metropolis m

Nationalisme en cultuur vormen een potentieel explosief mengsel van ongekende aantrekkingskracht en radicale uitsluiting. Ook onschuldig ogende instituties als musea staan daar niet los van. In het ontluikende Trumptijdperk bezocht Jelle Bouwhuis enkele kunstmusea in de Verenigde Staten, die dieper vastgeklonken zitten in de negentiende eeuw dan ze zelf neigen te erkennen. Met de blik van een etnograaf zag hij hoe wij in Nederland daar lessen uit kunnen trekken.

‘Liberal abstract universalisms are often used against, rather than in favor, concrete struggles for freedom.’ (Nelson Maldonado-Torres, 2016)

In het tijdperk van almaar oplopend westers nationalisme, slaan ook de Verenigde Staten nieuwe wegen in. De slogan America First uit de campagne van Donald Trump en diens daadkrachtige inreisverbod voor mensen afkomstig uit zes (aanvankelijk zeven) ‘moslimlanden’ waren de eerste trotse mijlpalen. Directeuren van verschillende kunstmusea namen daar publiekelijk stelling tegen. Het Davis Museum van het Wellesley College in Massachusetts reageerde ronduit opzienbarend, door in de collectieopstelling alle werken van kunstenaars met een migratieachtergrond gedurende een week te verwijderen of af te dekken; ongeveer twintig procent van het totaal. Ook het grotere Museum of Modern Art in New York kwam verrassend in actie. Enkele dagen na Trumps inreisverbod werden zeven werken uit de klassiek-moderne kunstopstelling vooralsnog blijvend vervangen door een hedendaags werk uit de eigen collectie van een kunstenaar afkomstig uit de getroffen landen. Een ferm standpunt, althans zo lijkt het, zeker van corporate instellingen als het MoMA. Het valt vooral te begrijpen als een verdediging van het oer-Amerikaanse idee van de melting pot waar de kunstmusea evenzogoed op zijn gestoeld.

Natuurlijk valt er ook wat af te dingen op deze gebaren. Het Wellesley College is de elitaire meisjesschool waar Hillary Clinton op heeft gezeten en die nu vooral scholieren uit Azië aantrekt. Het MoMA streeft met zijn C-map-programma al enkele jaren naar een meer globale oriëntatie en het inreisverbod is een kans om dat wat sterker voor het voetlicht te brengen.1 Jammer genoeg slaagt het museum er niet in om de (aanvankelijk) zeven landen van het inreisverbod evenwichtig en adequaat te representeren: vijf van de zeven kunstenaars zijn van Iraanse afkomst en van drie van hen werd het werk aangekocht in de tijd dat hun land nog een vazalstaat was van de Verenigde Staten. Zo bezien is het engagement nogal opportunistisch. Migratie is dan ook helemaal niet de eigenlijke kwestie, net zomin als die in onze musea erg speelt. De geëngageerde flirt leidt veeleer af van fundamentelere kwesties rond nationale representatie en kunstmusea, waarvoor de situatie in de Verenigde Staten als casus kan dienen.

Boston

Het grootste kunstmuseum in het Democratengezinde Massachusetts is niet het Davis Museum, maar het Museum of Fine Arts in Boston. Zoals vergelijkbare encyclopedische, megalomane musea in onder andere Philadelphia en Chicago beschikt het over enorme collecties Europese kunst, Aziatische kunst, westerse archeologie, Afrikaanse kunst en moderne en hedendaagse kunst. De afbakeningen zeggen vaak meer over dit soort instituties dan over de kunst. In het Boston Museum opende in 2010 een nieuwe vleugel geheel gewijd aan de Art of the Americas. Deze uitbreiding van ongeveer vijftig zalen ontworpen door Foster and Partners combineert de collectie-onderdelen Pre-Columbian Art en American Art. De eerste categorie beslaat archeologische vondsten uit Zuid- en Midden-Amerika en de materiële cultuur van de native Americans. Dit Groot-Amerika is te vinden in de kelder. De rest van de nieuwe vleugel is het exclusieve domein van de Verenigde Staten en haar koloniale voorlopers in een chronologische Werdegang die doorgaat tot aan 1950, verspreid over drie verdiepingen.

Deze opstelling is geroemd om bepaalde inhoudelijke vernieuwingen. In tegenstelling tot vergelijkbare musea in Philadelphia en Chicago is de Amerikaanse cultuurhistorie er categorisch losgeweekt van de Europese. Dat schept meer ruimte voor een Groot-Amerikaans narratief. Maar de omvang en fysieke dominantie van de drie verdiepingen America First bovenop de rest kan geen bezoeker ontgaan. Zaal na zaal is gevuld met fraaie Amerikaanse landschappen, vaak gecombineerd met een gebeeldhouwd klassiek en hoofdzakelijk vrouwelijk naakt, uitgevoerd in het witst mogelijke marmer. Muren vol portretten van gepruikte mannen en vrouwen wisselen de uitstallingen van hun meer of minder protserige en puriteinse interieurs af. Indianen en bizons ontbreken hier, een enkel schilderij uitgezonderd, zoals zij ook in werkelijkheid vrijwel uitgeroeid waren in de negentiende eeuw. Verder geen spoor van Afro-Amerikanen en latino’s te bekennen in deze mythscape, de mythe van het lege, ongecultiveerde land dat door vrome en hardwerkende kolonisten tot wasdom is gebracht. Als Donald Trump hier binnenloopt, wat overigens onwaarschijnlijk is, zou hij zijn racisme, seksisme, machisme en ongelimiteerde hang naar grabbing ruimhartig bevestigd zien als authentiek en diepgeworteld Amerikaans cultureel erfgoed.

Lijfeigenen van het liberalisme

De Amerikaanse mythscape staat ook centraal in de boeken van politiek-filosoof Duncan Bell. Bell schrijft over de geschiedenis van het liberalisme en hoe die geschiedenis op zijn beurt is beschreven. Persoonlijk krijg ik altijd de kriebels van de VVD, maar Bell beschrijft zeer eloquent hoe het liberalisme in feite een veel breder amalgaam van denkbeelden is, dat dankzij zijn polyinterpretabele veelomvattendheid en historiografische flexibiliteit een centrale waarde is geworden in het westerse denken. Zeker sinds het liberalisme meer sociale interpretaties en projecties kreeg, rond het midden van de twintigste eeuw, zijn de inwoners van het Westen, aldus Bell, de ‘lijfeigenen van het liberalisme’ geworden, met de liberale democratie als het politieke equivalent.2

Bell gaat vervolgens in op de centrale plaats van het kolonialisme in het liberale denken in de negentiende eeuw. De schade die het liberalisme in Groot-Brittannië zelf en in de ingelijfde territoria veroorzaakte, werd meer dan goedgemaakt door de belofte van het settler colonialism. In het als leeg beschouwde overzeese grondgebied werd de bodem gelegd voor nieuwe staten, die in cultureel opzicht kopieën waren van het centrum (Groot-Brittannië), waar nieuwe lonkende markten ontstonden waar zonder oorlogsdreiging handel mee kon worden gedreven. De positie van de inheemse volkeren in onder meer Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw Zeeland, en in extenso ook Palestina, werd in deze toekomstvisie een puur lokaal probleem, dat de kolonisator in eerste instantie met diplomatieke banden het hoofd moest bieden, maar waar de op termijn soevereine staten via eigen jurisdictie mee konden afrekenen. (Trump koos als voorbeeldpresident Andrew Jackson, die in 1830 verantwoordelijk was voor de Indian Removal Act en een groot voorstander van slavernij). De tweede uitwas van het liberalisme is wat Bell de ‘liberale civilisatiemissie’ noemt: het streven naar culturele gelijkschakeling van overheerste samenlevingen en hun omvorming tot trouwe handelspartners. Hierdoor kwamen de onderdrukkende en gewelddadige aspecten van het liberalisme aan het licht die al vanaf het begin veel kritischer werden bejegend. Bell ziet als belangrijkste hedendaagse erfenis van het liberalisme de precaire positie van inheemse volkeren, die tot op de dag van vandaag voortduurt, en de uiterst moeizame omgang met ‘de ander’ binnen het liberale denken in het algemeen.

Chicago

Het Art Institute of Chicago is eveneens een gigantisch museum, met eenzelfde baaierd van afdelingen als in Boston en nog meer, zoals Architectuur. Net als in het Philadelphia Museum of Art (waar je zomaar een Japans dorp inloopt) heeft het zijn charmante, eigenaardige aspecten. Zo is een hal met kriskras opgestelde Aziatische kunst een verplichte route voor iedereen die van de indrukwekkende impressionisten naar de moderne kunst wil doorlopen. Het maakt je bewust van de ingesleten categorische stratificaties die je in elk museum tegenkomt en die nodig aan herziening toe zijn. De categorie Aziatische kunst bijvoorbeeld wordt steevast toegepast voor boeddhistische en hindoeïstische voorwerpen uit het verleden. De islamitische kunst hoort er dan weer niet bij hoewel veel eveneens uit Azië komt. Zowel deze afdelingen als de Afrikaanse kunst en native American art suggereren een strikte scheiding met de moderne Kunst. Zeker nu voor die laatste een nieuwe vleugel is geopend, ontworpen door de hier onvermijdelijke Renzo Piano. Het feit dat zowat elk museum in de Verenigde Staten bezig is met uitbreiding of nieuwbouw, of zoiets onlangs verwezenlijkte, zegt iets over prioriteiten, over de universele hang van het settler-colonial liberalisme naar schaalvergroting, waarmee oplossingen voor concrete kwesties per definitie in de toekomst en de oneindigheid worden geprojecteerd.

Het Art Institute ligt op een steenworp afstand van Anish Kapoors beroemde toeristensculptuur Cloud Gate en niet ver van een megalomane Trump Tower met aan de gevel de karakteristieke, tien meter hoge chocoladeletters. We zitten hier niet bepaald in de South Side. Chicago staat bekend als de meest gesegregeerde stad van de Verenigde Staten en dat zie je terug in het museum. De suppoosten zijn zonder uitzondering afkomstig uit de Afro-Amerikaanse gemeenschap. De top en de staf is blank. Is zo’n afstand nog te overbruggen? De museumfolder doet vermoeden dat er kansen zijn. Onder het kopje Learning Center is een foto van een zwarte vader met zijn kleine dochter gereproduceerd. Ze zitten er wat passief en lacherig bij, maar blijkbaar biedt het museum ze toch perspectief. Bij Becoming Member zien we een blank stel in een druk gesticulerende pose. Hun vitale, discursieve houding positioneert ze, in tegenstelling tot het zwarte stel dat zich nog in ‘educatieve fase’ bevindt, als ingewijden van de kunstinstelling. De vraag is natuurlijk wat de vader met zijn kind hier überhaupt komen leren. Hoe zij lid kunnen worden? Of anders suppoost? Het assimilatieperspectief dat hier geboden wordt, is tamelijk pover en op zijn best in lijn met de beladen civilisatiemissie van het liberaal-kolonialisme. Het Art Institute of Chicago afficheert zich nadrukkelijk met een globale missie. Misschien dat het daarom zo stuitend omgaat met zijn lokale missie. Duidelijk is dat het bouwen van nieuwe vleugels bij musea vooral intensere stratificaties en waterscheidingen oplevert, die het maken van verbanden dwars door verschillende landen en tijdperken heen, die in elke bewustwording van globalisering centraal horen te staan, eerder bemoeilijken.

Philadelphia

Het Philadelphia Museum of Art heeft een nieuwbouwvleugel voor moderne kunst gepland in 2028, die geheel ondergronds gaat onder leiding van architect Frank Gehry. Maar zover is het nog niet. Het Philadelphia Museum of Art is nu vooralsnog een dwaalmuseum waar je pardoes van de ene in de andere afdeling terecht kunt komen en waar je je goed bewust wordt van het feit dat de civilisatiemissie van het liberalisme feitelijk niet veel verschilt van het aloude  jagen-verzamelen. Het heeft daarnaast nog eens vier dependances. De grootste daarvan wordt dit najaar overgenomen door de Philadelphia Assembly, een project van de Nederlandse Jeanne van Heeswijk, wier opdracht het is om de stad in haar volle breedte bij het museum te betrekken. En dat lijkt hard nodig want het Philadelphia Museum of Art is een honderd procent blank feestje in een zwarte stad. Van Heeswijks project maakt het museum in ieder geval wat sympathieker dan het hoofdgebouw, een stedenbouwkundig dominant monster van het liberaal-classicisme, doet vermoeden. Het Philadelphia Museum of Art heeft meer sympathieke eigenaardigheden, die verder gaan dan alleen Duchamps installatie Étant Donnés. Zo is de afdeling Indiase kunst tot stand gekomen dankzij de Oostenrijks-Indiase Stella Kramrisch, die vlak na de opdeling van Brits-Indië bij het Amerikaanse museum in dienst kwam. Kramrisch had zich tot het hindoeïsme bekeerd. Door die wetenschap ga je anders kijken naar de objecten die zij bijeen heeft gebracht: alsof ze hedendaags zijn, klaar voor gebruik. Nog steeds probeert het museum haar collectie te activeren, niet door vormen van aanbidding te bevorderen vanuit religie, maar met een hedendaags kunstenaar als de Pakistaanse Shahzia Sikander. Het effect is echter anders. Je gaat je vooral realiseren dat een museum als het Philadelphia Museum of Art zijn vele objecten heeft kunnen bemachtigen via de per definitie onevenwichtige machtsverhoudingen van het liberalisme. Als die ‘andere’ volkeren inderdaad geciviliseerd moeten worden, dan zouden ze toch op hun minst over de eigen kunstschatten moeten kunnen blijven beschikken?

Door een figuur als Kramrisch ontdek je hoezeer museale objecten afhankelijk zijn van agency. Dan besef je pas hoezeer de musea zich eenzijdig afhankelijk hebben gemaakt van een monocultureel soort bemiddelaar: de museale agents, doorgaans seculiere, blanke, westerse lijfeigenen van het liberalisme. In Nederland is dit trouwens niet anders, ook al zijn de musea hier publieke instellingen, waar die in de Verenigde Staten zonder uitzondering privaat zijn. Beide claimen een publieke functie. Beide maken die slechts eenzijdig waar.

Dit artikel kwam mede tot stand in het kader van de NWO Museumbeurs.

1 Zie onder meer Mieke Bal, ‘The Meaning of “C” in C-Map’, in Post, 25 juni 2013, via: http://post.at.moma.org/content_items/248-the-meaning-of-c-in-c-map

2 Naar analogie van het boek van David Scott, Conscripts of Modernity – The Tragedy of Enlightenment, 2004. Zie Duncan Bell, Reordering the World: Essays on Liberalism and Empire, 2016.

Jelle Bouwhuis

PhD onderzoeker Moderne Kunstmusea, Globalisering en Diversiteit, VU Amsterdam

Recente artikelen