Variaties op het thema thema
Ze zijn er nog niet zo lang: grote centrale tentoonstellingen op de Biënnale van Venetië. Pas sinds 1999. Toch dragen ze in belangrijke mate bij aan de explosieve groei van deze biënnale. Hoe kan dat?
Achteraf bezien is het een wonder dat Venetië zo lang themaloos is gebleven. Pas in 2001 kreeg de tentoonstelling een eigen titel mee, maar toen was het ook meteen goed raak: Plateau of Humankind. Met een blik op de titel van de komende editie onder leiding van Okwui Enwezor, All the World’s Futures, kunnen we constateren dat daarmee een traditie van alomvattende en pretentieuze thema’s werd gestart die tot op de dag van vandaag wordt volgehouden.
1999 betekende een nieuw begin voor La Biennale di Venezia. Na jaren van kritiek op het afgezaagde concept van landenpaviljoens in wereldtentoonstellingsformatie in de Giardini, uitdijende tegententoonstellingen elders in de stad en ruziënde selectiecommissies werd gekozen voor een nieuw middelpunt: de Arsenale. En voor een centrale curator. Voor de twee eerste edities in nieuwe opzet selecteerde men daarbij meteen de oervader aller curatoren, de uitvinder van het curatormodel en de megatentoonstelling met overkoepelend thema: Harald Szeemann. Het was Szeemann die na een neutrale openingszet met dAPERTutto (een voortzetting en uitbreiding van de Aperto tentoonstelling die al enige tijd als het op jonge kunst gerichte tegenbeeld van de landenpaviljoens fungeerde) in 1999, in 2001 meteen de hele mensheid op het podium posteerde.
De Biënnale van 2003 deed een poging Szeemanns alomvattende bombast te relativeren. Volgens hoofdcurator Francesco Bonami was de tijd van de alziende ensceneur voorbij, en kon kunst niet langer dienen om het publiek te overweldigen. Het moment was gekomen om de toeschouwer wat subtieler te benaderen. Bonami koos voor een groep curatoren uit verschillende hoeken om delen van de tentoonstelling te verzorgen. Het team bestond niet uit de minsten: Hans Ulrich Obrist, Hou Hanru, Catherine David, Igor Zabel en Massimiliano Gioni. De overkoepelende titel was wederom van een grote algemeenheid: Dreams and Conflicts. Verbazing wekt vooral de ondertitel: The Dictatorship of the Viewer. Dat men de beschouwer au serieux wil nemen is te prijzen, maar om hem nu als dictator te bestempelen gaat wat ver. Als ik me de tentoonstelling goed herinner bleef ik geheel verstoken van gevoelens van almacht. Er was veel te zien, er werd geëxperimenteerd met tentoonstellingsmodellen, het was soms zelfs opwindend. Maar als toeschouwer voelde ik me eerder overgeleverd aan een Politbureau van krachtige curatoren dan zelf in control.
In 2005 viel de keuze op twee curatoren waarbij Maria de Corral het Italiaanse paviljoen in de Giardini voor haar rekening nam onder het kopje The Experience of Art en Rosa Martínez de Arsenale inrichtte met als titel Always a Little Further. Opnieuw leek men van mening dat de toeschouwer niet moet worden overdonderd, maar begeleid in zijn tocht door de kunst. Achter deze even algemene als behulpzame titels schemeren echter de draden door van een wat gesleten discours over kunstervaring en micropolitieke machtsverandering dat juist in die tijd volop in gebruik was. Het laat zien dat de curator een ander profiel had gekregen: niet langer ingewijde en partijganger van de kunst maar een theoreticus, meer een denker dan een doener.
In de latere Biënnales is die relatieve bescheidenheid weer vervangen door de Szeemann-achtige grote sprong voorwaarts. Making Worlds kopte Daniel Birnbaum in 2009, voor een tentoonstelling die algemeen wordt gezien als een van de minste edities van de tien jaar. In 2013 veegde Massimilano Gioni alles bijeen in The Encyclopedic Palace. Enwezor voegt zich in deze grootschalige visie met zijn All the World’s Futures.
Filters
Met enkele citaten van Enwezor wordt die wereldomvattende ambitie summier toegelicht op de website van de Biënnale. Hij constateert eerst dat de wereld een gefragmenteerde puinhoop is, met ‘the evanescent debris of previous catastrophes piled at the feet of the angel of history in Angelus Novus’ [werk van Paul Klee, red.]. Om te vervolgen: ‘How can the current disquiet of our time be properly grasped, made comprehensible, examined, and articulated?’ Uiteraard met kunst, die zich al twee eeuwen enorm geïnspireerd weet door alle radicale veranderingen in de wereld. Enwezor hoopt zich in zijn tentoonstelling te wijden aan kunst en kunstenaars die zich weten te verstaan tot de huidige ‘stand der dingen’.
Wie zich met enige huiver afvraagt hoe de opeenstapeling van catastrofes concreet vorm moet krijgen in een tentoonstelling, leest onder het kopje The Exhibition: Parliament of Forms dat Enwezor daarbij hulp inroept van allerlei ‘filters’. ‘These Filters are a constellation of parameters that circumscribe multiple ideas, which will be touched upon to both imagine and realize a diversity of practices.’ Meer specifiek is er een filter voor het historische traject van de Biënnale zelf, en een filter die ingaat op de huidige ‘state of things’ en ‘appearance of things’. In totaal zijn er drie filters die vorm gaan geven aan All the World’s Futures: Liveness: On epic duration; Garden of Disorder; Capital: A Live Reading.
Vooral het laatste filter lijkt interessant. Das Kapital van Marx wordt hardop voorgelezen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Er valt veel over het kapitaal op te merken en de relatie van kunst tot de wereld van het kapitaal aan de ene kant en die van de politieke democratie anderzijds is zeer interessant en nog heel wat onderzoek waard. Te vrezen valt echter dat er vooral veel solidariteit betoond zal worden met wereldwijd minderbedeelden en dat zowel biopolitiek als ‘precariteit’ opnieuw streng zullen worden veroordeeld. En dat de sterke verwevenheid van de biënnale zelf met het kapitaal en kunstmarkt opnieuw niet openlijk ter discussie zal worden gesteld.
Waarom het succes
Terugkijkend op de laatste vijftien jaar zie je dat de Biënnale twee duidelijke lijnen volgt: er is een hoofdcurator die veel aandacht opeist, zelfs meer dan de deelnemende kunstenaars, en een thema dat even wereldomvattend als vaag is. Het stercurator-systeem heeft het gewenste resultaat: in de afgelopen vijftien jaar is het aantal bezoekers van de Biënnale verdubbeld: van 243.000 in 2001 naar 475.000 in 2013. Maar waarom toch altijd weer die nietszeggende, elk wat wils thema’s? Zouden er echt bezoekers zijn die verlekkerd uitkijken naar ‘alle toekomsten van de wereld’?
Thema’s en titels lijken een noodzakelijk kwaad. Zonder deze richtlijn raken we verloren in het woud van alle mogelijkheden. Een biënnale die simpelweg ‘Art’ heet wordt een beurs, zonder veel selectie. Thema/titel en curator garanderen de bezoeker dat iets getoond wordt dat niet eerder in deze combinatie te zien is geweest. Samen tonen ze de toeschouwer dat er iets is waar hij zich toe kan verhouden: een tentoonstelling met een concept. Naar model van Venetië zie je dat ook andere biënnales steeds nadrukkelijker hun concept naar voren schuiven. Alleen in Venetië heeft het steevast een nadrukkelijk universalistische ondertoon. Als biedt kunst de kortste weg naar wereldvrede.
Er speelt nog iets anders. Biënnales zijn gefixeerd geraakt op inhoud, een fixatie die onderstreept wordt door de tendens uitleggende bordjes bij de werken te plaatsen (verstandige mensen negeren die bordjes, maar wanneer je als lezer bent opgeleid word je er toch door verleid). De reductie van kunst tot informatie ontneemt kunstwerken hun unieke kracht die schuilt in de combinatie van inhoud en vorm. Steeds vaker drukt de zwaarte van het thema op de getoonde werken. Het is alsof je op deze biënnale telkens een kader binnen stapt dat de geest bedompt en de ogen omfloerst. Niet alleen schemert in die ‘eindeloos nieuwe verhalen’ iets door van all the world’s futures, opvallend is ook dat het niet de kunstwerken zijn die betekenis geven of betekenis ter discussie stellen, maar de overkoepelende kaders van musea en tentoonstellingen. Daarmee gaan de kunstwerken deel uitmaken van de ‘overvloed aan informatie die op mensen afkomt’. Het centrale thema van de Biënnale vormt in al zijn banaliteit een kader dat ons dwingt de getoonde kunst te lezen als informatie, een operatie waarin de ontcijferde boodschap voor de hand liggend of intrigerend kan zijn maar altijd afleidt van het totaal van het werk.
De Biënnale van Venetië wil ons een algemeen verhaal vertellen over de rol die kunst kan spelen in de hedendaagse geglobaliseerde samenleving. Door de kunst te presenteren als drager van informatie die verborgen ligt in de werken, en door curator cum thema voor ons ontcijferd wordt, voegen de getoonde werken zich willig en onwillig in een bestaand discours. Het verleent ze aanwezigheid, motivatie en betekenis. Maar tegelijk krijgt de toeschouwer het gevoel dat er iets ontbreekt, dat het kunstwerk ons niet vraagt zelf een ordening aan te brengen, niet uitdaagt te overwegen of er toch nog andere ‘futures’ mogelijk zijn. Het valt te bezien of Enwezor iets aan deze informatiedwang zal veranderen.
Jeroen Boomgaard





