
Ik hoor wat je zegt – Over de crisis van het verhaal
In een wereld waarin verhalen steeds meer zijn verworden tot producten, lijkt de verbindende kracht van narratieven verdwenen. Dit stelt filosoof Byung-Chul Han in De crisis van het narratieve (2025), een vervolg op diens essay De vermoeide samenleving (2014). Lena van Tijen is het niet met hem eens en bespreekt zijn essay aan de hand van drie verrassende hervertellingen van Herman Melvilles klassieker Moby-Dick. Zou er echt geen ruimte zijn voor verhalen die werkelijk resoneren?
Een aantal maanden geleden zat ik in een café naast een schrijver die ik pas had ontmoet. Hij vertelde me over zijn vriend ‘de Australiër’ die zich zo bij ons zou voegen. ‘Zodra hij zijn EU-burgerschap kreeg’, zei de schrijver, ‘is hij naar Ierland vertrokken om visser te worden! En weet je waarom?’ vroeg hij en leunde naar achter om zijn ongeloof kenbaar te maken. ‘Omdat hij Moby-Dick had gelezen!’ Sommige mensen ken je eerder als verhaal dan als persoon. De Australiër bleek een zachtaardige man in een grijze trui en met een gouden ringetje in zijn oor. Ik vroeg hem welk aspect van het boek hem ertoe had gedreven om visser te worden. ‘Ik wilde gewoon langer in het verhaal blijven’, zei hij.
De Chinees-Amerikaanse kunstenaar Wu Tsang kende Herman Melvilles roman over de jacht op de witte potvis Moby Dick net als veel van haar landgenoten van de leeslijst op de middelbare school. Het boek had geen bijzondere indruk op haar gemaakt, tot een vriend haar wees op de koloniale, sociaal-hiërarchische en queer aspecten van het verhaal. Waarop Wu Tsang de roman herschreef in twee ambitieuze videowerken: Of Whales (2022), een digitale onderwaterwereld, die werd vertoond op de Biënnale van Venetië, en Moby Dick; or, The Whale (2022) een stomme filmadaptatie, waarbij de personages Ismaël en Queequeg worden afgebeeld als geliefden. De speelfilm wordt bij vertoningen begeleid door een live orkest en was twee jaar geleden te zien bij het Schauspielhaus Zürich en het Holland Festival in Amsterdam. Veel van Tsangs werken gaan over de dubbelzinnigheid van taal en alternatieve manieren van communiceren via dans, lichaamstaal en poëzie. Tsang groeide op in de Verenigde Staten als kind van een witte moeder en een Chinese vader, wier moedertaal haar niet is bijgebracht. Een ervaring die haar, zo vertelt ze in een interview in The New York Times, erg alert heeft gemaakt op misinterpretaties. Zo verbeeldt Tsang in haar eerdere film Duilian (2016) de lesbische relatie tussen twee historische figuren – de negentiende-eeuwse Chinese dichter Qiu Jin en kalligraaf Wu Zhiying – aan de hand van verkeerd vertaalde gedichten.
Recentelijk kwam ik Moby-Dick opnieuw tegen. Dit keer in het nieuwste boek van de Chinees-Britse auteur Xiaolu Guo, Call Me Ishmaelle (Chatto & Windus, 2025). De titel van de roman, een verbastering van de bekende openingszin van Moby-Dick, ‘Noem me Ismaël’, is het startpunt van deze feministische hertelling. Guo vertelt het verhaal vanuit het perspectief van Ishmaelle, een weesmeisje dat zich verkleed als jongen verschanst aan boord van een walvisvaarder. Door het mannelijke pleit voor de walvisjacht en haar eigen (verhulde) vrouwelijke identiteit begint zij zich tijdens de tocht met de potvis te vereenzelvigen.
Net als haar personage Ishmaelle voelde Guo zich niet op haar plek – ze groeide op in communistisch China – en begon zich te herkennen in een ander. In een interview in The Guardian zegt zij: ‘Toen ik als tiener westerse boeken begon te lezen, voelde ik woede over mijn eigen jeugd. Het was deze woede en bitterheid die mij de wereld van de literatuur in stuurde.’
Deze drie (her)interpretaties schieten mij te binnen tijdens het lezen van de recent uitgegeven vertaling De crisis van het narratieve van Byung-Chul Han. In zijn nieuwe essay beargumenteert de Koreaans-Duitse filosoof dat verhalen in de laatmoderne tijd niet langer gemeenschappen creëren, maar consumentenisolatie bevorderen. Han stelt dat de verbindende kracht van verhalen is verwaterd tot een kapitalistisch instrument, waarbij storytelling een product is geworden: storyselling. Han stut zijn argument door andere filosofen aan te halen; Heidegger, Kant, Nietzsche, Baudrillard, en met name Walter Benjamin.
Thema's
Benjamin is typisch een filosoof van het slag vroeger-was-alles-beter en deze lijn lijkt Han te willen voortzetten. Hij redetwist erop los om te bewijzen dat de gezellige kampvuurpraat van toen plaats heeft gemaakt voor het eenzame doomscrollen en liken van nu. Hierbij spreekt hij zichzelf meermaals tegen. Zo stelt Han dat het vertellen van verhalen een gesloten vorm is, een identiteit stichtende orde, oftewel een draad die leden van een gemeenschap aan elkaar verbindt. Tegelijkertijd beweert hij dat deze gemeenschap ieder identiteitsnarratief dat anderen uitsluit afwijst. Han noemt selfies momentopnames, een communicatiemiddel dat het einde aankondigt ‘van de met een lot en geschiedenis beladen mens.’ Analoge foto’s, daarentegen, vindt hij wél een medium voor herinnering. Elders in het essay haalt hij zijn eigen uitspraak weer onderuit door, in de geest van Benjamin, te schrijven: ‘Foto’s [in algemene zin] beelden het gegeven af zonder het te verinnerlijken. Ze betekenen niets.’
De enige ‘zuivere’ vorm van narratief vindt volgens de filosoof plaats in vervlogen tijden, in het donker, rond oplaaiende vlammen waar iedereen in stilte luistert naar een bevlogen verteller. Zelfs de roman, als verhaalvorm, moet eraan geloven, die wordt volgens Han, en Benjamin, namelijk enkel geboren uit eenzaamheid en isolement. Toch tonen de hervertellingen van Moby-Dick door Tsang en Guo aan dat verhalen juist op nieuwe, verbindende manieren kunnen voortbestaan.
Wat Han zich terecht afvraagt is: wie leest er vandaag nog een roman? Dat schrijvers en kunstenaars een zeshonderd pagina’s tellende pil oppakken, is tot daar aan toe, maar wie heeft daar verder nog tijd voor? Volgens de filosoof leven we in een tijd waarin informatie – door sociale media en nieuwsfeeds – ons in een actualiteitsroes stort, waardoor de tijd versnipperd raakt en ‘krimpt tot smalspoor van het actuele.’ Informatie is volgens Han niet narratief, maar cumulatief. Zonder verhaal is het leven dan ook louter additief, waardoor de mens in een spiraal van wanhoop en verzadiging dreigt te storten.
Deze opvatting komt ook naar voren in het eerdere werk van Han, De vermoeide samenleving (2014). En hij maakt dit punt, verrassend genoeg, door te verwijzen naar Herman Melville. In dit essay haalt Han diens De klerk Bartleby (1853) aan in relatie tot de huidige prestatiemaatschappij. In het verhaal is Bartleby net aangenomen bij een griffierskantoor op Wall Street. Aanvankelijk doet hij zijn best om mee te komen met zijn collega’s, maar na verloop van tijd begint hij steeds vaker opdrachten te weigeren totdat hij uiteindelijk helemaal niets meer doet. Op iedere taak die hem wordt toegewezen, antwoordt de klerk met: ‘Liever niet’.
Deze simpele weigering krijgt, naarmate het verhaal vordert, steeds weer een andere betekenis. Is het een uiting van Bartleby’s vrije wil? Een roep om protest? Of een aanklacht tegen de moderne tijd? Volgens de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben gaat Melvilles verhaal over potentie en ‘ont-schepping’ – het idee dat zolang er niks gebeurt, alles mogelijk blijft. Han haalt zijn lezing aan in De vermoeide samenleving om deze vervolgens te ontkrachten. Voor hem gaat De klerk Bartleby juist over uitputting binnen een disciplinaire samenleving. In een samenleving die, zoals Han beschrijft, bestaat uit eenzame consumenten, zijn er maar weinigen die zich aan de maalstroom van informatie kunnen onttrekken en niet meegaan in de list van ‘storytelling als storyselling’. Aan kunstenaars de taak om hier, als Tsang en haar evenknieën, bovenuit te stijgen en ons de absurditeit van het alledaagse te tonen, waarin we moeiteloos meebewegen.
Wanneer ik aan Bartleby’s weigering denk, denk ik aan het werk van Nora Turato. Voor de tentoonstellingsreeks IN SITU van het Stedelijk Museum maakte de Kroatische kunstenaar de video- en geluidsinstallatie I hear you, I hear you (2024). Woorden, afkomstig uit de constante communicatiestroom waar de kunstenaar zich dagelijks in begeeft, worden geprojecteerd op een grote muur op de tussenverdieping in de nieuwbouw van het museum. Bezoekers die de roltrap opgaan, komen flitsende gele woorden op een rode achtergrond tegemoet, afgewisseld met luide zuchten en kreunen. Soms vertraagt het tempo, wordt het scherm wit en de letters zwart. I hear you, fluistert, roept, herhaalt Turato in haar voice-over, telkens met een andere intonatie.
Met dit werk onderzoekt Turato hoe taal betekenis vormt en hoe één zin in talloze richtingen kan kantelen. Waarschijnlijk spreekt het voor zich dat een boek over een potvis met de omvang van Moby-Dick op meerdere manieren gelezen en geïnterpreteerd kan worden. En dat dit ook geldt voor de schijnbaar eenvoudige leuzen als ‘liever niet’ of ‘ik hoor wat je zegt,’ blijkt uit zowel het verhaal van Bartleby als het werk van Turato. Want in alles schuilt een verhaal – maar, zoals Han in De crisis van het narratieve aantoont, zijn we soms te uitgeput en afgericht om dat nog te kunnen ontdekken.
Deze tekst is eerder gepubliceerd in Metropolis M Nummer 2 2025 Tegenstem
Byung-Chul Han, De crisis van het narratieve (vertaling van die Krise der Narration door Mark Wildschut). De Nieuwe Wereld/Ten Have, 2024.
IN SITU #1 Nora Turato – I hear you, I hear you, Stedelijk Museum Amsterdam, 2024, was te zien tot september 2025
Lena van Tijen
is schrijver



