metropolis m

Wat zegt een generatie over de schrijvers die ertoe gerekend worden? Past hen dat kader, of belemmert het een beter begrip van hun schrijven. In een open gesprek met Maartje Wortel onderzoekt Nadia de Vries hoe schrijvers omgaan met generatiegebonden verwachtingen, en hoe daaraan te ontsnappen.

Wat betekent het om kunstenaar of schrijver te zijn van een bepaalde generatie? Of, preciezer gezegd, om door anderen onder een bepaalde generatie te worden geschaard? Uiteraard is een kunstenaar inherent afhankelijk van de tijd waarin hen leeft: het politieke klimaat, de technische en logistieke mogelijkheden en de daarbij geldende presentatievormen. Sommige tijdgebonden categorieën worden echter afgedwongen door de markt zelf: stromingen en ‘trends.’ Voor critici is het onderdeel van hun taak om dergelijke ontwikkelingen in kaart te brengen, maar de paradox is dat een bepaalde tijdsgeest pas echt kan worden doorgrond wanneer ze goed en wel voorbij is. Voor een levende, werkende kunstenaar kan het daarom iets dubieus hebben om in een generationeel hokje gestopt te worden. Toch is het ook een compliment om opgemerkt te worden, en zelfs als exemplarisch voor een bepaalde tijd te worden gezien; hoewel zo’n categorisatie ook vrij beperkend kan zijn. Niet alleen omdat het een label plakt op het werk – iets waar menig kunstenaar zich juist tegen verzet – maar ook omdat het de relevantie van het werk bij voorbaat classificeert tot iets tijdsgebonden.

De beperkingen van dergelijke categorisaties zijn al decennialang onderwerp van gesprek. In zijn invloedrijke monografie Defining Art, Creating the Canon (2007) analyseerde de Britse filosoof Paul Crowther de moderne tendens om kunstenaars in hokjes te stoppen. Crowther concludeerde dat deze gewoonte een gevolg is van de grootschalige commercialisering van kunst. Hoewel die commercialisering al in de late negentiende eeuw begon, kreeg ze pas echt vleugels na de Tweede Wereldoorlog, toen consumentisme en popcultuur een prominentere rol in de westerse samenleving kregen. Het categoriseren van kunst maakt het behapbaarder en daardoor verkoopbaarder. Zulke categorisaties zijn vooral voor curatoren, critici en agentschappen interessant. Voor kunstenaars zelf blijven ze arbitrair: Crowther stelde – zoals vele voor hem – dat kunst van nature ‘kunstmatig’ is, en daardoor altijd vooruitloopt op het normatieve consumentisme van de alledaagse wereld. Met andere woorden: het maakt voor kunstenaars niet uit welk label het publiek op hen plakt, omdat ze iets nastreven dat voor het publiek zelf nog niet zichtbaar is.

Over de commerciële rol van categorisatie valt er nog genoeg te theoretiseren, maar dat is niet de bedoeling van dit artikel. De vragen waarmee ik dit artikel opende, zijn dat wel. Om deze vragen in praktische zin te verkennen, ging ik in gesprek met mijn collega-schrijver Maartje Wortel. Als schrijvers hebben we allebei een achtergrond in zowel de beeldende kunst als de literatuur: Wortel studeerde Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en schreef tussen 2016 en 2020 regelmatig voor dit blad. Zelf werk ik sinds mijn promotie aan de Universiteit van Amsterdam (2020) als kunstcriticus. Toch zijn we allebei hoofdzakelijk literaire schrijvers. De sociopolitieke veranderingen die plaatsvinden in de beeldende kunst vinden, zo weten we, ook plaats in die van de literatuur. Als gevolg daarvan staat ons vakgebied de laatste jaren in het teken van dezelfde discussies over identiteit, hokjes en andere persoonsgebonden categorieën. Wat ontdekken we over onze generaties als we onze ervaringen naast elkaar leggen?

Generatiedenken

In 2009 debuteerde Wortel met de verhalenbundel Dit is jouw huis, waarvoor ze het daaropvolgende jaar de Anton Wachterprijs won, en in 2011 verscheen haar eerste roman Half mens, dat voor meerdere prijzen werd genomineerd. Datzelfde jaar werd tevens het toonaangevende literaire tijdschrift Das Magazin opgericht, de voorloper van uitgeverij Das Mag, waar Wortel regelmatig publiceerde. In 2014 werd ze opgenomen in de bundel De tien: De beste jonge schrijvers uit Nederland en Vlaanderen – zij en Hanna Bervoets waren overigens de enige vrouwen in de bundel – en in 2015 was ze één van de eerste auteurs die het toen kersverse Das Mag uitgaf. Tegenwoordig is Wortel een gevestigd schrijver en wordt ze regelmatig samen met Bervoets, maar ook Niña Weijers, Daan Heerma van Voss, Joost de Vries en Nina Polak onder de ‘Nederlandse millennialschrijvers’ geschaard.

Hoe was dat in 2009, toen ze net gedebuteerd was? Werd ze toen meteen al als ‘een schrijver van haar generatie’ onthaald? ‘In de periode dat mijn eerste boek verscheen, werd het literaire beeld bepaald door schrijvers als Arnon Grunberg en Joost Zwagerman’, vertelt Wortel. ‘Mensen vonden mijn werk vooral vreemd. Mijn toenmalige uitgever zag aanvankelijk ook niet veel commerciële potentie in mijn werk. Dat veranderde toen ik de Anton Wachterprijs won: toen werd ik ineens wel serieus genomen als verkoopbare schrijver. Dat vond ik ook meteen lelijk eraan. Door de jaren heen heb ik een beeld gekregen van de mensen die mijn werk graag lezen, en als ik nu een nieuw boek uitbreng weet ik vaak van tevoren al wie het niks gaat vinden. Ergens is dat vervelend. De eerste twee maanden na publicatie, wanneer alle recensies binnenkomen, zijn daardoor vaak een vermoeiend proces.’

Doordat Wortel in de jaren tien zo sterk werd neergezet als hippe millennialschrijver bestaan er een paar hardnekkige vooroordelen over haar werk. Eén ervan is dat haar boeken exemplarisch zouden zijn voor de autofictietrend die de afgelopen tien jaar het literaire landschap heeft medebepaald. Van de acht titels die Wortel heeft uitgebracht is er echter slechts één autofictie. Deze miscategorisatie komt hoogstwaarschijnlijk voort uit het vooroordeel dat aan millennialliteratuur kleeft, namelijk dat het navelstaarderig zou zijn. De brug met autofictie – een genre dat hetzelfde vooroordeel kent – is dan snel gemaakt.

In Affectieve crisis, literair herstel: De romans van de millennialgeneratie (2021) ontkrachten de neerlandici Hans Demeyer en Sven Vitse overigens de aanname dat millennialliteratuur zich kenmerkt door egocentrisme. Typerender voor deze generatie schrijvers, stellen Demeyer en Vitse, is dat hun werk duidt op een ‘verregaande vervreemding’ als gevolg van economische en culturele ontwikkelingen in de maatschappij. Die vervreemding is in het werk van Wortel ook tastbaar. In haar nieuwste roman Camping (2024) volgt de lezer in elk hoofdstuk een ander personage die op de titulaire camping verblijft. Allen zijn op de een of andere manier ontheemd: van een ex-soldaat met een posttraumatische stressstoornis tot een klimaatvluchteling die met haar gezin naar Nederland is gekomen; en van een vader met een huilbaby tot een beroemdheid die betrokken is bij een seksschandaal. Waar de ontheemding in Wortels vroegere werk wat individugerichter was – in IJstijd (2015), bijvoorbeeld, dat expliciet over zelfontdekking gaat – zijn de personages in Camping allemaal de pineut, of dader, binnen een bredere maatschappelijke problematiek. Het boek geeft daarmee een soort dwarsdoorsnede van de hedendaagse politieke debatten, maar zonder een uitgesproken oordeel te vellen.

‘Dat is, volgens mij, het voornaamste verschil tussen mijn generatie schrijvers en de schrijvers die nu opkomen: de nieuwe generatie lijkt wat meer te willen moraliseren.’ Wortel geeft zelf les aan jonge schrijvers aan de opleiding Creative Writing van een Nederlandse kunstacademie. ‘Ik merk dat mijn studenten zich erg bezighouden met hoe andere mensen hun werk lezen, en dan met name of ze wel ‘het juiste’ zeggen. Ze zijn ook kritischer op wat er volgens hen wel en niet kan in een tekst, politiek gezien. Ik snap dat dat bij de tijdgeest hoort, maar binnen de context van een kunstacademie verrast het me. Juist dáár ben je vrij en kun je veilig risico’s nemen, omdat je nog niet door een extern publiek wordt gezien. Mijn studenten zijn vanaf het begin van hun studie al nerveus over hoe hun werk op een extern persoon overkomt. Zelf benaderde ik de kunstacademie destijds als een grote vrijplaats. Maar dat is misschien weer een ander uiterste. In het verleden zei mijn vader weleens dat hij mijn werk te vrijblijvend vond omdat het volgens hem geen politiek statement maakte. Ik houd er gewoon niet van wanneer een maatschappelijke kritiek er te dik bovenop ligt. Liever heb ik dat de lezer voldoende ruimte krijgt om een eigen interpretatie aan het werk te verbinden. Zelf vind ik dat ook het fijnst wanneer ik de boeken van anderen lees, dat ik de intentie van de auteur niet hoef te doorzien om van het werk te kunnen genieten.’

Eens in de zoveel tijd zijn lezers gewoon toe aan een grote, nieuwe stem. Het hangt dan als het ware in de lucht, dat je bijna kan voelen: ‘Er komt weer iemand aan.’

Valkuilen

Zelf zit ik tussen de generatie van Wortel en die van haar studenten in. In 2019 verscheen mijn essaybundel Kleinzeer, over het opgroeien met een ernstige ziekte, en in 2022 mijn eerste roman De bakvis, waarin de seksualisering van jonge vrouwen een hoofdthema is. Eigenlijk voel ik me onderdeel van dezelfde schrijversgeneratie als die van Wortel, maar doordat ik tien jaar later pas debuteerde heb ik een soortgelijke blik als die van haar studenten meegekregen. In de bundel 11 onder 35: De beste nieuwe schrijvers (2024) beschrijft Marja Pruis, die de bundel samenstelde, de sociopolitieke verschillen tussen het literaire klimaat waarin Wortel opkwam, en die waarin ik debuteerde. Het verschil betreft slechts ‘een decennium’, schrijft Pruis, maar de laatste bundel met beloftevolle schrijvers uit Nederland – het eerdergenoemde De tien uit 2014 – lijkt volgens haar ‘van een ander tijdperk:’ die lijst is overwegend mannelijk, en vrijwel geheel wit. Anno 2024 zou dat niet meer stilzwijgend geaccepteerd worden, stelt Pruis, en terecht, alhoewel de hedendaagse compartimentalisering van identiteit ook weer haar eigen valkuilen kent.

In mijn eigen boeken, waarin identiteit inderdaad een uitgesproken rol speelt, herken ik zowel het literaire als het pamflettistische, net als in de boeken van mijn tijdgenoten. De teksten dienen in de eerste plaats als vermaak, maar het is onmiskenbaar dat er ook een maatschappijkritische onderlaag in zit. In hetzelfde jaar als waarin mijn roman verscheen, debuteerde bijvoorbeeld Nikki Dekker met Diepdiepblauw, waarin de auteur het sociale gedrag van vissen naast dat van de mens legt. Dekker omschrijft op speelse, haast neo-Romantische wijze de seksuele uitingsvormen van de verschillende dieren (vissen en mensen) en bevraagt zo de mate waarin normatieve heteroseksualiteit ‘natuurlijk’ is. Diepdiepblauw is daarmee, naast een natuurboek, ook een uitgesproken queer vertelling.

Een jaar eerder, in 2021, debuteerde Simone Atangana Bekono met Confrontaties, een roman over een zwart tienermeisje die in een jeugddetentiecentrum belandt nadat ze zichzelf verdedigde tegen racistisch geweld. In haar fragmentarische vertelling legt Atangana Bekono de nadruk op de interne wereld van Salomé, de hoofdpersoon, die enerzijds een typische opstandige puber is, maar tegelijkertijd een legitieme reden heeft om boos te zijn, als meisje van kleur dat voortdurend wordt ondermijnd door haar witte omgeving. Dekker, Atangana Bekono en ikzelf werden alle drie opgenomen in de bundel van Pruis. Hoewel stempels als ‘de beste’ altijd enigszins willekeurig en daarmee ongemakkelijk zijn, begrijp ik waarom Pruis ons en nog acht andere auteurs bij elkaar heeft gezet: omdat we het identiteitsbewuste van het huidige decennium vertegenwoordigen, maar ook de diffuse vertelstructuur hanteren die zo typerend is voor schrijvers van het post-internettijdperk.

Los van deze twee tamelijk brede kenmerken zijn mijn literaire generatiegenoten en ik erg verschillend. Zeker nu we langzaamaan aan onze derde en vierde boeken beginnen, wordt steeds duidelijker dat we in ons schrijven allemaal aan een ander inhoudelijk en stilistisch project werken. Wortel herkent dit ook bij de schrijvers van haar ‘eigen’ generatie. ‘Het was, en is, me meteen duidelijk dat we allemaal onze individuele stijl en benadering van een tekst hebben. Ook al werden we destijds opgeworpen als onderdeel van dezelfde stroming “hippe millennialschrijvers.” Ik denk dat die herkenbare eigenheid een groot verschil maakt, omdat je je dan ook niet met je collega’s gaat vergelijken. Een bijzonder verschil met onze generaties en die van de schrijvers die voor ons kwamen, is dat we niet vijandig zijn tegenover elkaar. Ik krijg de indruk dat we elkaar alles gunnen, en dat er daarom een vriendschappelijke sfeer is onderling. Misschien komt dat ook omdat mensen nu veel minder lezen dan vroeger, en er dus ook minder boeken verkocht worden. De economische verschillen tussen schrijvers die ‘goed’ verkopen en die minder verkopen zijn daardoor ook kleiner dan voorheen.’

De vriendelijkheid die Wortel omschrijft, herken ik ook bij de schrijvers van onze beider generaties. Wel heb ik ervaren dat het er in andere taalgebieden anders aan toegaat. In de literaire wereld van het Verenigd Koninkrijk, waar ik in 2018 debuteerde met een Engelstalige dichtbundel, is er bijvoorbeeld veel meer sprake van kliekvorming. Het Engelse taalgebied is zodanig groot dat de competitie onder beginnende schrijvers aanzienlijk is. Bovendien is er het Britse klassensysteem met haar subtiele verschillen tussen de sociale strata – inclusief de professionele kansen die daaruit voortvloeien. Daarnaast is het Verenigd Koninkrijk ook veel trotser op zijn literaire cultuur dan Nederland, waardoor er automatisch meer prestige aan een prijs, beurs of festival is verbonden. Met andere woorden, er staat op sociaal vlak meer op het spel voor een nog-niet-gevestigde schrijver, en dat schept vruchtbare grond voor ressentiment. Alhoewel Britse tijdschriften en jury’s, het moet gezegd worden, de laatste jaren wel hun best doen om ook schrijvers uit de lagere middenklasse en arbeidersklasse een platform te geven.

Wortel is zelf ook weleens het doelwit van ressentiment geweest. ‘Ik ben opgegroeid in Eemnes, in het Gooi, en dan bestaan er meteen bepaalde vooroordelen. Dat is interessant, want ik kom uit een heel ander soort milieu dan met het Gooi geassocieerd wordt, al hoeft dat in beide gevallen niets te zeggen over het werk. Natuurlijk is er een wisselwerking tussen afkomst en werk, maar de privépersoon wordt steeds vaker voor de kunstenaar geschoven. Ik denk dat literair succes in Nederland ook niet per sé afhangt van waar je vandaan komt. Eens in de zoveel tijd zijn lezers gewoon toe aan een grote, nieuwe stem. Het hangt dan als het ware in de lucht, dat je bijna kan voelen: “Er komt weer iemand aan.” Begin jaren negentig had je dat bijvoorbeeld met Connie Palmen en De wetten. Nu zie je iets soortgelijks met Oroppa van Safae el Khannoussi. Ongeacht wat de zogenaamde trends zijn, zullen er altijd schrijvers zijn die hun eigen plan trekken, en lezers die dat kunnen waarderen.’

Nadia de Vries

is dichter en cultuurwetenschapper

Recente artikelen