Op losse schroeven
Controversieel
Op het Museumplein in Amsterdam gebeuren op dit moment vreemde dingen. De Italiaanse kunstenaar Emilio Prini heeft een tentenkamp opgeslagen van waaruit hij het Stedelijk Museum in de gaten houdt, ‘waarneemt’ zoals hij dat zelf noemt. Zijn Nederlandse collega Jan Dibbets liet kuilen graven rondom het museum. Door de vier hoeken van het negentiende-eeuwse gebouw bloot te leggen, wil Dibbets het museum op een sokkel plaatsen. En gegraven werd er, niet alleen door Dibbets maar ook door de Amerikaanse kunstenaar Mike Heizer. Met hulp van de gemeente is ‘een sculptuur’ gegraven naast de trap van de hoofdingang. Een metalen rooster moet voorkomen dat er geen bezoekers vallen in dit gat van vijf bij één meter. Ergens in Amsterdam loopt een kunstenaar rond die met kleine explosies de stadsgrenzen aan het verkennen is. Uit de ramen van het Stedelijk Museum wapperen witte lakens en Ger van Elk heeft de trap in de ontvangsthal van het museum in tweeën verdeeld door een reusachtig gordijn. ‘Een onvergetelijke ingreep’ volgens de directeur van het Stedelijk Museum. De acties van deze kunstenaars zijn onderdeel van de tentoonstelling Op losse schroeven die onlangs werd geopend in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De curator van de tentoonstelling, Wim Beeren, nodigde verschillende Europese en Amerikaanse kunstenaars uit wier kunst getuigt van een nieuw kritisch engagement in de hedendaagse beeldende kunst. Er is onder andere werk te zien van de Nederlandse kunstenaars Boezem, Dibbets en Van Elk, van verschillende Italiaanse kunstenaars die zichzelf tot de stroming genaamd Arte Povera (Arme Kunst) rekenen en van verschillende Amerikaanse kunstenaars die in de internationale kunstwereld al geruime tijd het stof doen opwaaien (Robert Morris, Carl Andre, Walter de Maria, Bruce Nauman en Robert Smithson).
De wijze waarop de kunstenaars bezit hebben genomen van het museum laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ze willen de toeschouwer nieuwe, ontwrichtende ervaringen bieden en een bom plaatsen onder de door de kunsthandel gestandaardiseerde verhouding tussen kunst en toeschouwer. ‘Het oude begrip kunst, in de zin van centrale ordening en sublimering, wordt met deze tentoonstelling op losse schroeven gezet’, zo schrijft de curator in de inleidende tekst van de catalogus. Dat begint al meteen met de opzet van de tentoonstelling: het is nu eens niet de curator die de inhoud van de tentoonstelling bepaalt, die levert alleen het concept, maar de kunstenaars zelf. Het proces dat tot het kunstwerk leidt, is daarbij even belangrijk als het eindresultaat, sterker nog, in deze tentoonstelling wordt het proces zelf als kunst getoond. Zo bestaat het werk van de Amerikaan Robert Morris uit een schriftelijke handleiding die door de museummedewerkers wordt uitgevoerd. Iemand van het museum moet zo veel mogelijk brandbare materialen zoals kolen, hout, magnesium et cetera verzamelen, het aantal dagen van de tentoonstelling delen door het aantal materialen en op de vastgestelde plaats van het werk om de zoveel dagen een materiaal toevoegen. Het werk krijgt zo gedurende de tentoonstelling gestalte en op de laatste dag van de tentoonstelling zal het geheel op een veilige plaats worden verbrand. De vraag is wat de kunstenaars met dergelijke extreme acties willen bewerkstelligen. Hoe divers de verschillende bijdragen van deze kunstenaars ook zijn, ze lijken allemaal één ideaal na te streven. De kunst moet zijn inspiratie niet meer halen uit de artificiële werkelijkheid, maar uit de ruwe bouwstenen van het leven van alledag. Nog sterker dan bij de pop- en de minimal art kan de kijker de ervaringen uit het museum in zijn dagelijkse omgeving terugvinden. Marinus Boezem maakt van zijn tentoonstellingszaal een meteorologisch instituut, aan de muren hangen weerkaarten en door de luidsprekers wordt voortdurend verslag gedaan van de laatste weerberichten. Walter de Maria heeft in het museum een bed neergezet waarop de bezoeker kan gaan liggen om via een koptelefoon naar de golven van de zee te luisteren.
Het doel van het project lijkt tweeledig te zijn, een politiek standpunt tegen het museum als institutionele vertegenwoordiging van de kunst met de daarbijbehorende wijze van presentatie enerzijds en het her- en erkennen van de esthetiek van natuurlijke materialen en processen anderzijds. De grote inspirator achter deze nieuwe tendens is de Italiaanse kunstenaar-theoreticus Piero Gilardi. In de catalogus van de tentoonstelling heeft hij een artikel geschreven getiteld: ‘politics and the avant-garde’. Gilardi gaat in dit artikel ‘het systeem’ te lijf. Kunsthandel en musea worden door de nieuwe kunstvormen voor problemen gesteld: een performance in een woestijn kun je niet tentoonstellen en een verzameling brandstoffen die aan het eind van de tentoonstelling in vlammen opgaat kun je niet verkopen. Het cultuurspreidingsapparaat zal de kunstenaar om andere dan economische redenen moeten accepteren, aldus Gilardi. Gilardi hing zijn carrière als kunstenaar aan de wilgen om door Europa en de Verenigde Staten. te gaan reizen en contacten te leggen tussen kunstenaars die gelijke ideeën voorstonden. De vraag is echter of alle kunstenaars die deelnemen aan de tentoonstelling zich kunnen vinden in de politieke inspiraties die Gilardi hun nieuwe kunstvormen toeschrijft. Het werk van de Amerikaanse kunstenaars is een logisch vervolg op respectievelijk de pop- en de minimal art, wanneer gevraagd naar hun politieke aspiraties komen die in ieder geval niet overeen met Gilardi’s typisch Europese activisme. Lang niet alle deelnemende kunstenaars hebben een expliciete anti-institutionele instelling en ook volgens de curator maakt deze kunst het museum als instituut niet per definitie overbodig. Alle beperkingen daargelaten biedt het museum kunstenaars nog steeds de gelegenheid hun nieuwe kijk op de werkelijkheid op een geconcentreerde manier aan het publiek aan te bieden.
De kunstcriticus Carel Blotkamp schreef onlangs in Vrij Nederland terecht dat het bij deze nieuwe tendens in de beeldende kunst in essentie gaat om een conflict tussen natuur en cultuur, een conflict dat onvermijdelijk steeds terug zal keren in de beeldende kunst. ‘Het museum rust als een zware grafsteen op het meest natuurlijke deel van deze nieuwe kunst, voor een ander deel is het een onmisbare accommodatie omdat het isoleert. Voorlopig is er nog geen oplossing in zicht voor dit dilemma, deze integratie van kunst en leven’. Het lijkt erop dat Blotkamp hierin gelijk heeft, de kunstenaars nodigen ons uit de werkelijkheid te zien als toeristen in de eigen omgeving. Zonder de kunstmatige omgeving van het museum is de kunst uiterst kwetsbaar en overgeleverd aan het soms ronduit agressieve oordeel van de toeschouwer.
Op losse schroeven. Situaties en cryptostructurenStedelijk Museum Amsterdam
15 maart – 27 april 1969.
Ingrid Commandeur





