
Slavernij & kunst – drie tentoonstellingen over slavernij en de gevolgen ervan
We belichten kort drie tentoonstellingen waarin wordt stilgestaan bij slavernij, vooral de tot op heden voortdurende gevolgen daarvan.
1 Tabak
Weer zo’n plek in de stad die na het zien van een tentoonstelling toch anders aanhoort: Deliplein, genoemd naar Deli op Sumatra. Het eiland staat centraal in de tentoonstelling die het Van Abbemuseum heeft gewijd aan het leven op de tabaksplantages, lang na de afschaffing van de slavernij. Contractarbeiders leidden er een leven dat in weinig verschilt van dat van de slaafgemaakten die voor de afschaffing van de slavernij op diezelfde plantages te werk werden gesteld. De uitbuiting was enorm, soms zelfs gewelddadig, met de dood tot gevolg.
Thema's
Het Van Abbemuseum confronteert ons nu in een kleine tentoonstelling met deze geschiedenis omdat zijn naamgever, Henri van Abbe, een Eindhovense sigarenfabrikant, er zijn tabak inkocht. Van Abbe, nu vooral bekend van het museum, was honderd jaar geleden een grootindustrieel die meerdere sigarenfabrieken in de stad bezat. Hij was tot lang na de oorlog de op een na grootste werkgever van de stad.
De tabak bracht Van Abbe grote welvaart, zo groot dat hij een kunstverzameling kon aanleggen waar hij een eigen museum voor oprichtte, gebouwd door Kropholler, nog voor de oorlog. Hij schonk vervolgens een deel van de collectie aan de stad die ook het gebouw van hem overnam.
‘Waarom weten we zo weinig over wat er op de plantages in het voormalig Nederlands-Indië gebeurde?’, vraagt het museum zich nu af, om direct het antwoord te geven: er is in het koninkrijk tot op koninklijk niveau veel geprofiteerd van de koloniën, de wingewesten. Ook nadat de slavernij was afgeschaft bleef het systeem erop gericht de winst zo groot mogelijk te laten zijn, ten koste van de arme contractarbeiders, die ernaartoe gelokt met valse beloftes er niet of nauwelijks van profiteerden.
Met eigen onderzoek en de hulp van Reggie Baay, die er al langer mee bezig is, wordt nu veel van de ellende die destijds in de doofpot is gestopt, alsnog opgerakeld, in een documentaire presentatie waarin korte video’s het verhaal vertellen.
Het is zonder meer schokkend om het allemaal op een rij gezet te zien worden. De systematische uitbuiting was verschrikkelijk. De werkomstandigheden extreem zwaar, de inkomsten minimaal, de offers enorm – duizenden contractarbeiders probeerden te vluchten, velen vonden de dood. Binnen de kampong, waar de arbeiders onder een bijna militair bewind moesten verblijven, was alles op een perverse manier erop ingericht hen het verdiende geld ook weer afhandig te maken, door het aanbieden van gokdiensten en opium, waar velen vervolgens aan verslaafd raakten zodat ze, diep in de schulden, wel op de plantages moesten blijven werken na afloop van de contractduur.
De geschiedenis roept de vergelijking op met huidige vormen van exploitatie, in de landbouw bijvoorbeeld, waar tot op heden contractarbeiders worden uitgebuit en opgezadeld met kostbare diensten van werkgevers die ze op slinkse wijze aan zich willen binden.
2 Kerk
Bij tentoonstellingen gewijd aan slavernij is het de uitdaging duidelijk te maken hoezeer dat wat verteld wordt niet zozeer daar ligt, in het verleden, nu zo’n honderdvijftig jaar terug, maar dat het ook over nu gaat, hoe structuren van toen in stand zijn gebleven, uitbuiting wordt voortgezet, achterstelling voortduurt.
In de net geopende tentoonstelling Christendom en slavernij in Museum Catharijenconvent zijn er tussen de werken door video’s te zien met korte morele confrontaties, die het verhaal over slavernij van toen vertalen naar misstanden van nu. De preken maken op effectieve wijze duidelijk hoe hardnekkig bepaalde verhoudingen in welvaart en economie, in gewoontes en gebruiken, in bevoorrechte en minder bevoorrechte posities zijn blijven bestaan.
Als geheel biedt de tentoonstelling een groots en grondig overzicht op de relatie van kerk en slavernij vanuit protestants perspectief. Het is een verhaal dat niet heel makkelijk te vertellen is in een museum omdat, net als bij het verhaal in het Van Abbemuseum, de machthebbers ervoor hebben gezorgd dat de slachtoffers consequent zoveel mogelijk buiten beeld zijn gehouden. De geschiedenis richt zich bij voorkeur op de successen, de gefortuneerden en minder op hen die ervoor worden uitgebuit.
In Museum Catharijneconvent proberen hedendaagse kunstenaars dat beeld nu te veranderen en geven de slaafgemaakten een gezicht, heel letterlijk zelfs, in schilderijen, soms zelfs een geluidswerk. Van Kenneth James zijn er mooie portretten van tot slaaf gemaakten, Dion Rosina schildert een krachtig potret van verzetsheld Tula.
Vanaf het begin van de tentoonstelling wordt duidelijk hoe de kerk onderdeel was van een bewind dat er niet voor schroomde hele bevolkingsgroepen de vrijheid te ontnemen en te onderwerpen aan de meest extreme vorm van uitbuiting die de mensheid heeft gekend. Overal in de koloniën waren dominees medeplichtig aan deze gewelddadige onderwerping, die destijds werd verkocht als een beschavingsoffensief, een kerstening. Fijntjes merkt de tentoonstelling al aan het begin ervan op hoe overal in de koloniën, kerken werden gebouwd, uiteraard door slaafgemaakten. Ook in de forten zelf, als om de gedeelde belangen van politiek, leger, handel en kerk nog eens extra te bevestigen.
De tentoonstelling biedt meerdere verhaallijnen op micro- en macroniveau en zit vol mooie historische vondsten en bijzondere persoonlijke geschiedenissen. Er passeren enkele hardliners onder de dominees die schaamteloos de slavernij vergoelijken, maar ook enkele strijders voor de afschaffing ervan. De gestaag groeiende aanhang van de laatsten, onder wie de bekende Nicolaas Beets, leidde uiteindelijk tot de afschaffing ervan, nu ruim honderdvijftig jaar geleden.
3 Planter
Het Amsterdamse Museum van Loon is het huis van een welgestelde familie uit de ‘Gouden Eeuw’, waar de geschiedenis wordt verteld vanuit het perspectief van de geprivilegieerden. Ondernemers, bankiers, burgemeesters, ook planters (plantagehouders), zitten er onder de voormalige bewoners van het pand aan de Keizersgracht (tegenover FOAM). Meer recent ook nog een hofdame van Koningin Wilhelmina, die bepaalde wie er wel of niet op bezoek mocht komen.
De gefortuneerde familiegeschiedenis leidt onder de huidige nazaten toenemend tot zelfreflectie in tentoonstellingen die beogen het perspectief te doen kantelen en niet enkel te vertellen over het leven van de bevoorrechten, die overal in portretten de muren van het huis sieren, maar ook dat van hen die tot op heden de gevolgen van de uitbuiting moeten ondervinden. De nazaten van tot slaaf gemaakten op de plantages met name, zowel uit de Oost, waar de familie veel bezit had, als de West.
Ook de huidige tentoonstelling Home and the World van curator Thomas J. Berghuis wordt dat duidelijk, hoewel het niet het eerste onderwerp van de tentoonstelling is. Veertien kunstenaars van over de hele wereld onderzoeken de complexe verbanden tussen kolonialisme en nationalisme. Het zijn verhalen over het vluchten, over uitbuiting en discriminatie, over slavernij en bevrijding en andere vormen van koloniale strijd. Het loopt niet over van de verhalen over slavernij, maar er zitten wel enkele krachtige voorbeelden tussen.
Van Sue Williamson bijvoorbeeld, die in One Hundred and Nineteen Deeds of Sale de geschiedenis vertelt van 119 mensen die in de zeventiende eeuw in India tot slaaf werden gemaakt door de VOC en naar Kaapstad werden gebracht om te werken aan de bouw van Kasteel de Goede Hoop en de Kompanjiestuin.
Williamson heeft de verkoopaktes van de slaafgemaakten onderzocht, en hun gegevens met zwarte inkt overgebracht op katoenen werkschorten die uit India zijn geïmporteerd. Het textiel is op meerdre plaatsen in het huis te zien, en volgen daarbij de plaatsen en handelingen van het personeel van de familie (wassen, drogen, opbergen).
Onderhoudend is de film Kanaval van Leah Gordon uit Haïti, die vooral bekend is als artistiek leider van Ghetto Biennial, die furore maakte op afgelopen documenta. De film richt zich meer specifiek op een surrealistisch carnaval dat plaatsvindt in Jacmel (Zuid-Haïti) en gebruikt de personages die op dat moment door de straten lopen en met elkaar de succesvolle opstand van de slaafgemaakten vieren die uiteindelijk leidde tot de oprichting van de eerste Zwarte Republiek.
Indrukwekkend is ook het werk van patricia kaersenhout, wier werk zich afzet tegen de idyllische representaties van ‘de West’ op het behang in de kamer waar ze exposeert. Ze countert die ideale voorstelling met ruw versneden portretten van de Amerikaanse kolonisten van toen, door wiens gezichten heen een andere strijd zich steeds nadrukkelijker begint te manifesteren.





