metropolis m

Het curriculum betekent in het Latijn het afleggen van een parcours, waarmee de connectie tussen het onderwijs en een wedstrijd direct gelegd is. Ten onrechte, meent Clare Butcher, die al jaren werkzaam is als kunsteducator. Ze bepleit competitievrij onderwijs in ‘parasitaire configuraties’ ten behoeve van ‘speculatieve toekomsten’. 

Iedereen die mij kent, weet dat ik de neiging heb om door te drammen over het curriculum. Ik ben nu eenmaal een kunsteducator, dus ergens ligt dat ook voor de hand. Maar mijn interesse in het curriculum en de afbakening die het impliceert, komt ook doordat de term me altijd doet denken aan de verstrengelingen van de geschiedenis van het onderwijs met die van lichamelijke oefening, van de atletiekbaan. Curriculum betekent letterlijk het afleggen van een parcours. Die verstrengeling is ook vandaag nog zichtbaar in de gespierde mentaliteit van onze educatieve modellen. Denk bijvoorbeeld aan het stellen van zelfverbeteringsdoelen, onderlinge competitiviteit, het onderscheid dat gemaakt wordt tussen winnaars en zij die achterblijven. 

De educatieve modellen waar we vandaag zelfs in de meest progressieve contexten mee werken, bereiden studenten voor op een diensteneconomie waarin de afgestudeerden beter, weerbaarder en slimmer moeten zijn dan hun leeftijdsgenoten. Paulo Freire publiceerde in 1968 al een kritische analyse van het educatieve systeem onder kapitalisme als ‘bankiers-achtig model van onderwijs’ waarin, zo stelt hij, studenten niet worden opgeleid tot nieuwsgierige denkers maar worden beschouwd als ‘depots’ waar informatie ‘ingestort’ kan worden zodat ze de kapitalistische status-quo leren reproduceren. Voeg aan dat systeem een aantal wereldwijde financiële crises toe, de pandemie, voortdurende oorlogen en de steeds prangender klimaatproblematiek, en je begrijpt dat het groeiende aantal ontmoedigde concurrenten dat afstudeert ook nog eens onderling moet vechten om steeds schaarser wordende middelen. Een andere factor in dit dystopische hedendaagse curriculum is dat de middelen die nodig zijn om te studeren, om überhaupt een opleiding te kunnen volgen, steeds moeilijker te verkrijgen zijn. Hierdoor wordt het traject naar educatie een spel voor geprivilegieerden.

In de bijna vijftien jaar dat ik in verschillende hoedanigheden werkzaam ben geweest in het kunstonderwijs in Zuidelijk Afrika en Europa, heb ik het geluk gehad te leren van zowel collega’s als studenten binnen contexten die historisch vorm hebben gekregen in verzet tegen overkoepelende neoliberale tendensen. Instellingen waarvan de erfenis doordrenkt is van experimenteren en risico’s nemen (pedagogisch en in het atelier); vechten tegen het systeem, the man, the squares and the suits – afhankelijk van de generatie waarover we het hebben; die ruimte bieden voor twijfel, vragen en zelfs mislukking. 

De afgelopen decennia hebben deze meer experimentele instellingen des te harder moeten werken om in verschillende mate het hoofd weten te bieden aan meervoudige krimp in overheidsbeleid, de standaardisering van studiepuntensystemen in het Bologna-proces en de verzelfstandiging van de universiteit als geheel. Dergelijke onderwijsprogramma’s staan haaks op de logica van krasse ladderklimmers en the winner takes it all-benaderingen, en sturen aan op tegenwaarden die zorgen voor een heel ander soort looptempo.

Een van deze tegenwaarden is een bepaald begrip van autonomie, met eigen parameters voor beoordeling en relevantie. Deze autonomie biedt een legitiem alternatief waarmee praktijken gestimuleerd worden die anders zouden worden verpletterd door de logica van de gig-economy en de vrije val van freelance werken. Dit externe waardesysteem biedt een context waarin we kunnen denken en werken buiten de geldende regels waarin velen van ons zijn gesocialiseerd. Maar ook dit autonome speelveld is nauwelijks neutraal en in plaats van apolitiek te zijn, zoals sommige benaderingen pretenderen, produceren ze hun eigen machtsspelletjes en concurrentieveld. Er ontstaan nieuwe economieën van vriendjespolitiek, naast trends die bepaalde praktijken naar de top laten drijven en competitieve structuren die ook in veel academies nog steeds bestaan. Het resulteert in een verderfelijke ideologische competitie waarbij het idee van een autonome praktijk ten onrechte wordt afgezet tegen de collectieve en hybride praktijken die voortkomen uit de noodzaak om te navigeren door de steeds complexere structuren van het dagelijks leven als kunstenaar en als mens. Deze competitie heeft vele facetten, maar ik zal me hier beperken tot de twee die mij de laatste jaren het meest tegen de borst stuiten. 

De eerste is dat er binnen veel kunstacademies een diep wantrouwen lijkt te bestaan ten opzichte van curriculaire inhoud die de studenten wil voorbereiden op het voeren van de dagelijkse kunstpraktijk in het veranderende landschap van het instortende kapitalisme. Dit is volkomen begrijpelijk. Het pad van dit curriculum, met als belangrijkste referentiepunt een dystopische toekomst, is glibberig en kan gemakkelijk leiden tot onsportieve, onpersoonlijke en in elk opzicht het tegenovergestelde van radicale praktijken. Maar bij mijn weten (en dat van collega’s die ik ernaar vraag) zijn er maar een handvol cursussen of keuzevakken op bachelorniveau op de Nederlandse kunstacademies, die specifiek gericht zijn op deze beroepspraktijk. Kunstenaars in opleiding kennis laten maken met de code voor Fair Practice; institutionele infrastructuren en hoe daarin te navigeren; ondersteuning voor bureaucratische en visum-gerelateerde zaken; hoe de balans te vinden tussen een baan en een kunstpraktijk – het zijn slechts enkele aspecten van de post-pandemische realiteit waarin studenten wanhopig meer inzicht proberen te krijgen om er beter voor toegerust te zijn. 

Deze pedagogische leemte wordt weliswaar opgevuld door financieringsinstanties zoals het Mondriaan Fonds, dat een reeks extracurriculaire bijeenkomsten en mentorschapsevenementen organiseerde, gericht op recent afgestudeerde kunstenaars. Daarnaast heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kader van het een aantal projecten en programma’s opgezet binnen kunstacademies en universiteiten, die ook aan een aantal van deze behoeften voldoen. Met de budgettaire afronding van het kalenderjaar worden deze toevoegingen aan het curriculum echter vaak stopgezet, ondanks dat ze hun succes steeds opnieuw bewijzen. Hoe kunnen de nodige gesprekken, coaching en vaardigheden die deze tijdelijke oefeningen bieden, onderdeel worden van het standaardcurriculum van kunstacademies?

Het tweede facet van deze ideologische competitie is meer existentieel van aard. Belangrijk te beseffen is dat we in het kunstonderwijs niet strijden met de buitenwereld, maar eerder met onszelf. Of dit nu generatiegebonden, cultureel of persoonlijk is, recentelijk laaien discussies op over wat kunstonderwijs moet zijn of doen om relevant te blijven. Deze strijd wordt de laatste tijd steeds publiekelijker gevoerd. Van het blootleggen van onaanvaardbaar gedrag – zoals op de KABK in 2021 – waarna de gedragscodes op kunstacademies in het hele land werden aangepast; het tegengaan van witte suprematie in acquisitie, werving en onderwijsbeleid, aangewakkerd door onder andere Black Lives Matter; tot pleidooien voor rechtvaardigheid voor mensen met een beperking en het daarop aanpassen van de instellingen. Al deze politieke en ethische zaken raken aan de kern van wie wij zijn als artistieke leergemeenschap. In de meeste van bovenstaande gevallen zijn de afdelingen echter niet unaniem wat betreft de te nemen maatregelen, zoals ook bleek uit de reacties op de recente studentenprotesten en solidariteitsverklaringen met Palestina. 

Er lijkt geen winnen aan – maar misschien is dat wel goed. Zoals Fred Moten en Stefano Harney ons herinneren in Undercommons: Fugitive Planning & Black Study (2013), is de academie een collectieve inspanning waarbij dankbaarheid aan de genealogieën van mensen en praktijken die ons zijn voorgegaan (inclusief al hun tekortkomingen) van ons collegialiteit vraagt als de bereidheid ze in vraag te stellen. We bevinden ons op een kruispunt waarop kunstenaarsdocenten bereid blijken  af te slaan richting het cultiveren van alternatieve leermodellen: op het land, in parasitaire configuraties, online en in speculatieve toekomsten, die soms raakvlakken hebben met formele academische ruimtes en in andere gevallen helemaal buiten de curriculaire rotonde vallen. Gudskul, The Black School, Escuela de Oficios, School for Improper Education, Outdoor School, BUSH Gallery, Read-In Collective, Keleketla!, Free Home University – het zijn slechts enkele voorbeelden van educatieve modellen die andere wegen bewandelen en rustpunten bieden. Ze herinneren ons aan de paden die over het hoofd zijn gezien of werden uitgewist, waarlangs we elkaar niet voorbij rennen naar de toekomst, maar samen reizen op de lange weg die we nog moeten afleggen.

1: Een voorbeeld hiervan zijn de third cycle-programma’s die zijn ontstaan in reactie op het Bolognaproces, en die dienen ter overbrugging van masteropleidingen in de kunsten en verdere studie- of onderzoekstrajecten. Het lectoraat van de Academie voor Theater en Dans biedt bijvoorbeeldd THIRDS aan, de Gerrit Rietveld Academie heeft het Creator Doctus traject, en er zijn conglomeraatstructuren die PD (Professional Doctorate) trajecten in artistic research aanbieden zoals het MERIN (het Maastricht Experimental Research In and Through the Arts Network).

Clare Butcher

Recente artikelen