metropolis m

Rinus van de Velde
HISK, Gent

Op het atelier van Rinus Van de Velde (1983, Leuven) in het HISK te Gent hangen grote, gespierde houtskooltekeningen van onder tot boven en van links naar rechts over de muur verspreid, zorgvuldig geordend en badend in het licht. De tekeningen zijn groter en donkerder dan ik had verwacht. Ze hebben ontegensprekelijk iets dat naar de keel grijpt: een koel geobserveerde, menselijke wreedheid? Het valt niet mee er een vinger op te leggen, maar de mysterieuze grondtoon zorgt wel voor spanning in het beeld. De onderwerpen zijn uiteenlopend: een man draagt een opgezette beer op zijn rug terwijl hij wordt aangesproken door een agent, een publiek in fiftieskledij luistert met gespannen aandacht naar iets dat buiten beeld blijft, een man is geportretteerd met haar – of is het iets anders? – uit zijn mond. Vaak vind je onder de tekening onderschriften die voor een filmisch karakter zorgen. Door de tekst wordt een verhaal gesuggereerd en ontvouwt zich een soort koorts die doet denken aan de suspense uit de films van Hitchcock. Zo tref je een man die een levensgroot beeldhouwwerk van een vrouw door een kamer draagt. De sculptuur zou misschien van Picasso kunnen zijn, de man die het werk draagt is wellicht de kunstenaar. De tekst lijkt zo uit oude film geknipt: So, she will enter and say: “…but it doesn’t look like me…” Then I will reply: “If you want it to look like you, I will need you as a model.” Onwillekeurig denk je er Ingrid Bergman bij, een schijnbaar fatsoenlijk milieu en een intrige die als een pijnlijke zweer zal openbarsten.

Bij dit werk krijg je de indruk dat Van De Velde met een scalpel in de huid van een nette, burgerlijke wereld snijdt. Als hij ook tekent wat na de incisie tevoorschijn komt, is dat op zijn minst beklemmend. In een werk met als tekst Let us just call it abstract zie je vreemde tentakels omhoog en omlaag kronkelen. De zin verwijst naar de neiging tot classificatie in de kunstbeschouwing maar het onderwerp – een kluwen van glibberige, vlezige, tongachtige slierten – is pure psychologie.

Tot nog toe schreef Van De Velde bijna altijd een tekstfragment bij zijn tekeningen maar daar komt stilaan verandering in. ‘Zonder tekst wordt de tekening autonomer. Een tekst is immers erg determinerend, het wordt al snel een quote.’ Met het modernisme als kader neemt Van De Velde je mee naar archetypische beelden uit de beschaving, de natuur, de mensheid. Hij tekent handen, wetenschapslui, kunst en een zoenend stelletje; beelden die we allemaal kennen. Maar hij zorgt ook voor een breuk. Bij elke tekening rijst de vraag: waar kijk ik in feite naar en waarom is het zo verontrustend?

Door de complexe opbouw en het kloeke formaat hebben de tekeningen de intensiteit van schilderijen. Voor Van de Velde is de schaal erg van belang. Hij wil dat je de figuren groot ervaart, zodat ze bijna fysiek aanwezig zijn. Aan de basis van elke tekening ligt een foto uit een omvangrijk beeldarchief. Van De Velde vindt het belangrijk dat de tekeningen ‘documenten zijn, dat ze realistisch zijn’. Hij tekent nooit zomaar uit het hoofd. Wat op de foto staat, komt ook op de tekening, zonder wijzigingen of toevoegingen. Toch is hij meer met tekenen bezig dan met het louter reproduceren van een fotografisch beeld. ‘Je kijkt niet langer naar de tekening zoals je naar de foto kijkt’, zegt hij. En dat is waar, want bij het beschouwen van het werk denk je veeleer aan tekeningen van bijvoorbeeld Raymond Pettibon of aan strips dan aan foto’s. Ook de tekeningen van Marcel van Eeden lijken verwant. Maar anders dan bij de meer voorzichtige Van Eeden vind je bij Van De Velde veeleer een onderhuidse dramatiek, een onzichtbare lavastroom.

Ik wijs naar een tekening waarop twee mannen op een bankje zitten, de ene met een enorm hoofd. Act like a son staat er te lezen. Eerst ontstaat de indruk iets te zien dat uit een film is geknipt, dan ervaar je een strengheid die psychologisch werkt. Daarbovenop is er iets grondig mis met het hoofd van de ene figuur. Sluipt er wel eens een Belgisch streepje surrealisme binnen? Nee, want ‘ook de vervormingen zijn afkomstig van de foto, maar een tekening kan plots erg vreemd ogen: er gebeurt iets volkomen anders dan op de foto.’

Van de Velde werkte tot nog toe veel met personages, die als een rode draad dienden in zijn werk. William Crowder is er zo een. Hij is een fictieve, modernistische beeldhouwer die wordt opgevoerd als hoofdfiguur in een verhaal. Rondom hem worden mensen en situaties geschapen, en daaraan worden echte sculpturen toegevoegd. Toch is de jonge Antwerpenaar gestopt met het verhaal rondom zijn verzonnen artiest. ‘Het werd te fictief’, zegt hij. ‘De mensen dachten dat hij echt bestond. Nochtans was het verhaal enkel bedoeld als kader om de beelden een context te geven. De fictie was het hoofdplan niet.’

Tijdens ons gesprek gaat het geregeld over de autonomie van de tekening, tevens ‘de basis of het eerste middel om een wereld te ontwerpen’. Want ondanks de teksten en verhalen streeft Van De Velde steeds naar een tekening an sich, direct en zonder ballast. Een nieuwer middel daartoe is het tekenen op de muur. ‘Zo ontstaat een grotere openheid’, zegt hij. ‘En het is leuk om zomaar te kunnen beginnen. Het resultaat is misschien tijdelijk, maar dat is niet erg.’ De meest typerende tekening vond ik een woelig wateroppervlak, dooraderd met kleine en grote golven en ogenschijnlijk beschenen met maanlicht. Het moet al geen sinecure zijn om een overtuigend stukje zee te tekenen, maar de manier waarop van het water een dreiging uitgaat is pas echt bijzonder. Je weet nooit wat voor angstaanjagends er zich onder die donkere waters beweegt. En tegelijk sta je met Caspar David Friedrich naar een romantische, weidse droom te kijken.

Els Fiers is kunstcriticus, Gent

Els Fiers

Recente artikelen