metropolis m

Omtrent metropolitane machinaties

In het kader van Groepsportretten van jonge architecten 2004: GP04, een project van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en het Fonds BKVB, werd aan vier teams van ontwerpers gevraagd hoe onze leefomgeving eruit zou zien indien we, wars van veiligheidsobsessies, zelf zouden mogen bepalen waar de grenzen liggen. ‘Op welke structurerende wijze kunnen veiligheid en risico gestalte geven aan de inrichting van Nederland?’, zo formuleren Theo Hauben en Marco Vermeulen van de organisator van het project Urban Affairs het uitgangspunt in Angst & Ruimte, het boek dat de neerslag vormt van deze reflectie van vier jonge ontwerpbureaus in Nederland over het thema. 1 De groep Untitled – bestaande uit Kersten Geers, David van Severen, architecte Milica Topalovic en ontwerper-fotograaf Bas Princen – vertrekt vanuit hetgeen men de Rotterdamse paradox zou kunnen noemen. Vanuit de verte suggereert de Rotterdamse skyline stedelijkheid, maar eens ter plekke gekomen blijkt die dichtheid volledig afwezig, of is onzichtbaar geworden.

In de ergernis of verwondering over de afwezigheid van grootstedelijke densiteit in Rotterdam kan ik me als regelmatige bezoeker van deze stad goed vinden. Nu kan ik me voorstellen dat mijn status als ‘regelmatige bezoeker’ me in de ogen van sommigen onmiddellijk diskwalificeert om ook maar iets zinnigs over deze stad te zeggen. Rotterdam heet namelijk ook een ‘moeilijke stad’ te zijn. Zelfs wanneer je Rotterdam regelmatig bezoekt is het mogelijk dat je ‘het’ niet vindt – al blijf ik wat graag openstaan voor de mogelijkheid. Het moedigt me in elk geval aan om Rotterdam te blijven bezoeken. De grote vraag daarbij is welke zin dat zou kunnen hebben, een verstopte stedelijkheid, een stedelijkheid als een discrete dark room, als ze er al is, hetgeen ik in deze hypothese dan maar even blijf aannemen? En wil ik Rotterdam eigenlijk nog wel het voordeel van de twijfel blijven geven?

Ik moet toegeven dat ik er veel voor voel om gewoon maar te zeggen wat ik denk. Dat is namelijk iets wat in Nederland altijd al mogelijk is geweest. Ik heb zin om te zeggen dat ik vrees dat Rotterdam het niet heeft. Rotterdam is geen stad, Rotterdam speelt stad. En dus beleef ik enig plezier van herkenning in het malicieuze duwtje van Untitled tegen de bordkartonnen skyline van Rotterdam, het decor dat moet simuleren dat hier van alles gebeurt. Gesteld dat Pim City inderdaad een Sim City is, een simulatie van een stad, hoe moet dit probleem, als het al een probleem is, worden aangepakt? Wat kan de remedie zijn voor dit soort stedelijke simulaties, dit soort metropolitane machinaties? Dat is het gevecht dat Untitled is aangegaan. Een gevecht dat een engagement voor de stad heet te zijn.

In de argumentatie van Untitled lees ik echter een problematische verschuiving. Mijn probleem is hoe men van de terechte klacht over de schijnstedelijkheid van Rotterdam komt bij de idee dat er pleinen zouden moeten worden gecreëerd. Want dat is het voorstel van Untitled, dat ‘Twee torens en een plein’ en ‘Een toren en een plein’ als repliek op de onzichtbare stedelijkheid van Rotterdam naar voor schuift. Alsof pleinen an sich zouden zorgen voor een metropolitane mood. De creatie van pleinen is niet voldoende voor de productie van een dense openbaar leven. Het begint er al mee dat openbare ruimte vanzelfsprekend iets anders is dan de archetypische open ruimte die het plein is. Openbaarheid situeert zich vandaag in de eerste plaats in de media en is bijgevolg een gemedieerde relatie, veeleer dan dat ze afhankelijk zou zijn van een fysiek, rechtstreeks contact. Nu kan ik me voorstellen dat men in deze tijden van mediatisering een lans wil blijven breken voor het onmiddellijke, directe contact als voorwaarde van een bepaald soort presentatie en dito openbaarheid. Maar zelfs dan blijft de vraag of de productie van open ruimte garant staat voor dit soort contact en dito openbaarheid. Rotterdam, dat is mijn indruk, heeft juist te veel open ruimte. En ongetwijfeld kan dat teveel aan open ruimte teruggebracht worden naar het feit dat er in Rotterdam te veel torens zijn. Te veel open ruimte is wat men krijgt als grond niet schaars is en er toch bij voorkeur in de hoogte wordt gebouwd. Maar waarom is een teveel aan open ruimte niet per se bevorderlijk voor openbaarheid als mogelijkheid van het directe, fysieke contact?

Hier wil ik graag iets toevoegen aan het multiculturele debat dat er al mee begint dat jullie Nederlanders zijn en ik niet. Het probleem van het teveel aan open ruimte laat zich namelijk verklaren door het feit dat jullie Nederlanders zo graag fietsen. Fietsen staat zelfs op het programma van jullie inburgeringscursussen. Het maakt blijkbaar deel uit van jullie cultuur. En dan zouden wij daar geen kritiek op mogen hebben. Welnu, het moet toch maar eens gezegd, en ik ben graag degene die het eindelijk durft te zeggen: de fiets is maar niets. Het is geen stedelijk vervoermiddel. Met de fiets zitten we meteen vast in de klei, in de polders, op de hei. We zijn overal, in de bergen, aan zee, maar we zijn niet in de stad.

Indien de fiets het ideale vervoermiddel is, dan betekent dit dat alles eigenlijk te ver van elkaar ligt. Of van elkaar mag liggen, want je hebt toch een fiets. En waar alles te ver van elkaar ligt, heb je veel open ruimte. Het maakt voor het aanvoelen van een stad een heel verschil of mensen er zich bij voorkeur fietsend door bewegen, dan wel wandelend. Wanneer de fietser een bekende tegenligger ontmoet, dan moeten beiden beslissen of ze zullen remmen of niet, dan wel of ze er zich met een ‘doei’ vanaf zullen maken. Voetgangers hoeven, wanneer zij elkaar ontmoeten, niet te beslissen of ze zullen remmen. In steden waar mensen zich bij voorkeur te voet verplaatsen, zijn de kansen op korte ontmoetingen rijker.

Wat in Rotterdam opvalt, is de immense open ruimte, die niets anders dan ruimte moet zijn. Neem bijvoorbeeld de trambanen op een aantal grote lanen, zoals Blaak en de Coolsingel. Daar kan men gewoon ook een hogesnelheidslijn in aanbrengen. Wat een zee van ruimte heeft de voorbijrinkelende tram daar. Het duurt een eeuwigheid vooraleer de arme voetganger aan de overkant van de weg geraakt. Blaak, de Coolsingel, ze zijn breder dan een Belgische autosnelweg. En dat dwars door het stadscentrum. Terwijl ik dacht – maar dat is allicht weer zo’n cultureel bepaald vooroordeel – dat jullie Nederlanders hielden van gezelligheid.

Is het allemaal de schuld van architecten en stedenbouwkundigen wanneer een stad geen stad blijkt te zijn, wanneer de van heinde en verre zichtbare stedelijkheid ter plekke volledig blijkt te verdampen? Of zouden de bewoners en de gebruikers er ook nog een rol spelen? Er is natuurlijk ook een verband tussen verpaupering en een manco aan metropolitaan gedruis. Het feit dat Rotterdam een stad wil zijn, maar daar niet in slaagt, heeft ook te maken met haar sociale samenstelling. En aan die samenstelling valt met architecturaal en urbanistisch voluntarisme weinig te verhelpen. Het demografische voluntarisme dat in Rotterdam alleen nog mensen met een bepaald kapitaal wil toelaten is vanzelfsprekend ook een gruwel. Wat moet er dan wel gebeuren?

Misschien moet Rotterdam niet zo krampachtig proberen het soort stad te zijn dat het nooit zal kunnen worden. Rotterdam zal nooit een global city worden om de heel eenvoudige reden dat Amsterdam dat al is in deze uithoek van Europa. Misschien moet Rotterdam wat meer naar Marseille kijken, in plaats van naar Miami. Misschien moet het gewoon zijn armoede omarmen. Armoede kan ook schoon zijn, en levendig en dens en stedelijk. Men moet voor Rotterdam een esthetiek van de armoede beginnen te ontwerpen. Men moet de spiegelgevelglitter aan diggelen slaan. Men moet de eigen underdogpositie bevestigen. Untitled blijft daarentegen, ondanks het torenhoge engagement voor de stad dat het tentoon spreidt, steken in de fascinatie voor de toren. En men kan zich afvragen of het werkelijk meer is dan ironie om te betogen dat een toren ook een plein kan zijn. Untitled heeft beslist een punt wanneer het stelt dat Ossip Zadkines sculptuur Monument voor een verwoeste stad, toch lange tijd sinds zijn onthulling in 1953 het icoon bij uitstek van de heropbouw van Rotterdam, inmiddels haast even onzichtbaar en banaal is geworden als een parkeerticketautomaat. Toch kan men zich de vraag stellen of hun voorstel om over Zadkines vergeten sculptuur een 72,9 meter hoge glazen toren met L-vormige hellingbanen als een soort schrijn heen te plaatsen van de weeromstuit geen al te grote toegift is aan de sonyficatie van de zichtbaarheid die precies verklaart waarom dit beeld, ondanks zijn monumentaliteit, vandaag onzichtbaar is geworden.

Nog even en we hebben Potsdamer Platz: een plein, een toren, wie zal het zeggen? Het hoeft er echter allemaal niet zo duur en Sony uit te zien. Denk aan de wijk Kreuzberg in Berlijn. Hoe arm is die wijk niet, maar ook: hoe levendig, hoe dens, hoe stedelijk. Wat een verademing ook na de metropolitane machinaties van Potsdamer Platz. Kreuzberg, niet Mitte, moet het model worden voor Rotterdam.

1. Angst & Ruimte. De visie van jonge ontwerpers in Nederland. Groepsportretten van jonge architecten 2004, red. Urban Affairs, NAi Uitgevers, 2004. Zie ook www.gpo4.nl

Met dank aan Untitled (Kersten Geers, David van Severen, Milica Topalovic en Bas Princen) voor hun toelating voor het gebruik van illustraties bij deze tekst.

Dieter Lesage

Recente artikelen