geslagen met een stoel. Bij een gevecht, dat bekend is komen te staan als de Montgomery Riverfront Uprising, ging een witte familie uit Alabama een Zwarte  man te lijf. Een menigte schoot de man te hulp. Het vechten met de stoel werd door velen op sociale media gezien als een historische terugslag. De Surinaamse dichter en politicus R. Dobru brengt de politieke potentie van het stoelengooien goed onder woorden in zijn gedicht Gooi een stoel (1979): ‘gooi stoelen en tafels en stenen/ naar heel het politiek systeem van ons land/ dat niet inspireert/ gooi een stoel/ gooi een stoel een beter bestaan van het volk/ en niet alleen om macht […] gooi een stoel als een standbeeld voor onze kinderen/ de nieuwe generatie die na ons komt/ zodat zij geen stoelen hoeven te gooien/ gooi maar/ gooi gooi gooi’. 

Dwarse stoelen

Wat mij verbaast is dat ik me – met al deze voorbeelden uit film, politiek en zelfs poëzie – geen enkel kunstwerk kan bedenken gerelateerd aan het gooien van stoelen. Ik denk hier over na, terwijl ik lees over de tentoonstelling Stoel neemt stelling die tot en met 14 januari 2024 te zien is bij het Centraal Museum in Utrecht. In de begeleidende tekst staat: ‘Duik in de wereld van de dwarse stoel.’ Maar kan een stoel dwars zijn, of is hetgeen wat men met een stoel doet wat haar dwars maakt? Ik breek mijn hoofd erover. Wat mij te binnen schiet zijn dwarsdenkers en hun stoelen: de stoel van Paul Gauguin geschilderd door Vincent van Gogh, de vetstoel van Joseph Beuys, de rood-blauw-gele stoel van Gerrit Rietveld en de reusachtige Vondelparkstoel van Wim T. Schippers. Daarnaast zoek ik de stoelen op met een dwars ontwerp waar het Centraal Museum aan refereert: de beestachtige stoel van Anna Aagaard Jensen, de ingepakte stoel van Christo en Jeanne-Claude, de felgekleurde stoel van Mina Abouzahra en de vergulde stoel van Victor Sonna. 

Al dit zoeken naar dwarse stoelen brengt mij uiteindelijk bij een performance waarin het zitten geglorieerd wordt. In de performance The Artist Is Present zat Marina Abramović van maart tot mei 2010 iedere dag in het atrium van het MoMA in New York, waar er op dat moment een retrospectief van haar werk gaande was. De kunstenaar was letterlijk aanwezig, alle 736 uur van de tentoonstelling lang. Ze zat op een massief houten stoel aan een tafel, aan de andere kant van de tafel stond een lege stoel waarop bezoekers plaats konden nemen. Het Amerikaanse televisienetwerk HBO maakte een documentaire over de performance. In de film is te zien hoe honderden mensen plaatsnemen tegenover Abramović terwijl zij ze diep in de ogen kijkt. Velen van hen zijn zichtbaar geëmotioneerd en sommige proberen de kunstenaar zelfs van haar stuk te brengen door bijvoorbeeld een spiegel voor hun gezicht te binden of flyers door het atrium te gooien. Abramović blijft stoïcijns staren. De enige keer dat ze haar kalmte verliest is wanneer haar ex-geliefde Ulay tegenover haar komt zitten. 

Wat als ik nu met dingen ga gooien? Zou iemand mij dan tegenhouden? Of zouden ze met me meedoen?

Als ik terugdenk aan de HBO-documentaire kan ik mij haast niet voorstellen dat er geen moment is geweest waarop Abramović het liefst met haar houten troon was gaan gooien. Ik vraag      me af waarom niemand anders dat heeft geprobeerd. Ergens las ik dat de sfeer in de rij voor de lege stoel tijdens de laatste dagen van de tentoonstelling grimmig werd. Mensen gunden elkaar niet langer een moment op de stoel omdat er met iedere verstreken minuut minder tijd overbleef voor de andere wachtenden. Zo ontstond een situatie waarin de persoon tegenover Abramović een diepe spirituele ervaring beleefde terwijl de rest steeds ongeduldiger en ongelukkiger werd. Dit brengt me weer bij een punt dat ik eerder probeerde te maken: zitten is leuk om aan deel te nemen, niet om naar te kijken. Waar het stoelengooien in films een veel gebruikt middel is om grote emoties invoelbaar te maken, wordt dergelijke bombast in de beeldende kunst geschuwd. Waarom is dat? Als zelfs degelijke politici het zich kunnen veroorloven om dermate uit hun slof te schieten, waarom grijpen kunstenaars hier dan niet op terug? Komt het doordat de beeldtaal te vaak is gebruikt, of is er een ander antwoord mogelijk?      

Stoelengooiers

Na lang zoeken stuit ik eindelijk op drie kunstenaars die zonder omhaal omschreven kunnen worden als stoelengooiers: Doris Salcedo, Ai Weiwei en Bruce Nauman. In de installatie Untitled (2003)      die Doris Salcedo maakte voor de achtste Biënnale van Istanbul, stapelde ze 1.550 stoelen in een open ruimte tussen twee hoge gebouwen. Zij deed dit als verwijzing naar de ongehoorde stemmen van onder meer oorlogsslachtoffers en arbeidsmigranten. Dit is niet de eerste keer dat de kunstenaar stoelen gebruikte in haar werk. Een jaar eerder hing zij voor haar installatie Noviembre 6 y 7 (2002) het Hooggerechtshof in Bogotá voor 53 uur vol met houten stoelen als herinnering aan de gewelddadige inbeslagname van het gebouw in 1985. Vier jaar later liet Weiwei tijdens Documenta 12 met zijn installatie Fairytale (2007) rijen lege stoelen zien. De zitplekken waren bedoeld voor 1001 ontheemden Chinezen die hij uitnodigde om naar Kassel te komen.  Een aantal jaar later, in 2013, zou Weiwei de zitmeubels daadwerkelijk de lucht in sturen. Tijdens de 55ste Biënnale van Venetië liet hij in het Duitse paviljoen zijn installatie Bang (2013) zien. De installatie bestond uit 886 driepotige houten krukken die als een opgefokte bijenzwerm door de ruimte raasden, en die refereren aan een vergeten ambacht uit zijn vervreemde thuisland China. 

Waar de installaties van Salcedo en Weiwei zowel in thematiek als in uitvoering overeenkomsten vertonen, is de installatie van Nauman hier de vreemde eend in de bijt. In zijn werk White Anger, Red Danger, Yellow Peril, Black Death (1984) zweven vier stoelen – een witte, een rode, een gele en een zwarte – in de lucht. De stoelen worden doorkruist door twee stalen balken. Net als zijn collega’s verwijst Nauman met de lege stoelen naar een afwezigheid. Maar in tegenstelling tot Salcedo en Weiwei is het niet duidelijk wat er mist. Bovendien geven de titel en de stalen balken het geheel iets agressiefs. Er lijkt een conflict te hebben plaatsgevonden. Meer wordt niet duidelijk. 

Bij de installaties van Salcedo, Weiwei en Nauman geldt dat de toeschouwer alleen getuige is van stoelen die reeds gegooid zijn – ze zijn schots en scheef op een hoop neergekomen of zweven eeuwig in het luchtledige – maar niet van het gooien zelf. Toch tonen ze alle drie dat ook een lege stoel, zeker wanneer die niet langer op zijn poten staat, spannend kan zijn. Kunst is niet perse redelijker of minder boos omdat er zelden met stoelen gegooid wordt. Het moment van frictie wordt, zoals deze drie kunstenaars laten zien, slechts bevroren zodat er langer bij kan worden stilgestaan. Ik vraag mij af of er dit najaar in het Centraal Museum ook stoelen zullen vliegen. Want, wees eens eerlijk, wat zorgt er nou voor meer reuring dan een goed stoelengevecht? 

Lena van Tijen

is schrijver

Recente artikelen