metropolis m

Collectiepresentatie Collectie als Kosmos, 2026, tentoonstellingsontwerp Matilde Cassani, curator Jolande Zola Zoli van der Heide, Van Abbemuseum Eindhoven, foto Peter Cox

In een tentoonstellingsontwerp komen verschillende vragen samen: hoe leid je een bezoeker door een ruimte, wanneer moet een ontwerp zichtbaar aanwezig zijn en wanneer juist ondersteunend blijven? Hoe verhoudt het zich tot de autonomie van kunstwerken, en welke rol spelen duurzaamheid, toegankelijkheid en inclusie in het ontwerpproces? In dialoog met Flora van Gaalen zet Vincent van Velsen verschillende ontwerpvraagstukken uiteen aan de hand van recente tentoonstellingen en ontwerppraktijken.

Een tentoonstellingsontwerp draait in de eerste plaats om het op een passende manier overbrengen van een verhaal en het ondersteunen van de objecten die daarin een rol spelen. Inzichtelijkheid is daarbij belangrijk: dat mensen begrijpen waar ze zich bevinden in de tentoonstelling, en wat ze nog kunnen verwachten. De ontwerper gidst hen daar doorheen. Daarnaast zijn er de lagen van grafisch ontwerp: de vormgeving en plaatsing van muurteksten en eventueel ander 2D-materiaal: waar toon je dat, hoe ziet het eruit en hoe verhoudt het zich tot de ruimte? Het gaat ook over oriëntatie, routing en materiaalkeuze. In dat kader is het goed om te beseffen dat er verschillende ontwerptradities bestaan. Een mooi overzicht daarvan was te zien in de tentoonstelling Art on Display 1949-69 (samengesteld door Dirk van den Heuvel en Penelope Curtis, Nieuwe Instituut en Gulbenkian, 2019-2021), waarin de iconische presentatievoorstellen van onder meer Aldo van Eyck, Lina Bo Bardi en Alison & Peter Smithson centraal stonden. De tentoonstelling liet zien hoe uiteenlopend de benaderingen van het tonen van kunst kunnen zijn. Binnen een etnografische context is dat weer heel anders.

Art on Display, 1949-69, 2021, in Nieuwe Instituut, foto Johannes Schwartz

Huisstijl tegenover tijdelijkheid

Soms vraagt een tentoonstelling om een nadrukkelijk aanwezig ontwerp, met theatraliteit om de boodschap over te brengen. In andere gevallen moet het ontwerp subtieler zijn: aanwezig op een manier die niet onmiddellijk als afzonderlijke ingreep wordt ervaren. Het ligt dan in het verlengde van het concept en functioneert vooral ondersteunend.

Denk aan Blue Dots van Studio Mesch in het Stedelijk Museum Amsterdam, waarbij hun ingrepen in de vorm van abstracte kleurvlakken heel logisch aanvoelden. Ze waren eenvoudigweg gebaseerd op de titel van de tentoonstelling, maar tegelijk qua schaal en positionering dermate passend dat ze het visuele ritme in de zaal ondersteunden zonder de werken te overschaduwen. Dat heeft overeenkomsten met de manier waarop Olivier Goethals te werk gaat. Hij werkt altijd vanuit bestaande ruimte en architectuur, analyseert deze heel meticuleus en plaatst tijdelijke ingrepen zo precies dat ze bijna vanzelfsprekend lijken. Voor een bezoeker die een ruimte niet eerder heeft bezocht kan het zijn dat het niet direct duidelijk is dat het om een tijdelijke ingreep gaat. Tegelijkertijd maakt hij frictie zichtbaar, zoals hij uiteenzet in het boek Play Sincerely! (2022), bijvoorbeeld door achterkanten en ondersteunende structuren niet te verbergen. Zijn ontwerpen balanceren daardoor tussen vanzelfsprekendheid en verstoring.

Ruimtelijke interventie van Olivier Goethals bij Kunsthal Gent, 2019, foto Michiel Decleene

Theatraliteit

Anderzijds zijn er ontwerpen die nadrukkelijk over de top zijn, en dat ook moeten zijn. Timelesstime van Maison de Faux bij MU is daar een voorbeeld van: een totaalervaring waarin live performance een belangrijk element vormde. Ook Welcome to the Dreamhouse in het Groninger Museum, ontworpen door Marloes en Wikke, past in deze lijn. Zij ensceneerden de postmoderne designcollectie als een filmisch huis, inclusief rondslingerende asbakken en speelgoed. De suggestie dat de hiërarchie tussen museaal object en gebruiksvoorwerp wordt losgelaten, zet aan tot beter kijken.

De nieuwe collectieopstelling van het Verzetsmuseum, ontworpen door Ilona Laurijsse, werkt als een totaalbeleving. De bezoeker stapt direct een andere wereld binnen: die van de Tweede Wereldoorlog. Zulke ontwerpen doen denken aan theater of setdesign. Ze nemen de bezoeker mee, vaak met een educatief doel, maar kunnen daardoor ook leiden tot een sterk afgeronde ervaring. Een ontwerp dat meer ruimte laat voor interpretatie zorgt er juist voor dat de bezoeker zelf verbanden probeert te leggen.

TIMELESSTIME van MAISON the FAUX bij MU Hybrid Art House, Eindhoven, 2023, foto Boudewijn Bollmann
Pluriversum, tentoonstellingsontwerp Sean Leonard van Alice Yard, courtesy Nieuwe Instituut, Rotterdam
TIMELESSTIME van MAISON the FAUX bij MU Hybrid Art House, Eindhoven, 2023, foto Boudewijn Bollmann

Aanwezigheid

In het Van Abbemuseum opende afgelopen juni Collectie als Kosmos. Het is het vervolg op de eerdere multizintuiglijke collectiepresentatie Dwarsverbanden (2021), waarin toegankelijkheid en uiteenlopende bezoekerservaringen nadrukkelijk werden bevraagd via het ruimtelijk ontwerp van Diogo Passarinho en het grafisch ontwerp van The Rodina. Dit deden ze met een grafische aanwezigheid die soms tegen het illustratieve aanhing, gebruikmakend van veel tapijt en kleurrijke ingrepen. Op die manier werd toegankelijkheid expliciet bevraagd en werd de kunst onderdeel van een totaalervaring.

Collectie als Kosmos kiest wederom voor een zichtbaar aanwezig ontwerp, dit keer van Matilde Cassani die met behulp van speciaal ontworpen elementen, zoals een speciale lambrizering de presentatie tot een totaalinstallatie maakt, waarin bovendien op een heel vrije manier met de kunstwerken is omgesprongen. Het white cube-model, met sporadische of schaarse werken aan de wand, wordt hier losgelaten. Dat is zowel een ontwerpkeuze als een curatoriële keuze. Met het uitgangspunt om het bestaansrecht en de levensloop van de collectie te bevragen, waarbij de ontstaansgeschiedenis en receptiegeschiedenis worden samengebracht met vragen over (veranderende) waardering van makers en werken. Ook is er ruimte voor inbreng van bezoekers. 

Op een bepaalde manier voelt het ontwerp ook als een sterfhuis. Met ‘afgerokte’ muren in zalen waar de werken worden opgebaard, wachtend om bekeken te worden, of juist te vergaan – blootgesteld aan de blik van de toeschouwer of het blekende museumlicht. De opstelling als voorportaal waarna het werk wordt afgevoerd: terug naar het depot óf naar het graf dat LAMO (Leidraad Afstoting Museale Objecten) heet. Afscheid nemen is een zeer aanwezig thema waarbij afstoting wordt geopperd. Hier is ook een relatie tot het idee dat in het museum de kunst niet meer levend is (‘Statues meurent aussi’). De onorthodoxe omgang van de salonpresentatie met moderne en hedendaagse werken in het ontwerp past bij het concept van de presentatie als levendig, niet geïsoleerd en enerverend in plaats van stilstaand, bevroren in de tijd en doods.

Dergelijke speelsheid en eveneens een zeer aanwezig ontwerp zie je ook in het ontwerp van de VBCN tentoonstelling Greige Fantastic van Maia Kenney in De Nederlandsche Bank. De door het Rotterdamse designcollectief Paskamer ontworpen tentoonstelling vindt plaats in een complexe ruimte die niet optimaal is voor het tonen van kunst. De grijze kantoorgang is omgevormd tot een bezielde omgeving, waarin kunstenaar Ginevra Petrozzi als ‘heks’ de onvervulde behoeftes van zeventien kunstwerken uit Nederlandse bedrijfscollecties probeert te achterhalen. Op basis van interviews met de betrokken kunstenaars voegde zij subtiele ingrepen toe, waaronder een schaal met gedroogde jasmijnbloemen en een kussen om op te rusten. Dit resulteert in een situatie waarin de kunstwerken en het ruimtelijk ontwerp één geheel vormen, maar roept ook de vraag op in hoeverre de werken nog autonoom kunnen worden waargenomen.

Jordan Herregraven (Stichting Kunst & Historisch Bezit a.s.r. & Aegon), Alice Brasser (Kunstcollectie Coöperatie DELA), onderdeel van Greige Fantastic, tentoonstellingsontwerp Paskamer, courtesy VBCN, foto Gert Jan de Rooij

Minimalistische tonaliteit

Een goed contrast vormt Caravaggio-Bernini. Barok in Rome, de tentoonstelling die Formafantasma in 2020 vormgaf voor het Rijksmuseum. Zij brachten rust door het gebruik van hele duidelijke kleurvlakken, sokkels en zitgelegenheid in een aantal duidelijke kleurtonen. Het is ondertussen hun stilistische signatuur geworden, een minimalistische werkwijze die zeer aanwezig en leidend is, maar de werken zeker niet overschreeuwt. Het doet denken aan eerder Italiaans ontwerp als Superstudio en Scarpa met aandacht voor materiaal, eenduidige ingrepen en geometrische lijnen. De rijke beelden van de barokke schilderijen krijgen een tonale omlijsting en een rustige geometrische omgeving. Hier zie je heel goed waarom het duo established is geworden.

Duurzaamheid

Dit aspect gaat meer over proces dan over uitkomst. De rol van de opdrachtgever is essentieel. Al bij het formuleren van de opdracht moet duidelijk zijn dat materiaalbesparing, hergebruik en bewaring onderdeel zijn van het doel. Ook moet de opdrachtgever weten welk materiaal uit eerdere tentoonstellingen beschikbaar is. De opdracht zou bovendien niet bij oplevering moeten eindigen, maar pas bij afbouw.

Momenteel wordt er veel nagedacht over manieren om milieuvriendelijkheid meetbaar te maken. Zo is er de Carbon Calculator van de Gallery Climate Coalition, waarmee je redelijk eenvoudig kunt uitrekenen wat de CO₂-belasting is van je tentoonstelling. Er zijn een aantal bureaus zoals Maarten Kolk (onder meer Zuiderzee Museum en het TextielMuseum) en Roel Huisman & Bart van Merode die hier vooruitstrevend en expliciet onderzoek naar doen, maar vele anderen doen dit ook op een minder uitgesproken en soms ook noodgedwongen manier. Niet in de laatste plaats omdat dit steeds meer een standaard werkwijze is geworden. Internationaal heb je ArkDes (het Zweeds architectuur- en designmuseum) in Stockholm die bijvoorbeeld hun hele presentatie modulair hebben gemaakt, met aanpasbare en verplaatsbare display-objecten gemaakt van materiaal van een eerdere installatie.
Voor In Search of the Pluriverse  (Nieuwe Instituut, 2022) werkten grafisch ontwerper Miquel Hervás Gomez en ruimtelijk ontwerper Sean Leonard van Alice Yard (Trinidad & Tobago) met de materialen en displays van de voorgaande expositie om hun eigen presentatie vorm te geven. Een ander voorbeeld is Future Generation: This is 2072 dat Lindsey van de Wetering en Hanna Prinssen in 2022 maakten voor de Internationale Architectuur Biennale Rotterdam. Met felgekleurde spanbanden combineerden zij tweedehands meubels en bouwmateriaal tot unieke sokkels. Zo vestigden zij de aandacht op de waarde van wat overblijft. Het ontwerp kreeg naderhand in verschillende interieurs nog een volgend leven.

Model van Afaina de Jong uit Unruly Process: Future, Present, Past., 29.5 t/m 5.7.2026, zaaloverzicht, Van Eesterenmuseum, Amsterdam, fotograaf Philip Nkansah Boakye

Diversiteit, toegankelijkheid en inclusie

Zico Lopes van Spatial Codes vertrekt sterk vanuit de vraag wat de verschillende publieken en makers nodig hebben. Hij creëert platforms of ruimtes vanuit dialoog zodat het getoonde op de meest optimale wijze gepresenteerd kan worden, zoals zijn ontwerp voor het nieuwe onderkomen van TENT. Die benadering heeft overeenkomsten met de manier waarop Setareh Noorani & Jelmer Teunissen (grafisch ontwerp Lydienne Albertoe) werkten aan Funeral for Street Culture (2021) van Metro54 bij Framer Framed. Elk getoond project kreeg een specifieke ruimte binnen de tentoonstelling, maar droeg tegelijk bij aan het geheel.

Belangrijk is om ook Afaina de Jong te noemen, die met haar studio AFARAI een sterke signatuur en herkenbare, uitgesproken praktijk heeft ontwikkeld. In haar monografische expositie bij het Van Eesterenmuseum zie je dat ze met specifieke vormen werkt, met veel doorkijkjes en structuren waarin transparantie en perspectieven een belangrijke rol spelen. Soms gebeurt dat letterlijk in de vorm van spiegels. De bezoeker wordt geconfronteerd met de eigen blik, of juist met een moment waarop je wordt geconfronteerd met andere bezoekers. Hierdoor word je je bewust van je eigen positie en je eigen zichtlijnen, en daarmee metaforisch ook je eigen perspectief. De vraag wordt daarmee ingeleid: voor wie is deze ruimte vanzelfsprekend, comfortabel, en voor wie niet? Dat is een vraag over toegankelijkheid op een doelgroepniveau. Wie beschouw je als je bezoeker en voor wie wil je dit bezoek aangenaam, comfortabel of herkenbaar maken? Bepaalde visuele codes, zoals de white cube, kunnen voor sommige bezoekers vertrouwd zijn, terwijl ze voor anderen afstandelijk of zelfs onheilspellend aanvoelen. Het gaat om het bewust zijn van connotaties van bepaalde vormen en het voortbrengen van herkenbaarheid en codes voor verschillende groepen. 

Wie beschouw je als je bezoeker en voor wie wil je dit bezoek aangenaam, comfortabel of herkenbaar maken?

Bij Edgelanders van Raul Balai en Ehsan Fardjadniya (De Appel, 2024) was het ongemak juist uitgangspunt van de presentatie. Zij creëerden een oncomfortabele omgeving omdat zo’n plek precies is hoe ongedocumenteerden de stad elke dag ervaren. De installatie was daardoor helaas niet toegankelijk voor mensen die slecht ter been zijn of in een rolstoel zitten, al waren de werken op de begane grond wel op iPads te zien. Dat was een hele bewuste keuze van de makers, omdat de esthetiek en het gevoel van ongemak en ontoegankelijkheid van dermate groot belang waren dat dit boven fysieke toegankelijkheid werd gesteld. Dit toont dat bewustzijn over ontwerpkeuzes en vraagstukken een essentieel onderdeel is van het ontwerpproces. Het gaat om precies zijn in doelstellingen om keuzes te kunnen beargumenteren met het oog op ervaring en concept. Dat zag je ook bij de manier waarop de tentoonstelling Anarchist Citizenship (Framer Framed, 2024) juist intimiteit en directe interactie faciliteerde. Gebogen vormen, kleine ruimtes en nissen, ontworpen door Rashid Ali, creëerden intimiteit en directe ontmoeting met de veelal fotografische portretten. 

Meerstemmigheid is vaak een experiment: wat voor de een esthetisch comfortabel is, is voor de ander juist vijandig en onaangenaam. Bewustzijn over die overwegingen is essentieel en vaak nog ondergewaardeerd omdat het zo veel van een bezoek ervaring vooraf kadert, stuurt en vormgeeft.

DEZE TEKST IS GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M 4-2026 NUMMER SHOWNOTES – IN DIT NUMMER MEERDERE ARTIKELEN OVER TENTOONSTELLINGSONTWERP. STEUN METROPOLIS M NEEM EEN ABONNEMENT. KLIK HIER

Deze tekst is tot stand gekomen in samenwerking met Flora van Gaalen, voormalig hoofd Programma bij het Nieuwe Instituut en momenteel hoofd Publiek & Programmering bij Allard Pierson.

Vincent van Velsen

is conservator hedendaagse kunst bij Centraal Museum en en redacteur Metropolis M

Recente artikelen