metropolis m

Of het nu lag aan de ondergang van het communisme, aan de opmars van de informatietechnologie, of gewoon aan de economische groei, in de jaren negentig kwam het project van de maatschappijkritiek onder druk te staan. Mensen in beroepen en praktijken die historisch gezien de taak opvatten om de samenleving op zijn gebreken te wijzen, namen afstand van die rol. In de kunst, in de wetenschap, en in sociale bewegingen werd het aangaan van verbanden met maatschappelijke instanties (van overheid tot bedrijfsleven) openlijk en nadrukkelijk verkozen boven de kritische afstand en de systematische kritiek op de status quo. Sterker nog, in deze periode werdt de maatschappijkritiek zelf een geliefd doelwit van kritiek: de term werd wel geassocieerd met hypocrisie en dogmatisme.

Om te beginnen moeten we de betekenis van deze kritiek op de kritiek niet overschatten. Maatschappijkritiek is altijd een controversieel project geweest, een onderneming waar de meerderheid zich nooit in heeft kunnen vinden. Het kritische project is gedurende haar hele geschiedenis een onderstroom geweest, of we die geschiedenis nu laten beginnen met de Marxistische beweging, de strijd tegen de slavernij, de Franse revolutie, of de filosofie van Socrates.

De kritiek is sinds haar onstaan een doelwit van kritiek. Dat lot staat in haar geboorte-akte beschreven. Het verhaal van de filosoof Socrates die voor het gerecht gesleept en veroordeeld wordt vanwege het ondermijnen van de jeugd, is twee en een halve eeuw oud.

Sinds een paar jaar is er bovendien volop reden en gelegenheid voor kritiek. Met de dreiging dat het doek wel eens gevallen zou kunnen zijn voor de kritiek, valt het dus ook in dat opzicht wel mee. Er zijn aanleidingen voor kritiek te over. De sociaal-economische gevolgen van mondialisering; de aanslagen van 11 september, en het politieke antwoord daarop, namelijk de politiek van het inbinden van burgelijke vrijheden en rechten; de oorlog in Irak, dat wil zeggen, de her-introductie van het verschijnsel van een door westerse machten geleide bezettingsoorlog; de toename of het voortbestaan van de meest verschrikkelijke wantoestanden (armoede, ziekte, geweld); of de recessie in Nederland. Onder zulke omstandigheden, is er geen gebrek aan redenen om de maatschappij op haar gebreken te wijzen. Zijn de demonstraties tegen globalisering van de afgelopen tijd niet bewijs genoeg dat de mode van de post-kritische of zelfs a-kritische houding inmiddels is overgewaaid?

Ook al heeft het project van maatschappijkritiek altijd op flink wat kritiek kunnen rekenen, en ookal lijken gouden tijden te zijn aangebroken voor kritiek, de vraag blijft toch relevant hoe precies de maatschappijkritiek de recente kritiek aan haar adres heeft overleeft. Tot de critici behoren per slot ook mensen van wie juist affiniteit met de kritische houding verwacht kon worden, al was het maar om historische redenen: van activisten, wetenschappers, kunstenaars, theoretici. Hier lijkt meer aan de hand dan het gebruikelijke gekat van conservatievelingen, gematigden, en levensgenieters op radicale progressivo’s en hun getrap tegen heilige huisjes en gedram om verbetering.

Dat in de jaren negentig de problemen van de klassieke formule van maatschappij-kritiek in beeld kwamen, maar ook mogelijkheden voor vernieuwing van de kritiek — want natuurlijk was dat ook aan de gang ! —, had alles te maken met de opkomst van wat het het regime van interactiviteit genoemd kan worden. Daarbij moet je niet alleen denken aan de mode die zei dat kunstenaars, wetenschappers en activisten vooral de dialoog moeten aangaan, met het publiek, met het object van onderzoek, met het doelwit van activisme, en/of met de maatschappelijke context, en hen actief in hun werk moesten betrekken. Regime van interactiviteit verwijst ook naar de situatie waarin mensen, onbewust en misschien ongewild, betrokken blijken te zijn in complexe verbanden van wederzijdse afhankelijkheid. Het is al vaak gezegd, met de opmars van informatienetwerken, met wereldwijde migratie, en met de mondialisering van markten, et cetera, zijn we in een wereld beland van verstrekkende interdependentie. Of het nu gaat over voedselketens of subsidiestromen, over de circulatie van culturele iconen of computeronderdelen, over golven van werkgelegenheid en werkeloosheid, in al dit soort gevallen valt de enorme afhankelijkheid tussen gebeurtenissen op uiteenlopende plaatsen niet te ontkennen. In hoeverre de wereldwijde wederzijdse afhankelijkheiden van vandaag nieuw zijn, of alleen maar recentelijk onder de aandacht zijn gekomen, maakt niet zoveel uit. Met het in beeld verschijnen van deze wederzijdse afhankelijkheden, wordt één eis die klassiek gezien aan kritiek gesteld werd, een onmogelijke eis: die van de afstand tot het object van kritiek.

Traditioneel gezien, is het in het van cruciaal belang voor de integriteit van de kritiek dat de criticus en zijn doelwit zo ver mogelijk uit elkaar liggen. Om een super-klassieke kritische intellectueel als voorbeeld te gebruiken, de filosoof Jean-Paul Sartre (degene die zei dat hij zijn pen als een zwaard kon gebruiken). Zijn kritiek op de burgelijke samenleving was geloofwaardig, op voorwaarde dat hijzelf vrij was van de zonden die hij in de maatschappij aanwees. En om weer een lichtelijk absurd voorbeeld te geven van het soort van zuiverheid die voor een criticus als Sartre vereist was: Sartre moest er wel een compleet anti-burgerlijk seksleven op na houden, wilden zijn betogingen over de pathologische effecten van de burgelijke monogamie overtuigen. Deze eis van de zuiverheid van het kritische positie, nu, wordt een onhoudbare absurditeit onder het regime van de interactiviteit.

In de interactieve wereld van de jaren negentig werd duidelijk dat de praktische voorwaarden voor activisme, wetenschap en kunst met zich meebrachten dat deze praktijken ingesponnen waren in complexe maatschappelijke verbanden. Dat wil zeggen, deze praktijken bleken haast onvermijdelijk in verband te staan, hoe indirect ook, met gevestigde maatschappelijke instituties. Of het nu kwam door de opmars van de netwerktechnologie, door de macht van de metafoor van het netwerk, of door het (tijdelijk ?) wegvallen van alle grote ideologiëen behalve de liberale, valt niet met zekerheid te zeggen. Maar in de jaren negentig werd de onzuivere positie karakteristiek voor praktijken die historisch gezien met het kritische project geassocieerd werden, activisme, kunst, wetenschap. Hier is alles en iedereen in ieder geval gedeeltelijk geïmpliceerd in maatschappelijke relaties, al was het alleen maar vanwege praktische behoeften (geld !).

De onzuiverheid van de positie van potentiële criticasters is wel geïnterpreteerd als een bewijs voor het einde van de maatschappij-kritiek. Hierbij valt te denken aan de ontboezemingen in de media van ex-critici die, eenmaal beroemd en/of rijk, met veel tamtam verklaren afstand genomen te hebben van hun kritische verleden. Je kan ook denken aan de stelling dat de liberale democratische samenleving nu definitief de hegemonie heeft, gepropageerd door ondermeer de Amerikaanse politicoloog Fukuyama. Maar voor hen die niet geloven in de dramatische historische break die in dit soort bekentenissen verondersteld wordt; voor hen die vaststellen dat er met of zonder einde aan het grote verhaal van het socialisme meer dan genoeg te bekritiseren overblijft, met op de eerste plaats het wangedrag van grote bedrijven en sterke overheden, voor al diegenen ligt de zaak anders. Vanuit dit perspectief wijst het einde van de zuivere kritiek eerder op een niet onwelkome transformatie van de kritiek.

Onzuivere kritiek levert kritiek vanuit een positie die niet absoluut losgekoppeld kan worden van maatschappelijke verbanden, maar daar deels in ingesponnen is. Deze vorm van kritiek ontleent haar inspiratie niet zozeer aan de afstand tot het object van kritiek, maar aan het geïmpliceerd zijn in dit object.

Niet een zo groot mogelijke afstand tussen de criticus van zijn doelwit, maar de gedeeltelijke verbondenheid met het onderwerp van kritiek — om maar wat te noemen : de voedsel-keten en de levensmiddelen-industrie — is hier de bron van kritische betrokkenheid. Bijvoorbeeld, niet de absolute afstand tot de industrie, maar het geïmpliceerd zijn in de voedselketen, waarin ook de industrie een belangrijke schakel vormt, is hier de aanleiding en mogelijkheidsvoorwaarde voor kritiek.

De verschuiving van een zuivere naar een onzuivere kritiek die we zo kunnen vaststellen, bewijst dat de kritiek op de kritiek van de jaren negentig bijzonder was. De kritiek, die na deze kritiek in beeld verschijnt, is een andere, dan de kritiek die uit beeld verdween aan het einde van de jaren tachtig. Het is een kritiek, die betrokken kan zijn, niet vanwege de afstand die haar van het object van kritiek scheidt, maar vanwege haar verbondenheid met dat object. (Wordt vervolgd.)

Noortje Marres

Recente artikelen