Prijskaartje
In Nederland is er een aantal instanties dat cijfers over de markt voor kunstenaars bijhoudt. Het CBS doet dat al jaren, net als het Mondriaan Fonds en Dutch Culture, zo ook bepaalde belangenverenigingen, zoals de NGA (Nederlandse Galerie Associatie). Sinds enkele jaren verzamelt de Boekmanstichting zoveel mogelijk van die statistieken uit diverse bronnen om ze met elkaar te combineren tot de jaarlijkse cultuurmonitor, die online toegankelijk is. Erg opwekkend zijn de gegevens niet die daar de laatste jaren uitrollen. Het is armoe troef onder kunstenaars. Ze verdienen gemiddeld 13.000 euro bruto per jaar (ter vergelijking: andere beroepen verdienen gemiddeld 62.000 euro). En dat geld verdienen ze niet eens met hun kunstpraktijk, maar voor de helft met bijbanen.
Van alle creatieve beroepen doen beeldend kunstenaars het het slechtst van allemaal. Je kunt beter schrijver worden of acteur (afgezien van de coronajaren want toen hadden juist zij het moeilijk), zo blijkt uit de gegevens van de afgelopen jaren. Ontwerpers verdienen relatief het meest. De rest moet flink aan de bak in andere sectoren als recreatie (lees: horeca), de dienstensector en communicatie. Binnen deze statistieken doen kunstenaars met een migratieachtergrond het nog slechter. Ze behoren tot de minima onder de kunstenaars, met nog minder inkomen dan gemiddeld. Hun kansen op bijbanen zijn ook minder gunstig. Over systemisch racisme gesproken.
Er is ook een klein lichtpuntje, althans voor dat deel van de lezers die dit nummer leest en net is afgestudeerd aan de kunstacademie. Onder de alumni bij de afstudeerders in de creatieve beroepen behoren de beeldend kunstenaars in de eerste anderhalf jaar na hun afstuderen tot de betere verdieners. Het blijkt helaas een tijdelijk effect, na verloop van tijd zakken de beeldend kunstenaars in de statistieken langzaam omlaag en lijkt de ‘talentbonus’ uitgewerkt.
De Nederlandse kunstmarkt is er voor kunstenaars het laatste decennium niet beter op geworden. Het aantal galeries in Nederland loopt al jaren terug. Hoewel de statistieken laten zien dat galeries weer wat opkrabbelen na de moeilijke coronaperiode, blijft de neergaande tendens al vanaf 2008 onmiskenbaar. Als je het aantal leden van de NGA als maatstaf neemt is er sprake van een halvering. Er komen ook steeds minder nieuwe galeries bij, wat een probleem is voor jonge kunstenaars die zo minder makkelijk toegang tot de markt krijgen. Parallel aan deze neergaande lijnen zie je in de cultuurmonitor ook hoe het aantal bedrijfscollecties dalende is, een belangrijke stimulator van de Nederlandse kunstmarkt. Net als het aantal individuele collectioneurs, ondanks tal van speciale programma’s en initiatieven als The Young Collector, een club waarin je onder begeleiding leert kunstkopen. Dat verval valt bijvoorbeeld af te leiden uit het teruglopende aantal deelnemers aan de koopregelingen van het Mondriaan Fonds. Althans in de periode 2005-2017, volgens de cultuurmonitor van de Boekmanstichting.
Hoewel er het laatst gemeten jaar (2022) wel weer wel groei is in de omzet van galeries, is er ook de tendens dat jonge kunstenaars op zoek moeten naar nieuwe kanalen voor de afzet van hun werk. Je kunt dat terugzien aan de opvallende groei van het aantal kunstbeurzen, van twee naar achttien in minder dan vijftien jaar tijd. Elke grote stad heeft wel een kunstbeurs, meestal met een vrij nadrukkelijk lokaal profiel. Dit zijn geen gewone beurzen met galeries in stands naast elkaar, maar ‘gecureerde ruimtes’ met een overkoepelend concept. De meest recente nieuwkomer is de Springboard Art Fair in Utrecht, met werk van meer dan honderd kersverse academieafstudeerders die door ‘ambassadeurs’ uit een longlist van zo’n vierhonderd kunstenaars werden geselecteerd.
Een ander voorbeeld van dit soort ‘curated’ kunstbeurzen is Unfair, die dit najaar haar tienjarige jubileumeditie opent (16 t/m 19.11.23). De beurs ziet zich in de geest van de tijd meer als een netwerk dan een handelsplatform. Ze begeleiden kunstenaars bij de eerste stappen in hun carrière en zichtbaarheid geboden, meer dan het netwerk van verzamelaars dat zich om een galerie heen beweegt. Aandacht is het verdienmodel. Er wordt nadrukkelijk uitgeweken naar de website en sociale media, waar de kunstenaars in uiteenlopende content het hele jaar door een platform krijgen.
Als je dit soort verhalen leest over krimpende markten en neergaande lijnen, begin je je wel af te vragen wie nog kunstenaar wil zijn. Ook dat weet het CBS vrij exact te vertellen. In de periode 2017/2019 waren er in Nederland gemiddeld 164 duizend kunstenaars actief en 263 duizend andere werkenden met creatief beroep. Dat was respectievelijk 2 en 3 procent van de werkzame beroepsbevolking. Toch meer dan je zou verwachten op een markt die moeite heeft zichzelf in stand te houden. Het geeft maar weer eens aan dat het goed is zo nu en dan stil te staan bij de economische positie van de kunstenaar en er waar mogelijk iets aan te doen.
Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M




