Het hart van HOLE
Het hart van HOLE
Christoph Büchel
Laatst werd ik met een quote van mezelf uit een oud interview geconfronteerd, een citaat van ongeveer acht jaar oud. ‘Goede kunst heeft provocatieve of revolutionaire kwaliteiten.’ Bij het nadenken over het werk van Christoph Büchel moest ik aan deze haast vergeten woorden denken. Is de kunst van Büchel een vorm van revolutionaire waanzin of van artistiek gesublimeerde provocatie? Deze vraag dringt zich aan je op wanneer je het werk van deze Zwitserse kunstenaar probeert te doorgronden. Büchels installaties getuigen van een dwangmatige precisie. Ze roepen hartgrondige afweerreacties op, of lyrische sympathiebetuigingen. Iets ertussenin bestaat niet. Onverschilligheid is in ‘de zaak Büchel’ ondenkbaar.
Twee jaar geleden zag ik een werk van hem dat me sindsdien niet meer heeft losgelaten. Het was op een zonnige zaterdagmiddag. Ik was op weg naar een vernissage in het Museum für Gegenwartskunst en besloot eerst nog even bij de Kunsthalle Basel langs te gaan. Op het programma stonden een tentoonstellingsproject van Jeremy Deller en het werk HOLE van Christoph Büchel.
Ik kende Büchel toen een jaar of zes. Ik ontmoette hem voor het eerst in het Bahnhofbuffet van Basel, een ruimte met de grandeur van Café Americain uit Amsterdam, waar hij bijna twee uur lang onafgebroken praatte over de meest waanzinnige en megalomane projecten die door zijn hoofd spookten. Ik stond perplex en nam me voor hem uit te nodigen voor een project in het Migros Museum in Zürich, waar ik in die tijd werkzaam was. Een jaar na deze ontmoeting vertrok ik echter naar Rotterdam. Büchel liet me weten dat ik altijd een beroep op hem zou kunnen doen en beloofde me spoedig het ‘Grote Büchel Dossier’ te doen toekomen. Dat dossier is er nooit gekomen, maar wel toevallige ontmoetingen met de kunstenaar en de mogelijkheid om in de tussenliggende jaren een aantal presentaties van hem te zien. Die ontmoetingen en die bezoeken waren telkens uitzonderlijk intens. Maar het meest intens was mijn bezoek aan HOLE in de Kunsthalle Basel.
Het begon al goed, doordat HOLE niet via de gebruikelijke museale routing, maar alleen per lift te bereiken was. Tergend langzaam besteeg de kleine en gammele lift het gebouw tot de deuren zich openden en er uitzicht geboden werd op een wachtkamer. De steriele, uit systeemwanden opgebouwde wachtkamer deed zijn best alle suggestie van een kunstinstallatie te vermijden. Het wachten werd bovendien ronduit onaangenaam doordat op een bewakingsmonitor de beelden van een schijnbaar reële zelfmoord te zien waren, die steeds herhaald werden in een loop. De volgende ruimte in het parcours, de behandelkamer van een psychiater met een sofa, bedekt met Afghaanse 9/11 Memorial-tapijten en boeken van Freud, Neil Postman (Amusing Ourselves to Death) en andere geschriften, was al even beklemmend. Vervolgens kwam ik in een badkamer terecht. Via een gat naast de w.c.-pot kroop ik omzichtig naar een volgende scène, het hart van HOLE.
Daar kreeg ik zicht op een gymzaal die het zwaar gebombardeerde karkas van een bus herbergde. Rond het wrak stonden pionnen opgesteld: de markering van de situatie als onderzoeksplek. Een provisorische tent moest het te onderzoeken corpus delicti tegen de weersinvloeden beschermen. Het gevoel dat ik mij eigenlijk in de chique, en normaalgesproken architectonisch overweldigende bovenlichtzaal van de Kunsthalle Basel bevond, was inmiddels ver naar de achtergrond verdrongen. Hier werd geen kunst getoond, maar een soort archeologie van een aanslag gepleegd, Spurensicherung in minutieuze detaillering. Dat werd althans door de opstelling gesuggereerd. Stukje bij beetje werd het eens functionele vehikel onderzocht, uit elkaar genomen en gelabeld om de precieze explosieoorzaak te reconstrueren. Een pure krimi, een aangrijpende confrontatie met de stille getuige van een verwoestende oorlogshandeling of terroristische act.
HOLE was als een monument, dat in zijn directheid en werkelijkheid de status van een gewoon kunstwerk oversteeg en achter zich liet — sublimeerde, zou je kunnen zeggen. Een monument dat zich weliswaar strikt genomen binnen de museale muren bevond, maar toch slechts door een plastic tentdak van de echte buitenwereld gescheiden leek te zijn, wat het zeer beklemmend maakte.
Anderhalf jaar vóór HOLE was Saddam Hussein door Amerikaanse en Koerdische soldaten uit zijn verstopplaats gehaald: een armzalig hole in de grond. Büchels HOLE was ook verstopt, in dit geval achter de museale façade van de gecanoniseerde musealiteit van de eerbiedwaardige Kunsthalle en achter het masker van de realiteit. Provocatief naar de werkelijkheid en revolutionair naar de kunst. Een individuele mythologie in de geest van Harald Szeemann. Kortom, een complex en obsessief geval van goede kunst.
Rein Wolfs
is directeur Stedelijk Museum Amsterdam




