metropolis m

Bjarne Melgaard painting a permanent mural at Museum Dhondt-Dhaenens, Deurle, 2021, commissioned by Antony Hudek, photo: Rik Vannevel

Als de nieuw benoemde artistiek-coördinator van Extra City wil Antony Hudek kunst losmaken van bestuurlijke reflexen en politieke vanzelfsprekendheden. In Antwerpen werkt hij aan een instelling die niet alleen tentoonstelt, maar ook stelling durft te nemen. Ive Stevenheydens spreekt met Hudek over zijn plannen voor Extra City.

Antony Hudek

Ive Stevenheydens: Je carrièrepad is uitgesproken internationaal en omvat functies bij musea, galeries, uitgeverijen en universiteiten. Je werkte onder meer bij Raven Row in Londen, Tate Liverpool, Jan van Eyck Academie in Maastricht en in België bij M HKA, Museum Dhondt-Dhaenens en Jan Mot. Hoe heeft die diversiteit je visie op een curatoriële praktijk gevormd?

Antony Hudek: ‘Door mijn werk op verschillende plekken ben ik gevoelig geworden voor lokale historische en culturele contexten. Ik raak oprecht gefascineerd door wat zich ter plaatse heeft ontwikkeld. In Antwerpen bijvoorbeeld interesseert het me niet alleen wat er internationaal gebeurt, maar ook wie hier werkt en welke verhalen hier circuleren. Bij Extra City ervaar ik dat vandaag op twee niveaus. Enerzijds de rijke institutionele geschiedenis van de kunsthal zelf: daar zit veel in om te herlezen en te herdenken. Anderzijds is er het lokale ecosysteem van kunstenaars, initiatieven en gemeenschappen. Curatorieel betekent dat voor mij: vertrekken van waar je bent en daar verantwoordelijkheid voor nemen.’

Wat voor soort leiderschap sta je voor?

‘Toen ik in 2015 in België aankwam viel me op hoe sterk het veld bepaald werd door een vrij homogeen type leiderschap. Intussen zie je een moeizame, maar interessante transitie naar andere vormen. We zijn voorbij de fase van het eenvoudig antihiërarchisch denken. De vraag is nu: hoe belichaam je daadwerkelijk gedeelde verantwoordelijkheid? Hoe organiseer je een instelling op een minder gecentraliseerde manier? Ik bevind me in een ambigue positie. Als witte heteroman van middelbare leeftijd vertegenwoordig ik een profiel dat vandaag terecht vragen kan oproepen. Ik probeer bepaalde fouten niet te herhalen en leer veel van collega’s en medewerkers die anders denken dan ik. Leiderschap is voor mij niet langer een kwestie van autoriteit en steeds meer van luisteren, afstemmen en faciliteren.’

Op je cv zie ik dat je vaak relatief korte mandaten hebt gehad. Bij M HKA, Objectif Exhibitions en Galerie Jan Mot telkens slechts een of twee jaar. Is dat een bewuste strategie?

‘Het is geen strategie, maar een combinatie van factoren. Ik merk bij mezelf een zeker ongeduld met institutionele traagheid. Na de romance en de aanpassingsfase stel je jezelf de vraag of je blijft. Vertrekken kan waardevol zijn: je neemt ervaring mee en kruist andere contexten. Het Belgische subsidiestelsel creëert een rotatieritme: om de vier à vijf jaar moeten instellingen nieuwe beleidsplannen schrijven, wat zorgt voor structurele onzekerheid. Wat vroeger een persoonlijke dynamiek was, is nu bijna systeemlogica. Duurzaamheid voelt vandaag paradoxaal genoeg als een vorm van verzet. In een eindeloze crisis kan volhouden een politiek gebaar zijn.’

Je combineert leidinggevende functies met onderzoek, schrijven en lesgeven. Welke rol heeft volgens jou de grootste maatschappelijke impact?

‘Ik denk niet dat er een doorslaggevende rol is. Soms kan beleidswerk meer impact hebben dan een middelmatige tentoonstelling waar je zelf trots op bent. Soms heeft een goed geschreven tekst effect op lange termijn. Ik geloof niet meer in het mythische beeld van de curator als autonome tentoonstellingsmaker. Het gaat eerder om bemiddeling, faciliteren, verbinden. De relatie tussen overheid en instelling is nooit neutraal. Instellingen opereren binnen een kader van subsidies, beleidsplannen en politieke verwachtingen. Dat hoeft niet problematisch te zijn, zolang er ruimte blijft voor autonomie en kritisch vermogen. Politieke visies op cultuur kunnen echter snel verschuiven. Instellingen moeten zich dus voortdurend positioneren ten opzichte van veranderende machtsverhoudingen. Dat vraagt strategisch inzicht alsook veerkracht.’

Het M HKA bevindt zich in een precaire positie. Na de storm die cultuurminister Caroline Gennez ontketende omtrent het verhuizen van de collectie naar S.M.A.K. Gent in het najaar van 2025, blijft het museum wellicht toch zijn museumstatus behouden. Hoe ervaar jij deze onzekerheid, en wat zegt dat over de verhouding tussen overheid, musea en kunstsector?

‘De relatie tussen overheid en instelling is nooit neutraal. Mij viel in de discussie vooral de vereenvoudigde voorstelling van zaken door de minister op. Er werd gesuggereerd dat het museum zich meer als kunsthal zou moeten gedragen: wendbaar, projectmatig, minder gebonden aan een collectie. Dat lijkt efficiënt, maar het miskent de specifieke functies van verschillende types instellingen. Een kunsthal zoals Extra City werkt fundamenteel anders dan een museum met een collectie. Je hebt minder structurele lasten. Maar het betekent niet dat het werk minder complex is. Het vraagt andere competenties, netwerken en vormen van verantwoordelijkheid. Het baart me zorgen als beleidsmakers denken dat het ene model eenvoudigweg kopieerbaar is naar het andere.’

Larissa Sansour & Søren Lind, As If No Misfortune Had Occured in the Night (2022), While We Count Our Earthquakes, 26.04.25 - 21.09.25, Kunsthal Extra City, (c) We Document Art

De plannen voor M HKA veroorzaakten massale kritiek, zowel lokaal als internationaal. Hoe heb jij dat ervaren?

‘Die eerste golf van weerstand was verrassend krachtig. Het effect op korte termijn was beperkt, maar ze heeft iets in beweging gezet. De stad begon actiever na te denken over een stedelijke collectie en nieuwe initiatieven doken op. Dat toont dat het veld meerstemmig is en zeker niet passief.’

Je bent nu enkele maanden artistiek coördinator van Extra City. Hoe kijk je naar de erfenis van je voorgangers, en hoe positioneer je jezelf daarin?

‘Ik heb de verschillende periodes van Extra City van nabij of op afstand meegemaakt. Mijn eerste contact met de Antwerpse kunstwereld liep via een van de vroegere directeurs, Mihnea Mircan en Adinda van Geystelen. Waar de eerste een intellectueler parcours bewandelde, experimenteerde Van Geystelen met residentiële curatoren. Ze nodigde mensen uit voor tijdelijke trajecten van twee à drie jaar waarin die meerdere projecten konden ontwikkelen. Vandaag zie ik vooral de wijsheid daarvan in: Van Geystelen anticipeerde op een model waarin de directeur niet de enige stem is. Meer dan haar opvolger Joachim Naudts, die het programma opnieuw sterker articuleerde met veel bewegend beeld, interesseert mij dat moment van openheid uit de periode van Van Geystelen. Ik wil niet noodzakelijk met externe curatoren uit het professionele circuit gaan werken, maar met stemmen die buiten dat netwerk opereren. Individuen en collectieven die niet per se vanuit curatoriële expertise of institutionele autoriteit denken.’

Wat betekent dat concreet voor je eerste projecten?

‘Het eerste project, geïnitieerd door Naudts, volgt een relatief klassiek model: Sammy Baloji, een gevestigde kunstenaar met lokale banden, nodigt curator Samuel Saelemakers uit en samen realiseren ze een tentoonstelling (Copper Thread, Rubber Thread, Sugar Thread, van 17.4 t/m 16.8.2026). Mijn eerste voorstel is wat anders. Ik ben naar Ulrike Lindmayr, curator en producent van kunstenaarsfilms, en Nadia Bijl, curator en oprichter van de Antwerpse kunstruimte Lichtekooi, gestapt met de vraag of we rond de manier van werken van de recent overleden Guillaume Bijl iets konden ontwikkelen. Bijl is voor mij belangrijk omdat hij tegelijk internationaal erkend en diep lokaal verankerd is. Hij is grotendeels autodidact en heeft altijd een gespannen verhouding gehad tot academisch professionalisme. Dat interesseert me enorm. Niet uit nostalgie, maar omdat het een model biedt: kunst als sociaal bindmiddel, dat tegelijk politiek, actueel en humoristisch is. Het sluit aan bij mijn belangrijkste vraag: hoe kunnen we ont-professionaliseren zonder aan kwaliteit in te boeten?’

Extra City heeft in haar geschiedenis verschillende locaties gehad, onder meer ook een oude wasserij en een graansilo in de haven, en momenteel zit het in een voormalige kerk. Hoe zie je de positie van de instelling vandaag in Antwerpen en Vlaanderen?

‘Extra City heeft altijd flexibiliteit gekend. Ze verhuisde meerdere keren binnen Antwerpen en wist vaak met beperkte middelen sterke projecten te realiseren. De kunsthal bevindt zich op een kruising tussen kleinere, alternatieve ruimtes en grotere museale instellingen. In de voorbije vijf jaar is er bovendien iets moois gegroeid: kunsthallen in Vlaanderen en Brussel hebben elkaar steeds meer opgezocht en ondersteunen elkaar actiever dan ooit. Er bestaat nu een vrij hecht netwerk tussen Extra City, Kunsthal Gent, Kunsthal Mechelen, Netwerk Aalst, Jester (Genk) en Argos (Brussel). In verschillende steden spelen gelijkaardige dynamieken tegenover grotere musea, en juist dat schept onderlinge herkenning. De kunsthal is vaak de handige doe-het-zelver die met weinig middelen veel realiseert. Dat inspireert omdat het laat zien hoeveel er kan ontstaan uit creativiteit en samenwerking.’

Deze tekst is eerder gepubliceerd in Metropolis M Nummer 2-2026 Biënnale van Venetië Gids

Ive Stevenheydens

is schrijver, curator, deejay en dramaturg

Recente artikelen