Het Boudewijn/Baudouin experiment
Oefening in deviatie
Donderdagochtend 27 september, tussen 9 en 10 uur. Rond de zestig mensen verzamelen zich aan de voet van het Atomium, het meest markante bouwwerk van Brussel, gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1958. Het gebouw dat eens symbool stond voor het onwrikbare geloof in de wetenschap en de vooruitgang maar er nu verwaarloosd en glansloos bijstaat, wordt de setting voor Het Boudewijn/Baudouin Experiment, een geesteskind van Carsten Höller. Höller, bekend om experimenten, acties en spelen, die zijn wetenschappelijke achtergrond combineren met zijn artistieke interesses, laat zich 24 uur lang met de deelnemers opsluiten in één van de bollen van het Atomium, om een dag uit het productieve leven te stappen, naar analogie van een koningskwestie die in 1990 in België speelde. In dat jaar moest wijlen koning Boudewijn de wet op abortus bekrachtigen met zijn handtekening. Een formeel gebaar dat in dit geval strijdig was met zijn geloofsovertuiging en zo op onoverkomelijke bezwaren stuitte. Om de wet toch te kunnen invoeren, kwamen regering en vorst overeen dat koning Boudewijn 24 uur afstand van zijn koningschap zou doen op grond van een kleine paragraaf in de grondwet, die vermeldde dat de handtekening van de koning niet vereist was indien hij niet bekwaam was om te reageren.
Het Boudewijn/Baudouin Experiment anno 2001 is een direct gevolg van het Laboratorium van de Twijfel dat Höller in 1999 voor de manifestatie Laboratorium in Antwerpen wilde maken. Een laboratorium, schreef Höller indertijd, wordt gekenmerkt door interventie, in tegenstelling tot representatie. Op zijn beurt wilde hij het laboratorium tot de representatie maken van een interventie die zelf weer een representatie van iets onwetenschappelijks als twijfel is. Het project bleek niet uitvoerbaar, maar leverde Höller de stof voor Het Boudewijn/Baudouin Experiment: als je niet weet wat je moet doen, waarom deze twijfel niet productief maken en omzetten in een project dat draait om het niets doen.Höller vond een prachtige analogie hiervoor in de koningskwestie van 1990 en vertaalde het naar zijn eigen experiment dat hij een ‘bewust niet-fatalistisch grootschalig groepsexperiment in deviatie’ noemde. De deelnemers werden uitgenodigd om zich een dag lang te bevrijden van hun gebruikelijke verplichtingen. Slaapgelegenheid en voedsel werden verzorgd; voor het overige was het aan de deelnemers wat er gebeurde. Ze mochten meebrengen wat ze wilden, maar er mocht niet worden gefilmd en gefotografeerd. De registratie van het project, én de uitkomst ervan, bestaan enkel bij de gratie van de verhalen die de deelnemers naderhand de wereld in sturen.
Met de nog steeds razendsnelle lift zijn we naar 54 meter hoogte gebracht. Vandaar dalen we af naar een iets lager gelegen bol, waar we een slaapruimte aantreffen met op de grond honderd hagelwitte opgemaakte bedden. Ze vormen een sprookjesachtig, gedateerd futuristisch beeld in het lichtblauwe inwendige van het Atomium met zilverkleurig isolatiemateriaal aan de muren. In de ruimte eronder staan tafels en stoelen, waar de inwendige mens op fantastische wijze wordt verzorgd en waar wordt gerookt en gepraat. We installeren ons op de plek die we hebben uitgezocht om te slapen. De ramen rondom geven zicht op Brussel, op de Heizel (de RAI van Brussel, deels nog uit 1958) en op de andere bollen van het Atomium. Er hangt een grote rust en sereniteit op de slaapverdieping. Het uitzicht wordt bewonderd, er wordt gelezen en gedut, er wordt heel zachtjes wat gepraat. We bekijken de bewegingen van de mensen en auto’s vijftig meter onder ons; ik bestudeer het gedrag van de mensen om me heen. Niemand schrijft wat op, iedereen beleeft het moment zoals het komt. En niemand lijkt zich te vervelen.
De maaltijden vormen de momenten waarop het gezelschap toenadering tot elkaar zoekt. Het is een mix van mensen werkzaam ‘in de culturele sector’, zoals een dame zich aan ons voorstelde, en mensen die ik cultuurliefhebbers zou noemen. De gemiddelde leeftijd ligt ergens in de dertig, met een enkele uitschieter naar beneden en naar boven. Er wordt vooral Vlaams gesproken, maar ook Frans, Engels en Duits. Er ontstaan geanimeerde gesprekken over van alles en nog wat, met mensen die men voorheen niet kende. Een aantal personen raakt verzeild in een discussie. De rest geeft zich in de slaapruimte weer over aan lezen, slapen, zachtjes praten. Ik meet me steeds meer de rol aan van observator, zonder me ergens in te mengen. Midden tussen de matrassen maken twee mensen een schaakspel. Wortelen worden uitgesneden tot een set lopers, paarden en torens; de andere kleur ontstaat uit karton.
Bij het avondeten deelt een man een pamflet uit. Het bekritiseert de arrogantie van de kunstwereld; er gaat een zekere agressie van uit. Het gevoel van ‘Ha er gebeurt wat!’ verandert spoedig in een wat lacherig negeren van de A4-tjes die verloren op de tafels blijven liggen. Verschillende gesprekken ontspinnen zich tussen steeds wisselende groepen mensen. Ik installeer me al vrij snel weer op mijn bed, mijn observatiepost. In de loop van de avond spelen zich regelmatig verschillende kleine tafereeltjes af tussen de bedden. Het kleine meisje dat moederziel alleen een fijn bedje probeert te vinden, maar daar steeds weer niet in slaagt. De jonge ouders die zich veel moeite getroosten om hun baby in slaap te krijgen. De mannen die heimelijk wegsluipen om ook de rest van het Atomium te verkennen en korte tijd later terugkomen met de bewakingsdienst op hun hielen. Buiten vult de parkeerplaats van de megabioscoop aan de voet van het Atomium zich voor de tweede keer die avond met auto’s. Beneden, constateer ik als ik voor de zoveelste sanitaire stop afdaal, wordt er stevig gediscussieerd in een groep rondom de kunstenaar. Een andere groep heeft de gesprekken onderbroken om samen een partijtje schaak te spelen.
Zo individueel of paarsgewijs als mensen naar het Atomium kwamen, vertrekken ze de volgende ochtend ook weer. De plannen voor deze dag zijn al van tevoren gesmeed; plichten roepen weer. Een journalist van het avondblad De Standaard probeert deelnemers hun ervaringen te ontfutselen, maar slechts een enkeling staat hem te woord. Ik lees later in zijn artikel hoe Carsten Höller het beleefde: ‘Ervaren dat je leeft. Dat is behoorlijk vreemd. Door niets te doen kom je wat dichter bij de ervaring.’
Het Boudewijn/Baudouin experiment plaatsen blijkt niet zo eenvoudig. We werden gevraagd om 24 uur te wijden aan een kunst-experiment of experiment-kunst, waarbij de voornaamste actie bestond uit niet-actief zijn. ‘Het moment van beleven was het kunstwerk en dat moet in de herinnering voortleven’, schreef de journalist van De Standaard. Het niet-actief zijn als kunstervaring, ik heb er zo mijn twijfels over. Is het niet bar en boos gesteld met de westerse beschaving als we alleen door middel van een kunst-experiment een moment van rust in ons leven kunnen inbouwen? Is hier niet sprake van een grote armoede in onze rijke westerse maatschappij? En is dat eigenlijk niet allang bedacht door alle predikers van onthaasting? Of doet Höller nog een stap verder door het niets doen te bepleiten, niet zozeer als een moment van non-actie, maar als moment waarop verwarring en twijfel zijn toegestaan, van waaruit een creatieve kracht kan ontkiemen zonder een direct en meetbaar resultaat?
Carsten Höller, Het Boudewijn/Baudouin experiment,
Atomium, Brussel
Van 27 september 10.00 uur tot 28 september 10.00 uur
Claudine Hellweg





