Postmarginaal
Postmarginaal
Interview met Jan van de Pavert
Wat bezielt een kunstenaar om zich bezig te houden met de monumentale kunst van de avant-garde uit de jaren twintig en dertig? In een gesprek met Domeniek Ruyters licht Jan van de Pavert zijn ongewone belangstelling toe. Kunst heeft zich buitenspel laten zetten vindt Van de Pavert. Dat moet en kan anders.
I
‘Eerst had ik interesse voor een soort monumentale kunst die bijna niet meer bestaat. Kunst die openbaar is doordat het algemeen inhoudelijke intenties heeft en die daardoor ook geschikt is voor publieke gebouwen. In de jaren dertig bestond ze nog, daarna sterft ze langzaam uit. Ik kon mij voorstellen dat je opnieuw naar een soort monumentaliteit grijpt. Het zou er natuurlijk anders uit gaan zien dan toen, maar er toch aan gerelateerd zijn.
Het punt was dat ik niet wist hoe ik het aan moest pakken. Ik was op zoek naar een middel om zulke schilderkunst te maken. Wat voor beeldopbouw moest ik bijvoorbeeld gebruiken, wat voor type figuratie? Ik wilde voorstellingen zonder specifieke iconografische inhoud, die in feite niets anders zouden bieden dan een hoop figuren op een podium dat zich in het schilderij bevindt. De Mexicaanse schilderkunst heeft me toen aardig op weg geholpen. Overigens niet alleen werk van Diego Rivera, maar ook dat van anderen. Zij maakten schilderkunst die politiek van belang was, die werkte op grote schaal en voor een groot publiek. Wat ikzelf begon af te beelden had te maken et de kunst uit de avant-garde en hield verband met linkse sympathieën. Het was voor mij een inspirerend kruispunt van kunst en politiek.
De studie van de avant-garde was een tijdelijke interesse. Uiteindelijk wilde ik actuele onderwerpen gaan schilderen. De schilderijen die ik vervolgens maakte zijn een soort situatieschetsen, verwerkt in eigen ontwerpen van gebouwen. Het hoeft van mij niet groter te worden uitgevoerd. Maar ik vind het wel fijn dat die figuratieve voorstellingen gekoppeld blijven aan het idee dat ze uitgevoerd zouden kunnen worden als monument. Dat is ook het belang van de films die ik maak, waarin de schilderijen in een architectonische context worden getoond.
II
‘Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar de meesten vinden het volstrekt idioot wat ik doe. Er was hier laatst een conservator en die vroeg: “Wat beeld je hier nu af?” Waarop ik zei: “het zijn mensen die zich op een kruising van ideologie van links en de avant-garde begin vorige eeuw bevinden.” “Wat is dat, links? Wat is dat, avant-garde?”, vroeg ze. Ze leek wel boos. Het was alsof je die termen als kunstenaar niet mag gebruiken. Ik denk dat dat in Nederland sowieso snel intellectueel wordt gevonden en dat men dat niet wil. Maar het is de vraag of het werk zo intellectueel is. Het is eerder een optelsom die associatief tot stand is gekomen.
Ik denk dat ik de neiging heb hoeken op te zoeken, die op dat moment niet heel erg in beeld zijn. In de jaren tachtig, toen iedereen met de jonge Duitsers bezig was, begon ik te werken met architectuur. Bij mijn interesse voor monumentale kunst uit de jaren twintig en dertig geloofde ik een terrein te kunnen openen waar heel veel dingen mogelijk zouden zijn. Maar er speelde ook nog iets anders: in de eerste helft van de jaren negentig kreeg je ineens een andere vormgeving van bedrijfslogo’s. Ik geef een praktisch voorbeeld: de Rabobank. In plaats van zo’n strak modern logo zoals Albert Heijn nog heeft, kwam men met een man die naar voren loopt over een halve wereldbol. Een sluipende figuratieve ideologie, terwijl moderne vormgeving van daarvoor wat meer op de achtergrond kwam te liggen. In de reclame gebeurde hetzelfde. Neem die reclame van de Postgiro, met het lied vijftien miljoen mensen. Het werd verbonden met beelden waarvan je niet weet wat ze precies betekenen. Iets als het Nederlandse volk, de tegenwoordige maatschappij, een ideaalbeeld van de huidige tijd. Het nadeel van de reclame is natuurlijk dat het altijd een positieve boodschap heeft en dat aan het einde een logo verschijnt. Beeldende kunst biedt een mogelijkheid om daar totaal iets anders mee te doen. Dat wil zeggen zonder logo en met een boodschap die veel verwarrender en niet noodzakelijk positief is.
III
‘Het stoort mij enorm dat kunst zich totaal in de marge heeft laten drukken, terwijl andere disciplines, zoals film en mode wel optimaal van de mogelijkheden in de mediamaatschappij geprofiteerd hebben. Zij werken met budgetten waar kunst alleen maar van kan dromen. Dat zou helemaal niet hoeven. Dat betekent niet dat je een heel populaire kunst krijgt.
Mij gaat het erom dat beeldende kunst nog steeds te veel werkt met verhalen die stammen uit de jaren zestig. Je had toen kritische kunst, verhalen over white cube, analyse van het kunstwerk als object. Toen hing allemaal samen met een linkse manier van denken. Van daaruit kreeg het zijn bedding. Inmiddels is die theorie, die bedding verlaten. Als er thema’s zijn, zijn het thema’s als de verhouding tussen zwart en blank, vrouwen in de kunst et cetera, kortom deelthema’s, hoe groot hun maatschappelijk belang ook mag zijn. Het zijn thema’s die niet zomaar in kunst verwerkt kunnen worden, die niet immanent zijn aan de wijze waarop je een kunstwerk maakt of concipieert, zoals dat in de jaren zestig nog wel het geval was. De inhoud is te beperkt.
In Rotterdam kwam de kwestie een keer ter sprake in een discussie met Henk Oosterling. Het ging erom hoe de kunstenaar zich marginaliseert door het eigen podium voortdurend ter discussie te stellen. Zoiets zie je veel bij kunst in de openbare ruimte. Met een blauwe streep langs een snelweg kom je er niet. Er sprak een kunstenaar die zich letterlijk marginaliseerde door over zichzelf te spreken als “artist in disguise”. Het is best interessant wat hij ter sprake bracht, maar toch vraag ik me ook af wat je ermee opschiet als je je als kunstenaar bezighoudt met waterzuiveringssystemen in een donker hoekje onder een viaduct. Er is geen mens die dat als kunst herkent, het is alleen geschikt voor vakgenoten. Een goed voorbeeld vind ik ook Tungsten van Arno van der Mark en Jan van Grunsven in Den Haag. Het is best intelligente kunst, en er zitten goede elementen in, maar ik zou het heel ernstig vinden wanneer de hele monumentale kunst die kant uitgaat. Het is alleen maar interessant als discussie en verder levert het soms een betere openbare ruimte op. Het zou, vind ik, ook niet uit de pot voor monumentale kunst betaald moeten worden.
Het zou jammer zijn als kunst in de openbare ruimte versmald wordt tot sociale vraagstukken, of vraagstukken van milieu of de vormgeving van openbare ruimte. Ik zeg niet dat kunst zich niet met randverschijnselen bezig mag houden. Ik vind ook dat het mogelijk moet zijn grenzen voortdurend open te gooien. Maar op het moment dat je kunst hebt die alleen maar in bij wijze van spreken Metropolis M functioneert, gaat het verkeerd. Vergeet niet dat we nu in een heel ander moment leven als de avant-garde van de jaren twintig. Het is niet zo dat kunst in de openbare ruimte een grote rol gaat spelen in de vormgeving in het algemeen. Dat nu te denken is een kinderdroom.
IV
Het laatste, nieuwe verschijnsel is dat kunst helemaal verdwijnt. Als je nu naar de documenta gaat of de Biënnale van Venetië, zie je de kunst bijna helemaal niet meer. Wat je vroeger op de documenta zag, vind je nu in de Art Now van Taschenbuch. Die kun je er kopen en blader je door om de kunstenaars te zien die er wel zijn, maar niet in de tentoonstelling. Net zoiets zijn de thema’s die op de kunst gelegd worden, met gevolg dat de kunst totaal verdwijnt. Dan krijg je dus dat de kunst wordt gekozen omdat het binnen een bepaald thema valt en dat dus veel subtielere verbanden op de achtergrond blijven, die wellicht veel belangwekkender zijn. Beeldende kunst is nu eenmaal niet het soort van vertoog van de tekst van een publicist in de krant. Beeldende kunst wil dat helemaal niet zijn.
Sommige dingen moeten echt anders. Er zou door discussies een ander soort kunst moeten ontstaan, er zouden andere gronden moeten worden aangeboord, maar dat gebeurt nauwelijks. Ik vrees dat er nog wel wat tijd overheen zal gaan. In de twintigste eeuw toen kunst avant-garde was, zoals in de jaren twintig en zestig, zag je dat kunstenaars zelf de bedding aanlegden waarin hun werk moest worden begrepen. In minder progressieve periodes zie je dat de conservator aan het woord is. Momenteel beleven we een periode waarin de kunst vrijwel verdwijnt achter de conservator. David heeft zelfs tentoonstellingen georganiseerd waar bijna geen kunst aan te pas komt. En dat binnen het kader van de kunst waarbinnen zij toch opereert. Dus ik vrees dat er nu weinig kans is. Maar ik hoop heel erg dat het weer gaat veranderen en dat het lucht gaat geven aan een nieuwe generatie. Beeldende kunst kan ook gewoon leuk zijn.
Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M




