metropolis m

Frank Bloem, ‘Dennenlust’, 2023, courtesy Into The Great Wide Open.

Een vleugje van een zoet parfum, een kruidig aroma of een scherp luchtje kan genoeg zijn om herinneringen op te roepen, je mee te voeren op een verre reis of juist terug te brengen naar je ouderlijk huis. Geen wonder dat steeds meer kunstenaars geur inzetten om een diepere ervaring van hun werk teweeg te brengen. Laura van den Bergh bespreekt het fenomeen olfactorische kunst.

Het bronzen standbeeld ziet eruit alsof het in de regen heeft staan oxideren. Een vrouw houdt haar zoon dwars op schoot met de tederheid van een piëta, haar kalme blik rust op zijn gezicht. Maar wat me het meest bijblijft van de sculptuur van Buhlebezwe Siwani is de geur, een scherp zeepachtig aroma dat nog lang in mijn neus blijft prikken. Ik zag Isikhumbuzo (2021), wat ‘monument’ of ‘herinnering’ betekent in het Zulu, bij de solotentoonstelling van Siwani bij No Man’s Art Gallery in Amsterdam in 2022. Ik had te gehaast gekeken, pas later kwam ik erachter dat het beeld is gemaakt van Preemzeep.

Zoals Siwani uitlegt: ‘Preem is een sterk ruikende goedkope zeep die door arme mensen voor alles wordt gebruikt, soms om hun tanden mee te poetsen en soms om vlekken in het tapijt mee weg te poetsen.’1 De geur voert de kunstenaar terug naar haar jeugd in Kaapstad, Zuid-Afrika: ‘Ik herinner me dat ik toen ik bij mijn overgrootmoeder verbleef, ik soms naar mijn tante moest, die in de buurt woonde. Daar moest ik in een grote wastobbe staan om mij met de zeep te wassen. Ik herinner me dat ik mij daarvoor schaamde, niet alleen omdat ik naakt was, maar vooral omdat ik niet schoon zou zijn.’

Geur kan ontregelen, ontroeren en je terugvoeren, naar een geliefde, een herinnering, een verre reis of juist naar huis. Toen ik laatst bij het Amsterdam Museum de tentoonstelling Refresh#2 bezocht, kwam ook daar de geur van zeep me tegemoet. Dit keer subtiel en kruidig, met tonen van olijfolie en laurier. In de installatie Hobo: The Traveling Pop-Up Mosque (2023) verwerkten Nasam Abboud, Tazan Maksoud en Roua Jafar naast zachte tapijten en geluiden van moskeekoepels en minaretten, ook Aleppozeep, om op intuïtieve manier de Syrische en Islamitische culturen te onderzoeken waarin ze opgroeiden. Het deed me denken aan een ander werk dat ik alleen ken van foto’s, maar waar zelfs daarvan al de geur van groene zeep mijn neus kietelt. Toen Job Koelewijn in 1992 afstudeerde aan de Rietveld Academie liet hij zijn moeder en drie tantes opdraven om in traditionele Spakenburgse klederdracht het Rietveld paviljoen dat aan de school verbonden was helemaal schoon te schrobben met groene zeep. Enerzijds was het voor Koelewijn een afscheidsritueel om zijn studie vaarwel te zeggen en Rietveld af te soppen, anderzijds was het een saluut naar zijn gereformeerde jeugd. Kort daarop verhuisde hij naar New York.

Buhlebezwe Siwani, 'iSikhumbuzo', 2021, courtesy No Man's Art Gallery, Amsterdam

Zeep en koffie
Me verdiepend in olfactorische kunstwerken denk ik terug aan de tamelijk onleesbare roman The Vulcano Lover (1992) van Susan Sontag. Het is een speelse hertelling van de Ovidische mythe van Pygmalion, waarin een minnaar zijn geliefde wil vormen naar zijn eigen ideaal: How does he bring her to life? Very cautiously. He wants her to become conscious, and, holding the rather simple theory that all knowledge comes from the senses, decides to open her sensorium. Slowly, slowly. He will give her, to begin with, just one of the senses. And which does he pick? Not sight, noblest of the senses, not hearing – well, no need to run through the whole list, short as it is. Let’s hasten to relate that he first awards her, perhaps ungenerously, the most primitive sense, that of smell.

Het is zíjn liefde – hoe kan het ook anders – die haar tot leven wekt. De eerste gewaarwording die hij haar schenkt is het meest instinctief, de oerzin, zinnelijkste der zintuigen: het reukvermogen. De geuren om haar heen brengen haar bewustzijn en verlangen, maken haar ontvankelijk voor al het andere. Het kan geen toeval heten dat voor mensen – net als voor vele andere organismen – geur een belangrijke rol speelt bij het kiezen van een partner. Elk mens heeft een geur die even uniek is als hun vingerafdruk, en een gemiddeld persoon kan ruiken of het immuunsysteem van een ander compatibel en complementair is aan dat van henzelf.2 Probeer maar eens verliefd te blijven op iemand die niet lekker ruikt.

Het is een hardnekkige mythe dat de mens niet over een goed reukvermogen zou beschikken. Integendeel, het olfactorische is het enige zintuig dat bij de meeste zoogdieren, zo ook bij ons mensen, al volledig ontwikkeld is voordat we de baarmoeder verlaten. Volgens geurwetenschapper Matthew Cobb beschikken we zelfs over wat hij een ‘atomic nose noemt, waarmee we onderscheid kunnen maken tussen geurmoleculen die slechts één koolstofatoom van elkaar verschillen.3 De reuk is bovendien het enige zintuig dat rechtstreeks in onze hersenen wordt opgepikt en daar een instinctieve reactie oproept. Het is dan ook niet vreemd dat veel kunstenaars direct of zijdelings met geur werken, met name als ze primaire of instinctieve emoties willen aanspreken. Ook niet gek dat veel van deze geurkunst verwijst naar waar deze emoties vorm krijgen: de plek waar je bent opgegroeid, waar je (voor)ouders vandaan komen, waar je je thuis voelt.

Naast de geur van zeep roept ook gemalen koffie bij veel mensen vertrouwde herinneringen op. Mayra Sergio bouwde er voor de performatieve installatie Sensorial Shelter (2016) zelfs een huis van. I was born in Rio de Janeiro and now live in the Netherlands. Arriving in Amsterdam wasn’t easy, and for some time I found it important to keep a supply of Brazilian coffee in my cupboard’, vertelt ze.4 Vanuit het idee dat een bakkie troost haar meer thuis laat voelen dan welke architectonische constructie dan ook, perste ze gemalen koffie tot bakstenen en metselde ze tijdens een performance op elkaar. Smells evoke memories of our heritage and culture’, legt ze uit. ‘They have the power to overcome an alien space and transform it into a haven of belonging.’

In Sontags roman wordt de vers tot leven gewekte geliefde direct getrakteerd op een rijk boeket aan geuren: ‘The sycamores and poplar trees, resinous, acrid, she can smell the tiny shit of worms, she smells the polish on soldiers’ boots, and roasted chestnuts, and bacon burning.’ Maar de reden dat ik deze roman aanhaal is omdat Sontag, haast tussen neus en lippen door, ook de zintuiglijke hiërarchie omdraait die al sinds de Oude Grieken het westerse denken vormt. Onze woorden ervoor zijn afgeleid van het Latijn: videre, audire en olfacere. Voor Sontag is het echter niet het licht, maar de geur die het begin markeert van leven.

Mayra Sergio, 'Sensorial Shelter', 2016, foto Franz Muller Schmidt.

Kurkuma en kruidnagel

De laatste jaren zetten kunstenaars steeds vaker olfactorische elementen in om te verwijzen naar een specifieke plek of locatie, niet zelden hun eigen geboorte- of woonplaats. Zo werd ik bij de afgelopen editie van Art Rotterdam op geur naar de stand van Erik van Lieshout gelokt, waar een 3,5 meter hoog konijn stond, gemaakt van fris geurend hooi. Voor het project De Gloeiige (2024) verbleef Van Lieshout tijdelijk nabij zijn agrarische geboortedorp Deurne in de Peel, op de grens van Noord-Brabant en Limburg. Van Lieshout werkte er samen met lokale boeren om bruggen te slaan tussen het agrarische en het randstedelijke leven, een splitsing waar hij zelf al sinds zijn eigen jeugd mee worstelt. In de Van Nellefabriek waande ik me toch even op het platteland. Dit keer rook het opvallend fris en gelukkig niet naar de mest die Deurne teistert als gevolg van de massale varkenshouderij in de omgeving. Waar de geur van mest weerzinwekkend is, geeft die van hooi een positiever signaal af. Het zorgt ervoor, zo stelt Van Lieshout, dat je de door hem aangekaarte problematiek rond de polarisatie van stad en land welwillender tegemoet kan treden, zodat ook de randstedelijke kunstkijker zich meer open kan stellen voor de belangen van de boer.

Ook steden hebben kenmerkende geuren. Tijdens de lockdown van 2021 wandelde kunsthistoricus en geurwetenschapper Caro Verbeek door Amsterdam, om de geuren van de stad op te snuiven voor samenwerkingsproject De Flaireurs. Verbeek: ‘Er zijn uitlaatgassen, internationale restaurants, coffeeshops en wel honderd watergeuren, van modderige plassen op de grond tot frisgroene grachten. Ja, Amsterdam is een ontzettend waterige stad.’5 Ze werkte samen met onder andere het Stedelijk Museum (2018), het Van Abbemuseum (2019) en het Mauritshuis (2021) om geuren uit schilderijen te destilleren. Bij het schilderij De Slag bij Waterloo (1824) van Jan Willem Pieneman, bijvoorbeeld, ontwikkelde ze een parfum dat ruikt naar zweet, paarden en de liters eau de cologne waar Napoleon zichzelf mee overgoot voordat hij het slagveld betrad. Bezoekers zouden de schilderijen veel intenser ervaren als ze zich eerst onderdompelen in de olfactorische dimensie ervan.

Verbeek weet zelf nog precies wanneer ze zelf kennismaakte met geurende kunst: ‘Ik zat in het laatste jaar van mijn opleiding Kunstgeschiedenis en ging in 2001 naar de Biënnale van Venetië. In een van de gebouwen daar hing een hele penetrante geur’, herinnert ze.6 Het was direct een openbaring: ‘Ik dacht dat ik daar kwam om dingen te bekijken, niet om ze te ruiken!’ De bron van haar verwondering bleek een installatie van de Braziliaanse kunstenaar Ernesto Neto. Neto verwerkt grote hoeveelheden specerijen zoals peper, kurkuma, komijn en kruidnagel in ruimtevullende installaties, waarmee hij refereert aan voorouderlijke Afro-Braziliaanse culturen, zoals die van de Inheemse Huni Kuin. Met zijn elastische, druppelvormige werken wil hij de zintuigen openen en een universele ervaring oproepen die iedereen kan begrijpen. ‘I noticed how rich in colors, texture and scent different spices were. Almost as if every single one had its own spirit’, vertelt hij.7Smell is an innate sense that is able to touch us at a deeper level. (…) To use one’s sense of smell also heightens one’s self-awareness and consciousness for one’s surrounding – our habitat: Planet Earth.’

Erik van Lieshout, 'Konijn', 2023-24, courtesy Annet Gelink Gallery, foto Beeldsmits.

Bloed en bloemen

Inmiddels kijkt een beetje hedendaagse kunstkenner allang niet meer op van een kunstwerk dat geurt naar zeep, koffie of kruiden. Maar hoe dit eigenlijk zo gekomen? Marcel Duchamp installeerde weliswaar in 1938 al een koffiezetapparaat in de beroemde Exposition Internationale du Surréalisme om de geur van koffie te verspreiden, volgens Jonas van Kappel begon de opkomst van olfactorische kunst pas echt tijdens de zogenoemde Experiential Turn van de jaren zestig.8 Van Kappel trekt een lijn van het minimalisme, waarbij de relationaliteit tussen kunstwerk en toeschouwer steeds belangrijker werd, tot onder andere de Fluxusbeweging, Arte Povera en conceptuele kunst, langs de geur van bier, urine en sigaretten in Edward Kienkolz’ The Beanery (1965) en van bloed in Judy Chicago’s Menstruation Bathroom (1972) – kunstwerken waarbij geur een belangrijke rol speelt, maar niet centraal staat. Decennialang zou geur vooral sporadisch door een experimentele enkeling worden ingezet, totdat geurende kunstwerken in de jaren negentig aan een gestage opmars begonnen. Opmerkelijk in deze tijd zijn bijvoorbeeld Wolfgang Laibs Wachsraum (1992) in De Pont museum, waarvoor hij een smalle gang bouwde van geurende bijenwas, de museale kook- en eetsessies van Rirkrit Tiravanija, maar ook bovengenoemde werken van Koelewijn en Neto. 

Sinds de millenniumwisseling lijkt het alsof geur als autonoom kunstwerk een vlucht heeft genomen, evenals het fenomeen van de olfactorische kunstenaar die geur bewust inzet als medium, zoals Sissel Tolaas, Clara Ursitti en Peter de Cupere. Een mogelijke verklaring voor deze populariteit hangt samen met de toenemende globalisering van de kunstwereld, waarbij de ooit zo smetteloze white cube steeds poreuzer wordt voor niet-westerse invloeden en culturen. Werden geurtjes in de westerse museumzalen lang gezien als afleidend van de esthetische ervaring, op documenta fifteen hing er vaker wel dan niet een kruidige kooklucht in de Documenta Halle, die uit de door ruangrupa geïnstalleerde keuken wasemde. Gezamenlijk en voor elkaar koken is slechts een van vele voorbeelden van de steeds verder genormaliseerde praktijken van care (zorg) in de hedendaagse kunst, waarmee ook theeceremonies, altaars met wierook, bloemen en etherische oliën in de museumzaal verschijnen. Belangrijk om te benoemen is overigens dat, hoewel de westerse museumzalen steeds vaker met geuren gevuld worden, dit niet betekent dat elk aroma zomaar door iedereen gelezen kan worden. Geur is niet alleen bijzonder persoonlijk, net als kleur, taal en muziek, is het ook sterk cultuurgebonden. Bij de gemiddelde westerse museumbezoeker zullen de installaties van Sergio of Neto compleet andere associaties oproepen dan bij een bezoeker die is opgegroeid in Brazilië.

Pindakaas en lavendel

Geur is vluchtig, net als bij een melodie ligt de vergankelijkheid ervan in elke toon besloten. Maar wat opvalt is dat bij bovengenoemde voorbeelden een onderscheid gemaakt kan worden tussen geurkunst, veelal bestaande uit speciaal gecreëerde parfums, en kunst die geurt maar waarbij het olfactorische element vooral een bijeffect is van de keuze voor materiaal of medium. Parallel met deze verdeling valt ook het verschil tussen kunst die blijft geuren – misschien zelfs permanent geurt, zoals dat verwacht wordt van een parfum – en kunst waarbij de geuren na verloop van tijd veranderen of vervliegen. Zoals Van Keppel opmerkt: ‘the olfactory work [is] a highly subjective, as well as a performative experience, because the work does not ‘convey’ meaning, but ‘does’ something to the visitor’.9 Hiermee krijgt kunst die geurt haast de vluchtige urgentie van een performance: je moet erbij zijn om het mee te maken. Overeenkomstig merkt de geliefde in Sontags roman dat het juist deze vluchtigheid is die haar verleidt: ‘Time is born, because one smell succeeds, dominates another. And with time, eternity. To have smell, only smell, means she is a being-who-smells and therefore wants to go on smelling (desire wills its perpetuation ad infinitum).

Kunstenaars kunnen hier natuurlijk hun voordeel mee doen. Zo ontwikkelde Joël Andrianomearisoa voor de tentoonstelling Decay: An ode to the impermanent bij Buro Stedelijk (25.5 t/m 25.7.23) de installatie 61 fragments of decay for new desires (2023). Op tien schilderijen spoot de kunstenaar gedurende de 61 dagen van de tentoonstelling elke dag een andere geur. De aroma’s van verschillende bloemen, voedingswaren en zeep vermengden en vergingen tot een nieuw parfum, de zoete geur van bederf en verval. Maar in sommige gevallen is het juist jammer dat de geur van een werk verandert of vervliegt. Zo kwam ik laatst in de tentoonstelling Imagine Home (3.2 t/m 2.6.24) in het Noordbrabants Museum op de grond een verroeste bruine T-balk tegen, met aan de bovenkant een gat waar tissues uitsteken. Bij nadere inspectie blijkt de bruine kleur niet door oxidatie maar door verpoederde kruidnagel te komen. Kunstenaar Jerrold Saija vertelt dat hij met het werk Huilebalk (2021) verwijst naar zijn Molukse achtergrond: ‘Toen ik met mijn opa naar de Molukken ging, zag ik hoe kruidnagels daar voor van alles gebruikt worden, ook als constructiemateriaal. Maar het is natuurlijk ook verworden tot handelswaar, met alle gevolgen van dien. Met Huilebalk leg ik een verbinding tussen bouwkunde en de constructie van een gemeenschap.’ De tissues zijn een verwijzing naar de traditionele Molukse tissuedozen die vaak op de eettafel staan. Het is een mooi verhaal, maar ik moet mijn neus haast tegen de balk aan drukken om nog een subtiel vleugje kruidnagel op te kunnen vangen.

Geur kan troosten, verdwijnen, vermengen en veranderen. Voor sommigen zal de penetrante geur van de Pindakaasvloer (1962) van Wim T. Schippers genoeg zijn om hen terug te voeren naar warme herinneringen aan dikgesmeerde bammetjes in de voetbalkantine (of in ieder geval naar de nostalgische reclames ervan), maar zelf laat ik me liever verleiden door een ander geurend vloerwerk: 108 pond lavendel (z.j.) van herman de vries, nu op zaal te zien in het Rijksmuseum Twenthe. Formeel gezien tonen de werken opvallende overeenkomsten, maar het grote verschil zit ‘m in de kleuren en de geuren. In Enschede zijn de gangen van het museum gehuld in de zachtslaperige geur van lavendel. Mijn pogingen ten spijt merkt de vries nuchter op: ‘Geur kun je niet definiëren. Met taal krijg je er geen vat op’.9

Imagine Home
Het Noordbrabants Museum, Den Bosch
3.2 t/m 2.6.24

108 pond lavendel van herman de vries is te zien in de vaste collectieopstelling van Rijksmuseum Twenthe, Assen

Extended: Imagining Scent
(workshopprogramma over geurherinneringen)
Jan van Eyck Academie ism Marres, Maastricht
17.2 t/m 19.4.24

1 Koos de Wilt, Binnenkijken bij kunstenaar Buhlebezwe Siwani: Kunst als spiegel van beautiful ignorance, Koosdewiltconcept.nl, 2022

2 Caro Verbeek, The historical significance of smell, TEDx Talk, Groningen, 2019

3 Michael Cobb, Smell – A very short introduction, Oxford University Press, 2020

4 Floor Kluitert, ‘Smells Like Home’, Frame #117, 2017

5 Janna Reinsma, ‘Een vleug van vroeger’, Uitkrant Amsterdam, februari 2021 

6 Caro Verbeek, The historical significance of smell, TEDx Talk, Groningen, 2019

7 Keshav Anand, ‘Interview: Ernesto Neto on gravity, togetherness & the value of Indigenous knowledge’, Something Curated, 18.5.22

8 Jonas van Kappel, ‘From image to smell’, Stedelijk Studies, 15.6.23

9 Henny de Lange, ‘Ik wil de werkelijkheid in essentie tonen’, Trouw, 15.9.11

Laura van den Bergh

is schrijver, redacteur en en onderzoeker

Recente artikelen