Opinie
Opinie
no pain, no gain
In het huidige cultuurvijandige politieke klimaat is geletterdheid niet iets om je op voor te staan, maar om je voor te schamen. Hoe met deze weerzin tegen moeilijk woordgebruik om te gaan?
‘Sir Kevin was a graduate of the Harvard Business School and one of his publicly stated aims (setting out our stall, as he put it) was to make the monarchy more accessible. The opening of Buckingham Palace to visitors had been a step down this road, as was the use of the garden for occasional concerts, pop and otherwise. The reading of the Queen, though, made him uneasy. “I feel ma’am, that while not exactly elitist it sends the wrong message. It tends to exclude.” “Exclude?” said the Queen. “Surely most people can read?” “They can read, ma’am, but I am not sure that they do.”’1
In de satirische novelle The Uncommon Reader steekt Alan Bennett de draak met het feit dat ‘een verregaande vorm van geletterdheid’, dat wil zeggen een interesse in de wereldliteratuur, vandaag de dag niet langer wordt gezien als een begerenswaardige vorm van gecultiveerdheid, maar eerder als een stigma, een eigenschap waarvoor men zich eigenlijk stilletjes zou moeten schamen. Het in het openbaar ‘belijden van belezenheid’, zoals de Britse koningin in zijn verhaal uitdrukkelijk doet door frequent romans te lezen, lijkt te suggereren dat men zich van het ‘het gewone volk’ wil onderscheiden. In The Uncommon Reader geeft de vorstin volgens haar privésecretaris Sir Kevin hiermee een duidelijk signaal af dat ze zich niet alleen in hiërarchische zin, maar ook in intellectuele zin boven haar onderdanen – die volgens hem nooit of nauwelijks (fictie) lezen – verheven voelt.
U leest het goed. Bennett schreef met The Uncommon Reader in 2007 een hedendaags hekeldicht waarin hij op geestig-vileine wijze maatschappijkritiek levert. Anno 2012 lijkt de satire van Bennett echter nagenoeg een realistische zedenschets geworden. Neem nu onze contreien: de verheerlijking van de onwetendheid en de met gepassioneerde enthousiasme beleden domheid – denk Britt Britt Britt – neemt er groteske vormen aan. Gebrek aan feitenkennis is een epitheton ornans – denk Bijsterveld, Bijsterveld, Bijsterveld. Wie de verkeerde – lees: geleerde – woorden in de mond neemt, is elitair. Wie iets te veel interesse toont in vormen van cultuur die geen directe afgeleide zijn van kleiduivenschieten, carnavalvieren of het veredelde voetenspel genaamd voetbal, is eveneens elitair. Wie zich aan beide activiteiten bezondigt, behoort tot de categorie ‘?berelitisten’ die hun dedain voor het ‘gewone volk’ koesteren als ware het de kroonjuwelen.
Keer op keer wordt aan diegenen – toch vaak cultuurproducenten en fervente cultuurconsumenten – gevraagd om de hand in eigen boezem te steken, ‘in het eigen hert te kijken’ en na te gaan of ze dit verwijt aan zichzelf te danken hebben. Het vermoeden bestaat dat de ‘leprozenstatus’ die kunst en cultuur nu genieten een godenstraf is. Een welverdiende straf voor het feit dat wij – ja, ook u, lezer, behoort hoogstwaarschijnlijk tot deze groep, net zo als ondergetekende – te vaak, te veel en te graag ondoorgrondelijk jargon gebruiken. Nietszeggende uitdrukkingen bezigen als ‘refereren aan’, en termen als ‘het beladen beeld’, ‘paradigmaverschuiving’ en ‘de conceptuele aanpak’ rondstrooien als ware het suikergoed en pepernoten voor sinterklaas.
De taaldokter – die bovenstaande boodschap uitdraagt – en zijn volgelingen (waartoe blijkbaar ook Bas Heijne behoort) hebben tot op bepaalde hoogte gelijk: kunstprofessionals hebben een voorkeur voor terminologie en vaktaal die iedere leek als Latijn – en soms als Bargoens – in de oren klinkt. Dat irriteert. Het kan beter en helderder. Minder omfloerst en leesbaarder. Helaas zouden de taaldokter en zijn apostelen met zo’n soort omslag niet tevreden zijn. Het moet in ‘mensentaal’, voor eenieder begrijpelijk. Dat klinkt wonderlijk. Is het vakjargon van de kunst dan een soort highpitch ‘dolfijnendialect’, een computeridiolect of een intergalactisch communicatiesysteem voor Klingons en cyborgs?
De moeite moet van twee kanten komen. Wie kunst wil uitleggen en bemiddelen zal zich van een groot deel van de gespecialiseerde terminologie moeten ontdoen. Hij of zij zal teksten moeten en durven schrijven die logisch zijn opgebouwd, met vlot lopende zinnen waarin vaktermen en specifieke kunstbegrippen – zoals repoussoir – worden uitgelegd. Omgekeerd geldt ook: wie kunst wil bekijken en interpreteren op basis van begeleidende teksten, zal moeite moeten willen doen om nieuwe dingen en dus ook woorden en begrippen te leren. Voor beide partijen geldt: No pain, no gain. Of om het met een andere romancier uit het Engelstalig taalgebied te zeggen: ‘You’ve come here because you want to learn something, to better yourself in some way. That makes you an elitist… […] “No, no, no, elitism”, she said, “are patriarchal people who think they’re better than other people, who they then marginalise.” “If”, I said, “she meant “to act pompously and insufferably” those people are called snobs, and they are fools.”’2
Ann Demeester is directeur van De Appel, Amsterdam
1. Alan Bennett, The Uncommon Reader. Faber and Faber, Londen 2007, p. 27.
2. Chandler Burr, You or Someone Like You. HarperCollins Publishers, 2009, p. 66.
Ann Demeester





