metropolis m

Octopus
Schone stad

Brugge 2002, Culturele Hoofdstad van Europa, heeft de hoofdbrokken binnen het luik beeldende kunst toevertrouwd aan twee van origine West-Vlamingen. De tentoonstelling Attachement + werd samengesteld door Roland Patteeuw en het stadsproject Octopus door Kurt Vanbelleghem (die samen met Els Roelandt A Prior, het tijdschrift en gelijknamige bureau voor artistieke productie in Brussel leidt). Brugge is een zielsmooie stad; een beetje in het verlengde van Venetië is het een plek die teert op het verheerlijken en ongerept in stand houden van het verleden. Hedendaagse kunst in deze stad kreeg tot op heden met moeite aandacht. De macht van het massatoerisme en het ontbreken van een specifieke infrastructuur om hedendaagse kunst te presenteren, leidden hier tot een desinteresse voor actuele kunst en daar is op zich niet eens iets mis mee. De vraag kan worden gesteld of iedere stad een museum voor hedendaagse kunst moet bouwen – per slot van rekening ligt Brugge op een steenworp afstand van steden als Oostende, Gent en Antwerpen.

Onder de titel Octopus eigent Vanbelleghem zich in Brugge bijna alle andere kunstmanifestaties toe. Maar tussen schone woorden en de realisatie van een alternatieve structuur voor hedendaagse kunst in Brugge staat zoiets als de ‘werkelijkheid’. Het is bijzonder jammer dat Vanbelleghem, die redelijke budgetten tot zijn beschikking heeft gehad, er niet in is geslaagd om kunst als een noodzaak te poneren voor de slapende ‘Schone’ stad. Octopus is een project geworden waar kop noch staart aan zit. De vele projecten onder haar noemer staan volkomen in de schaduw van de door Vanbelleghem zelf samengestelde Octopus in situ. Zelfs de catalogi van de andere deelprojecten zitten verborgen in de luxueuze Octopus-box die verkocht wordt voor 75 euro (!), wat voor mij bijna gelijk staat aan het onthouden van noodzakelijke informatie aan een breed publiek.

Kurt Vanbelleghem maakt niet alleen de informatie en de catalogi tot iets exclusiefs. Door de uitgestrektheid van de tentoonstelling wordt ook de bezichtiging van het werk tot een bijzondere opgave. Vanbelleghem die zegt ten strijde te willen trekken tegen de methodiek van de grote tentoonstellingen, stelt als alternatief een bustocht voor die leidt naar verschillende locaties op redelijke afstanden van het historische centrum. De bezoeker wordt meegesleurd van de ene plek naar de andere en komt op atypische locaties in contact met de andere zijde van Brugge. Onmiddellijk dient zich de vraag aan naar de relevantie van dit ‘alternatieve’ model en naar de definitie van wat Vanbelleghem het bespelen van ‘de mentale ruimte’ van de stad noemt. Betekent bijvoorbeeld het tonen van bijna niet te vinden kleine schilderijen van Robert Devriendt een meerwaarde voor deze kunst? Robert Devriendt stelt met zijn schitterende picturale productie op prentkaartformaat fundamentele vragen over schilderkunst, het statuut van de mimesis en de waarheid van de kunst, maar is dat hier allemaal op zijn plaats in een context waar de perceptie ervan a priori wordt belast met een voorafgaande zoektocht in een immens concertgebouw of een rumoerig café? Het is zoeken naar de kunst die soms, zoals in het geval van Joëlle Tuerlinckx die een stalen traliepoort van het voormalige slachthuis deels met bladgoud bedekte, interessant is voor specialisten, maar niet voor de meeste bezoekers – en daar moet een goedbedoelende curator toch ook aan denken. Op dit punt blijft Octopus een door Vanbelleghem in het leven geroepen fictie, alsof het tonen van werk van een kunstenaar op twee of drie locaties in combinatie met werk van anderen per definitie leidt tot ‘het doordringen tot de visie van de kunstenaar en de manier waarop hij met de werkelijkheid omgaat’.

Bijzonder als locatie is toch wel het gebied achter het Werfplein. Daar staan tal van containers opgesteld, die verbonden zijn met een pad van roodbeschilderd hout. Vooral de installatie van Frank Theys maakt indruk. De bezoeker staat in een ruimte te kijken naar videowalls waarop vliegen zich als het ware te pletter vliegen tegen de muren. Het is een bijzonder knap beeld, vooral door de omkering binnen-buiten. De constructie Schöne Aussicht 2 (60% Portikus) van Michael Elmgreen & Ingar Dragset is als architecturale reductie van Portikus (Frankfurt) een haast zelfkritische knipoog naar het container-kunstpark van Octopus. De tentoonstellingsruimte in Frankfurt bestaat uit een serie naastt naast elkaar geplaatste containers en is inmiddels uitgegroeid tot een legendarische plek. Maar waarom Elmgreen& Dragsets ruimte zonodig ook de plek voor de presentatie van foto’s van Brusselaar Koenraad Dedobbeleer moest worden, is mij een raadsel. Op die manier ontkracht je het naakte statement van Elmgreen & Dragset en degradeer je hun werk tot een decorum – een ‘kunstige’ drager voor een reeks (weliswaar) mooie foto’s. In die buurt is het vooral Job Koelewijn die met zijn mobiele cinema de blik perfect weet te kadreren naar de a-toeristische periferie. Gelardeerd met melancholieke muziek van Morricone kijk je vanuit pluchen zetels naar het tegendeel – een soort verwarde fabrieksite: een uitzicht waaraan je de stad Brugge totaal niet zou koppelen. Job Koelewijn was ook present op de binnenplaats van Café Republiek met een rolluik van een garage die automatisch op en neer gaat, vergelijkbaar met het opkomen en ondergaan van de zon. Pure poëzie. Voor een stad als Brugge is het bijzonder spijtig dat Kurt Vanbelleghem er niet in is geslaagd om de stad te enthousiasmeren voor kunst in een publieke context. Het project Octopus bewijst één ding: het museum of een kunsthal heeft vandaag meer dan ooit zin.

Luk Lambrecht

Recente artikelen