Mike Tyler
Mike Tyler
Terraforming
De mens die van tuinieren houdt, heeft over niet al te lange tijd zicht op een volkstuintje op Mars. Boerenkool zal er niet snel groeien, maar wellicht zit er op termijn wel iets groens en eetbaars in. Voor het zover is wacht een ingewikkeld proces van ’terraforming’, waar beeldend kunstenaar Mike Tyler al sinds jaren onderzoek naar doet.
Droom van een tuinarchitect: niet slechts een ruig stukje grond bewerken en beplanten tot omsloten tuin of hortus contemplativus, maar een complete planeet, waarbij de continenten als borders en gazons dienst doen en de rivieren en oceanen als waterpartijen en vijvers. Vanuit aards perspectief gezien komen Mars en Europa, een van de manen van Jupiter, het eerst in aanmerking voor terraforming, zoals dat heet. Mars omdat het dichtbij is (twee maanden reizen), een vierentwintiguursritme heeft, vier seizoenen en een temperatuur boven de nul graden Celsius rond de evenaar; Europa omdat het bedekt is met ijs waaronder water dat onder invloed van de magnetische trekkracht van de grote planeet vermoedelijk vloeibaar is – voorwaarde één voor het ontstaan en instandhouden van leven. Mars heeft de belangstelling van de Amerikanen en Russen, Europa vooral van de Europeanen.
Voordat je begint met de introductie van leven op een planeet, moet je wel eerst zeker weten dat er niet al levende organismen aanwezig zijn – vandaar de verkenningstochten naar de beide planeten. De Russen stuurden satellieten naar Mars en de Amerikanen voerden er landingen uit, als gevolg waarvan we nu meer weten over het oppervlak van Mars dan van de aarde. In de jaren zeventig zijn er al verdragen afgesloten over het eigendomsrecht van de rode planeet in geval van kolonisatie. De Europeanen hebben de Huygens-probe naar Europa gestuurd, waar hij over anderhalf jaar neerstort. Als je bedenkt dat het eerste leven op aarde te vinden was in gesteentelagen diep onder het aardoppervlak (dat zelf onleefbaar was vanwege het ultraviolet in de zonnestraling) en verder diep in zee nabij vulkanische warmwaterbronnen, dan zal duidelijk zijn dat het niet zo eenvoudig is om definitief vast te stellen of en waar er leven te vinden is op iets wat de indruk geeft een dood hemellichaam te zijn.
Er zijn globaal drie methoden van terraforming. De eerste, in 1984 door James Lovelock voorgesteld in The Greening of Mars, is een snelle, zij het gewelddadige aanpak: je bombardeert de planeet met grof geschut – atoombommen – waarna door de verhitting vanzelf een atmosfeer ontstaat waarin opnieuw organismen kunnen worden geïntroduceerd. Dat is natuurlijk altijd een van de eerste problemen: hoe krijg je een leefbare atmosfeer op een plek zonder zuurstof of andere organisch bruikbare gassen? Op aarde is de atmosfeer door levende wezens gecreëerd: vrij snel na het afkoelen van onze planeet verschenen op beschutte plekken de eerste blauwgroene algen die zuurstof produceerden en zo in de loop van één tot drie miljard jaar de giftige atmosfeer rond de aarde leefbaar maakten, waarna tijdens de Cambrische explosie opeens al die andere soorten organismen evolueerden waarvan wijzelf er één zijn.
Uitgaande van hoe het op Aarde is gegaan, is de tweede aanpak van terraforming de ecopoësis: je brengt de eerste stap van de voedselketen naar een planeet – de vermelde blauwgroene algen – en laat die een leefbare atmosfeer voortbrengen. Daar hoef je niet drie miljard jaar op te gaan zitten wachten, want met genetisch gemodificeerde, custom made organismen kan de evolutie aanzienlijk worden versneld. Denk bij ‘genetisch gemodificeerd’ niet alleen aan genetisch gemanipuleerde aardse organismen, maar ook aan planten die op subcellulair niveau zijn verrijkt met nanotechnologische computers, waardoor ze bijvoorbeeld geen koolzuur hoeven op te nemen in het licht of zuurstof in het donker omdat hun verbranding chemische sluiproutes kan volgen bij de aanmaak van suikers. Bovendien kun je ze snel en gericht laten evolueren al naar gelang de wijzigende omstandigheden, in plaats van te hopen dat die evolutie door het toeval op gang komt.
De derde vorm van terraforming ten slotte is kolonisatie: je brengt mensen naar een planeet alwaar ze in een soort bunkerarchitectuur gaan wonen en planten in kassen kweken, die ze vervolgens uitplanten in het minerale milieu rond de nederzettingen. Interessant hieraan is niet alleen de vraag hoe de meegebrachte planten en dieren zullen veranderen, maar ook hoe de mensen lichamelijk en geestelijk transformeren onder invloed van de andere zwaartekracht of de lagere zuurstofspanning die er op de andere planeten bestaat: wat voor inzichten doe je op als je heel lichte spieren hebt en gigantisch grote longen?
Welbeschouwd is er nog een vierde vorm van terraforming; en wel op de aarde zelf. Het gaat dan om het reguleren van de ecosfeer op de schaal van de hele planeet, dus om het instandhouden en herstellen van de atmosfeer in een tijd van global warming of het instandhouden en uitbreiden van de biodiversiteit (bij iedere woudreus die in het Braziliaanse oerbos wordt omgekapt, sterven gemiddeld zo’n honderd soorten insecten uit).
Wat terraforming vooral boeiend maakt voor ecobiologen is dat de ontwikkeling van leven op een nog levenloze planeet antwoord kan geven op de vraag hoe het leven op onze eigen planeet is ontstaan, of waar het vandaan is gekomen. Is het normaal dat er leven ontstaat zodra omstandigheden als luchtdruk, temperatuur, relatieve vochtigheid, toxiciteit van de atmosfeer en dergelijke een bepaalde vitale grens passeren, of is de aarde kosmisch gesproken uniek? In de afgelopen twintig, dertig jaar is ontdekt dat leven onder veel extremere omstandigheden kan bestaan dan vroeger voor mogelijk werd gehouden: in kilometers diep gelegen diepzeebronnen zijn organismen aangetroffen die geen zuurstof nodig hebben en geen licht, maar het wel volhouden onder de krankzinnig hoge druk van al dat water boven hen. Er zijn sporen van bacteriën gevonden van miljoenen jaren oud. Die sporen kunnen vrij probleemloos met het ruimtestof van planeet naar planeet drijven. De oude, lange tijd verworpen theorie van de ‘panspermie’, die luidt dat het hele universum gevuld is met levenskiemen, begint weer opgang te maken. Niet dát er leven op een planeet voorkomt behoeft verklaring, maar dat het op andere planeten niet voorkomt. Maar zelfs als het leven op aarde van elders is komen aanzweven, hoe is het daar verderop dan ontstaan?
Hortus Conclusus
In deze denkwereld hoort het werk thuis van Mike Tyler (1964, Ventura, Californië). Toen ik er in 1995 voor het eerst kennis mee maakte in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, meende ik dat de tuin van schelpenaarde, plankieren en algen in reageerbuizen die hij daar had aangelegd, een beeld gaf van onze toekomst, als alle planten zijn afgestorven onder invloed van de verhoogde UV-straling via het gat in de ozonlaag. Tylers werk toonde mijns inziens aan `hoe we de door ons zelf aangerichte ecologische catastrofen kunnen overleven: door de natuur te integreren in een technisch milieu waar nog de mooiste en wonderlijkste evoluties kunnen plaatsvinden’ (Metropolis M, augustus 1995). Dat zag ik toch te negatief, want dit werk ging niet over het uitsterven van onze huidige ecosfeer, maar het op gang brengen van een ecosfeer elders. Ik vermoed dat de dode schaaldieren in de schelpenaarde me het sombere toekomstperspectief aan de hand deden.
Tylers Hortus Primordium (Miller-Urey World) in het Provinciaal Museum Hasselt (1997) was wat dit betreft minder vatbaar voor misverstanden. In een zaal had Tyler een enorme hoeveelheid puingrond van vuursteen, kalk en mergel laten storten – vergelijkbaar met de roodachtige bodem van Mars – en hier situeerde hij de wereld uit het klassieke experiment van S.L. Miller uit 1953, waarin organische moleculen ontstonden door blikseminslagen in een vloeistof met dezelfde anorganische samenstelling als van de aardse oersoep van drieënhalf miljard jaar geleden: een eerste bewijs dat er primitief `leven’ kan ontstaan uit levenloze materie. Tyler deed hier zijn eerste experiment om Mars tot leven te brengen.
Een logische volgende stap was de oprichting van Nostoc, een bedrijf dat onderzoek naar nanotechnologische ingrepen op subcellulair niveau combineert met terraforming. Het hoofdkantoor zal worden gevestigd op La Palma, alwaar Tyler op de vulkaangronden volledig ontwikkelde korstmostuinen heeft aangetroffen. Nostoc heeft een eerste video uitgebracht, Nana reflects on the early years of Nostoc (1998), waarin we Nostoc-wetenschapster Nana Jeri de gevolgen voor onze buurplaneten zien bestuderen van wat in het jaar 3020 het meest geslaagde product van de firma is gebleken: de Seed-Sludge 41 (TM). De Seed Sludge is een anaërobe, door nanomachines gereguleerde bacterie-schimmel-hybride (hyper-korstmos) met micro-fauna bodemontwikkelaars, in cultuur opgekweekt op een glasachtige ondergrond die bekend staat als Glastoc (R) en die het organisme zowel van voedsel voorzag als verwarmde. De Seed-Sludge 41 vervulde op de andere planeten de rol die op aarde is gespeeld door het eencellige blauwgroene algengeslacht Nostoc, waaraan de firmanaam een eerbetoon wil zijn. Omdat de firma pas over een jaar of twintig wordt opgericht, kan Tyler op dit moment weinig anders dan eerste experimenten uitvoeren en alvast zijn herinneringen aan het werk van de firma opschrijven in Most beloved vessel – the Nostoc memoirs (ongepubliceerd manuscript).
Een planeet, elke planeet, is de ultieme hortus conclusus – het omsloten tuin of ‘hoofkijn’ waarin de middeleeuwse Suster Bertken al om ‘cruyt’ was gegaan en waarin nog altijd de ontmoeting plaatsvindt met God of hoe je de oorsprong van het leven – ‘die minre mijn’ – ook wilt noemen. Tylers overgrootvader legde dadelplantages aan in de Mojave woestijn, een staaltje terraforming op aarde, Mike Tyler doet iets dergelijks met Mars. Zonder een spoortje cynisme of heroïek, hooguit met verbazing, tracht hij levende systemen te creëren, het leven uit te zetten, uit te breiden, te herorganiseren en te transformeren. Daar gaat het toch om in de kunst? Waarom met minder genoegen nemen?
Arjen Mulder





