metropolis m

Kunst is een apart soort waarheid
Over Alain Badiou

Kunst hoeft niet over politiek, oorlog of armoede te gaan. Zij is van zichzelf al geëngageerd. Dat beweert althans Alain Badiou, de Franse filosoof die geldt als een van de spraakmakendste cultuurbeschouwers van dit moment. Kunst biedt een eigen soort waarheid. Het is de eigenzinnigheid die telt.

Laten we ongegeneerd beweren dat kunst nodig is omdat we onbegrijpelijk zijn voor onszelf. Hoe die kunst zich uitdrukt hangt samen met tijd, sociaal-politieke en economische ontwikkelingen. Maar wát ze uitdrukt is tijdloos en een onophoudelijke bron van reflectie en discussie over wat wij hoogstaand vinden, en wat niet. (Anna Tilroe)

Iedereen heeft er de mond van vol maar weinig mensen kunnen de vinger achter krijgen: de vraag of engagement in de hedendaagse kunst mogelijk is, is moeilijk te beantwoorden. Het werk van de toonaangevende Franse filosoof Alain Badiou bevat een interessante, radicale piste voor het formuleren van een antwoord. Is kunst geëngageerd? Ja, zegt Badiou, want kunst genereert een apart soort waarheid, naast liefde, wetenschap en politiek. En al wat waarheden genereert is op een bepaalde manier ook onvermijdelijk ‘geëngageerd’.

Gent, november 2002. Benjamin Verdonck, een jonge Vlaamse kunstenaar die vooral bekend is om zijn performances in openbare ruimtes, haalt de internationale pers – tot CNN toe – met een performance in het Nieuwpoorttheater in Gent. Verdonck liet zich drie dagen lang opsluiten met een varken in een kleine kooi. Het wereldpolitieke toneel op dat moment werd bepaald door de spanning tussen de Verenigde Staten en Irak en de zogenaamde ‘oorlog tegen het terrorisme’ van George W. Bush.

I like America and America likes me was de titel van Verdoncks performance: de kunstenaar deed geen enkele poging om te verhullen dat wat hij deed een zo goed als exacte kopie was van de fameuze performance die Joseph Beuys deed met een coyote, een kleine dertig jaar eerder.

Verdonck wilde met zijn performance expliciet géén politiek statement maken, integendeel: door tegen een varken over politiek te praten, zette hij juist een vorm van non-communicatie op. Praten met een varken levert inderdaad zelden een vlotte, laat staan diepzinnige babbel op en dat was precies de bedoeling. ‘Tot een goed gesprek zal het allicht nooit komen,’ liet Verdonck dan ook weten aan een krantenjournalist. ‘Maar de boodschap is wel belangrijk: reflecteren over kwesties als ‘the war on terrorism’ van de Verenigde Staten, de oorlogsdreiging in Irak, het toenemende aantal gewapende conflicten… een politieke positie neem ik niet in. Het scala is immers zo breed dat ik door de bomen het bos niet meer zie.’1

De boodschap was dus dat er geen boodschap was. Althans geen boodschap die in heldere, rationele, woordelijke vorm verteld kon worden. De boodschap was er een van chaos in het hoofd. Chaos, veroorzaakt door een reële, wereldse, politieke situatie: de spanning tussen de Verenigde Staten en Irak, en in het verlengde daarvan de spanning tussen West en Oost, tussen ‘beschaving’ en ‘terreur’.

Waarheidsprocedures

De Franse filosoof Alain Badiou, tevens bekend als extreem linkse rakker, maoïst zelfs, is een behoorlijk eigenzinnig denker. In een eeuw waarin universele waarheden door talloze relativisten als onbestaand werden gecatalogeerd, komt Badiou op de proppen met een systeem dat op de idee van ‘absolute’ waarheden gebaseerd is. Niet als strikt filosofische categorie, weliswaar. Volgens Badiou bestaan er vier domeinen waarbinnen zich zogenaamde ‘waarheidsprocedures’ kunnen voordoen: politiek, liefde, wetenschap en kunst. Kunst is dus een waarheidsprocedure: ze is niet te herleiden tot andere waarheden, ook niet tot ‘filosofische’ waarheden.

Kunst is een immanente, singuliere waarheidsprocedure: het domein van de kunst is even uitgebreid als de waarheden die ze produceert, en die waarheden bestaan enkel en alleen in de kunst. Nergens anders. ‘(…) l’art est toujours déjà là, adressant au penseur la question muette et scintillante de son identité, cependant que par sa constante invention, sa métamorphose, il se déclare déçu de tout ce que le philosophe énonce à son propos.’ (‘De kunst is er altijd al, en stelt de denker de stomme en schitterende vraag naar haar identiteit, want door haar constante inventie, haar metamorfose, verklaart ze zich teleurgesteld in alles wat de filosofie over haar gezegd heeft.’) 2 Kunst gaat altijd aan kunstfilosofie vooraf, ze laat zich niet door de filosofie vangen. Filosofie is een laatkomertje dat altijd en noodgedwongen achter de feiten aan moet hollen.

Het heeft weinig zin om op deze plek en in dit kader de ontologische en technisch-filosofische grondslagen en consequenties van die visie uit de doeken te doen.3 Belangrijk voor ons, hier en nu, is de gedachte dat, juist door het feit dat kunst volgens Badiou een waarheidsprocedure is, de kunst zich daarmee een educatieve en ethische taak op de hals heeft gehaald. Kunst is geen vrijblijvende spielerei en kan dat per definitie ook niet zijn; kunst is een domein dat net als wetenschap, politiek en liefde bepaalde soorten waarheid genereert, een waarheid die niet reduceerbaar is tot andere waarheden en die daardoor belangwekkend en nieuw is. Eén van de grondvragen van Badiou is inderdaad de vraag naar de mogelijkheid van radicale vernieuwing. De tijd van revoluties is, wat de postmodernisten daar ook over mogen vertellen, volgens hem nog lang niet voorbij.

In het licht van de vraag naar wat kunst vandaag de dag betekent en hoe kunst zich verhoudt tot (maatschappelijk) engagement, is de gedachte dat kunst een specifieke waarheidsprocedure is in elk geval minstens prikkelend. De scepsis tegenover degenen die beweren dat kunst een bepaald engagement moet nastreven is immers in grote mate begrijpelijk. Kunst is natuurlijk geen dienstmeid van wat voor (vaak ideologische) overtuiging dan ook. De momenten uit de geschiedenis waarin dat wél gebeurd is, zeggen genoeg: kunst die gegenereerd wordt door een ideologie wordt terecht ‘propaganda’ genoemd.

Leni Riefenstahls Triumph des Willens is een voorbeeld bij uitstek van die dubbelzinnigheid. Ondanks Riefenstahls expliciete aandacht voor esthetiek, die vaak resulteert in imponerende beelden, vervult de film een expliciet propagandistische functie. Riefenstahls films vertellen niet hun eigen waarheid: ze vertellen de waarheid van het nazisme. Niets minder, maar vooral niets meer.

In Badiou’s systeem van waarheidsprocedures is zoiets eenvoudigweg geen kunst: kunst die restloos ingeschakeld wordt in een politiek verhaal is politiek, ze behoort tot het domein van de politiek. Engagement in de kunst heeft dus niks te maken met dienstverlening aan een ideaal dat buiten de kunst om bestaat en er in wezen niks mee te maken heeft. Integendeel. Kunst is vanzelf geëngageerde kunst, want ze creëert waarheden die volstrekt uniek zijn, die nergens anders gecreëerd worden. Kunst is geëngageerd an sich. Ze hoeft daarvoor niet over politiek, oorlog of armoede te gaan. Kunst is autonoom én geëngageerd, want kunst is een apart soort waarheid. En elke waarheid heeft betrekking op iets anders. In het geval van kunst, wetenschap, politiek en liefde is die betrekking telkens uniek, eigenzinnig, en onvertaalbaar.

Teruggekoppeld naar de performance van Benjamin Verdonck: zijn performance was niet in de eerste plaats geëngageerd omdat ze refereerde aan een reële politieke situatie. Verdonck zou met het varken net zo goed over koetjes en kalfjes hebben kunnen praten: binnen het systeem van Badiou was dat ook een vorm van engagement geweest. Het was net zo goed een manier geweest om een soort waarheid te genereren. Een ‘artistiek soort’ waarheid, over koetjes en kalfjes. En dus net daarom getuigend van een zeker engagement. Wie het verband tussen ‘kunst’ en ‘engagement’ legt zoals Badiou dat legt, zegt dus eigenlijk niet meer dan dat kunst een volstrekt autonoom soort waarheid is. Alleen staat waarheid niet los van de wereld: het is een begrip dat een verband met de realiteit legt.

Iets te zeggen hebben

‘Wie spreekt, heeft iets te zeggen,’ schrijft filosofe Patricia De Martelaere in haar essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid.4 ‘En wie schrijft’, gaat ze verder, ‘heeft niet zomaar iets te zeggen: de schrijver heeft, omdat hij schrijft, iets belangrijks te melden.’

‘De schrijver zegt niet alleen iets, hij schrijft het ook op. Hij wil dus dat het blijft. En hij laat het ook uitgeven, hij wil dus dat het gelezen wordt, door meerdere mensen, bij voorkeur door iedereen. Wát hij te zeggen heeft, moet dan wel van niet onaanzienlijk belang zijn; het moet een niet geringe boodschap zijn die hij ons heeft mee te delen. (…) Het minste dat van het literaire werk, in welke hoedanigheid dan ook, kan worden gezegd is dat het ‘over iets’ gaat (…). Het overheersende model waarbinnen literatuur, expliciet of impliciet, wordt begrepen, is nog altijd dat van de communicatie, waarbij een spreker (of zender) een boodschap richt tot een hoorder (of ontvanger).

Literatuur wordt met andere woorden fundamenteel gesitueerd in het verlengde van de gewone taal. Literatuur is taal, taal zoals wij die allemaal kennen, taal die een beetje meer dan gewoonlijk de aandacht vestigt op zichzelf, taal die een beetje gekker doet dan gewoonlijk, en daardoor ook een beetje moeilijker is – maar niettemin taal. En taal is er om over iets te spreken, om betekenissen op te roepen, om te verwijzen naar een (reële of imaginaire) werkelijkheid.’5

Logisch. Tautologisch, bijna. Maar wat De Martelaere schrijft gaat enkel op voor mensen – kunstenaars desnoods – die zich bedienen van taal, van woorden. Kunstenaars die zich laten opsluiten met een varken weigeren die taal, en ze doen dat expliciet en zelfbewust. Net daardoor ontstaat er een communicatieprobleem tussen kunstenaar en kunstbeschouwer; tussen de kunstenaar die beweert geen ‘boodschap’ te hebben (geen ‘waarheid’ te verkondigen) en de kunstbeschouwer die niet anders kan dan in woorden beschrijven wat de kunstenaar volgens hem heeft willen ‘zeggen’. De relatie tussen die kunstenaar en diegene die zijn werk becommentarieert verkeert met andere woorden in een permanente staat van conflict.

Ik denk dat het idee van een ‘geëngageerde kunst’ zo problematisch is omdat er letterlijk sprake is van een vertaalprobleem. Wat de kunstenaar wil zeggen is niet zonder meer in taal te vatten (tot taal te reduceren?). Want kunst is een apart soort waarheid, een waarheidsprocedure die volstrekt eigenzinnig is. Elke poging om haar tot haar engagement te reduceren, schiet per definitie te kort. Alleen betekent dat niet dat ze niet geëngageerd is. Integendeel. Badiou heeft uitgelegd waarom.

Kunst als vierde domein

En Benjamin Verdonck? Die zit in zijn varkenshok. Hij praat met een varken en drijft het conflict tussen taal en kunst in zichzelf tot het uiterste door. Makkelijk is dat niet. Hij wil wel praten maar hij kan dat niet. Omdat taal tekortschiet. Hij wil wel communiceren maar niet gewoon met taal, niet gewoon met zinnen, argumenten en redeneringen. Kunstenaars doen dat niet. Kunstenaars zoeken niet de waarheid die academici zoeken, of politici, of verliefden. Dat is hun taak niet. Daar dient de wetenschap voor, de politiek en de liefde. Kunst, zegt Badiou, kunst is een vierde domein waarin een volstrekt origineel soort waarheid kan ontstaan. Misschien moeten we de kunst dus als kunst koesteren. Ze is tot één en ander in staat, als we Badiou mogen geloven.

Laten we dus, de woorden van Anna Tilroe indachtig, doorgaan met het ongegeneerd beweren dat kunst nodig is, los van de vraag of ze ook begrijpelijk is. Laten we zonder scrupules doorgaan met de gedachte dat kunst er niet zomaar is, dat kunst er moet zijn, dat kunst een onderdeel is van het grotere, bredere plaatje en dus in die zin, op volstrekt autonome en originele wijze, ‘geëngageerd’ is. Of ze dat nu wil of niet. Laat ons de kunst maar blijvend verdedigen. Niet als zoetmiddel voor een verzuurde maatschappij, niet als maatschappijkritiek pur sang, niet als opsmuk voor een lelijke wereld, niet als eender wat dat iets anders is dan kunst. Kunst is kunst is kunst is kunst. En kunst is (een apart soort) waarheid. Een waarheid als, ach ja, een varken.

Tom Rummens

Bronnen

Alain Badiou, Ethics, an essay on the understanding of evil¸ingeleid en vertaald door Peter Hallward, London, New York, Verso, 2001 (oorspr. 1993)

Alain Badiou, Petit Manuel d’inesthétique, Paris, Éditions du Seuil, 1998

Alain Badiou, Infinite thought. Truth and the return of philosophy, vertaald en ingeleid door Olivier Feltham en Justin Clemens, London, New York, Continuum, 2003

Patricia De Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood, Amsterdam, Meulenhoff, 1993

NAi (Nederlands Architectuur Instituut), Nieuw engagement in architectuur, kunst en vormgeving, Rotterdam, NAI Uitgevers, 2003

Anna Tilroe, Het blinkende stof. Op zoek naar een nieuw visioen, Amsterdam, Querido, 2002

1 Ben Bleys, ‘Benjamin Verdonck gaat te rade bij een varken’, De Morgen, 15 november 2002, p. 22.

2 Badiou (1998:10).

3 Daarvoor verwijs ik graag naar het uitgebreide (en deels in het Engels vertaalde) werk van de denker zelf, of naar Peter Hallward, Badiou, a subject to truth, een recent verschenen studie over Badiou.

4 Patricia De Martelaere, ‘Om niets te zeggen, of de nieuwe kleren van de keizer’, in: Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood, Meulenhoff, Amsterdam, 1993, p. 12.

5 Idem, p. 12-13.

Tom Rummens

Recente artikelen