
Verdient design meer? – Dertig jaar na Droog Design
Droog Design wordt in de ontwerpwereld gezien als een game changer. Het succes heeft het perspectief op wat design kan zijn enorm verbreed, maar tegelijkertijd ook versmald, blijkt dertig jaar na de eerste internationale successen van Droog. Nu de politiek oplossingen verwacht van design, onder meer op maatschappelijk vlak, blijkt de pers en het publiek niet goed in staat om voorbij het ontwerp als een leuk, inventief en grappig kritisch product te kijken.
De thermometer geeft 41 graden Celsius aan, het is juli 2023 en het zindert. Een hittegolf teistert Milaan. Ik krijg een mail binnen van de redactie van Metropolis M met het verzoek of ik een column wil schrijven over een presentatie van Droog Design bij het NI (Nieuwe Instituut) in Rotterdam. Men weet dat ik de ‘founding director’ van HNI (Het Nieuwe Instituut) ben, dat onlangs tot het NI is herdoopt. Bovendien ken ik beide initiatiefnemers van Droog Design goed. Ik antwoord dat ik er even over na wil denken. Er spelen ook nog wat andere verplichtingen en het is erg warm. Zo warm dat ik me afvraag of ik wel twee woorden achter elkaar kan typen. Enkele dagen later besluit ik toch ja te zeggen; de geschiedenis van Droog Design loopt weliswaar niet synchroon met mijn persoonlijke geschiedenis, maar kent gedeelde wortels en het toeval wil dat ik in de stad ben waar Droog Design eertijds zijn grote successen vierde. Ik zie het als een teken.
In Rotterdam was deze zomer bij het Nieuwe Instituut een presentatie rondom Droog Design, getiteld Droog30, te zien. Deze wordt als een installatie en niet als een tentoonstelling omschreven, waarschijnlijk omdat de internationale perceptie op Droog Design en niet de collectie zelf een centrale rol heeft. Verschillende uitkomsten van verschillende projecten uit verschillende jaren staan er door elkaar met op de wanden en vloer citaten van de internationale pers. Een onderdeel is een video waarin direct betrokkenen terugblikken op Droog.
De schok van het nieuwe lijkt bij de schrijvende pers te domineren – en die schok zou vervolgens een radicaal nieuw perspectief op design opleveren. Want daar is men het inmiddels wel over eens; Droog Design is een ware game changer. Vooraf aan de introductie van Droog Design wordt het domein van design – en dan vooral product- en industrieel ontwerp – nog gezien als de beste vriend van een industriële werkwijze; een werkwijze met een eeuwige honger naar meer ratio, naar meer efficiëntie. Design weet die honger met ieder ontwerp opnieuw tijdelijk te stillen, en moet dan ook worden gezien als de trouwe partner van een industrie. Maar met Droog Design blijkt design ook conceptueel of zelfreflectief te kunnen zijn. Een harde breuk met de voorgaande periode van deze nog jonge discipline.
Droog Design staat niet los van een bredere ontwikkeling in design. In West-Europa vertrekken de klassieke producenten van design naar lagelonenlanden en productdesign blijft verweesd achter. Het veld dient opnieuw te worden uitgevonden. Droog Design staat dan ook niet alleen in het verlangen om nieuwe wegen voor design te herkennen en te stimuleren. In buurland Duitsland werd bijvoorbeeld in de jaren tachtig van de vorige eeuw het boek Design Bilanz uitgebracht van de hand van de befaamde architectuur- en designcriticus Christian Borngräber. Hij toont aan hoe verschillende wijzen van toe-eigening en deconstructie – laten we zijn perspectief op design een vorm van ‘Post-Punk’ noemen – onderdeel zijn geworden van een meer contemporaine designpraktijk.
Borngräber komt helaas in 1992 te overlijden aan de gevolgen van aids; een jaar later wordt Droog Design opgericht. De naam Droog Design mag vandaag de dag resoneren als merk, maar moet, zoals betrokkenen in de bij de tentoonstelling vertoonde video vertellen, allereerst als ‘curatorial platform’ van oprichters Renny Ramakers en Gijs Bakker worden gezien. Zij herkennen in Nederland vormen van hergebruik en deconstructie bij verschillende ontwerpers – neem bijvoorbeeld de inmiddels befaamde chest of drawers van Tejo Remy uit 1991, die tot dan toe voor een groter publiek onzichtbaar zijn gebleven. Ramakers en Bakker nemen tevens enkele totaal ongebruikelijke stappen. Hoewel de eerste presentatie nog in het hoofdstedelijke Paradiso plaatsvindt, besluiten Bakker en Ramakers daarna Nederland in te ruilen voor een internationale meubelbeurs in Milaan, de Salone del Mobile. Hierdoor zal Droog Design blijvend met het huiselijk interieur worden geassocieerd, maar door de keuze voor de grootste meubelbeurs ter wereld als locatie krijgen hun presentaties tevens een enorme stroom aan internationale journalisten te verwerken. Journalisten die, tot dan toe, plichtmatig de beurs bezoeken om te rapporteren over oude ontwikkelingen in een actueel jasje, maar die zich dankzij Ramakers en Bakker opeens in het centrum weten van het Nieuwe. En Bakker en Ramakers doen nog meer.
Zelfs Droog Design heeft door het eigen succes aan kleur verloren.
Naast de keuze voor de Salone, wat een enorm effect zal hebben op het dan nog uiterst bescheiden parallelprogramma van de beurs, introduceren zij een totaal nieuwe, zelfs radicale designstrategie. Ze besluiten in Milaan niet zozeer presentaties rondom nieuwe interieurproducten te maken, maar jaarlijks uiterst aantrekkelijke en gethematiseerde tentoonstellingen voor het voetlicht te brengen. Het thema wordt hierbij benut als verbindend gegeven voor een complete collectie die voornamelijk bestaat uit prototypes en unieke stukken. Door Droog Design krijgen prototypes en one-offs een centrale plaats in de wereld van design. Het zou het begin inluiden van een tijdperk waarin design niet langer enkel gericht is op functionaliteit en industriële productie, maar waarin de communicatieve kracht van het prototype en het verbeeldende vermogen van de ontwerper centraal staat. Het blijkt een regelrechte revolutie. De designwereld valt even stil om vervolgens Droog Design juichend te omarmen. Een nieuw fenomeen is geboren.
Tot afgrijzen van Ramakers en Bakker wordt Droog Design in de media veelal neergezet als Dutch Design. Niet te vergeten; de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw zijn gefixeerd op merken, marketing en identiteit. Bakker en Ramakers zijn als curatoren niet geïnteresseerd in bijvoorbeeld natiestaten, noch in hun veronderstelde identiteiten. Zij zijn allereerst gefascineerd door gedeelde mentaliteiten van ontwerpers, en streven er vervolgens naar die zichtbaar te maken. In menig presentatie van Droog Design figureren dan ook doelbewust ontwerpers uit andere landen. Toch zullen beiden niet weten te voorkomen dat met Droog Design het idee van Dutch Design wordt geboren; een idee dat tot op de dag van vandaag resoneert. En niet zonder resultaten; menig kunst- en designacademie in Nederland wordt nog steeds overspoeld met inschrijvingen van buitenlandse studenten, die ‘Dutch Design’ willen studeren. Ondertussen is de Dutch Design Week in Eindhoven, inmiddels DDW geheten, met design als communicatie een alternatief op het parallelprogramma van de Salone in Milaan geworden.
Kortom, met en dankzij Droog Design heeft productdesign een nieuw leven gekregen. Niet zozeer op basis van die eerdere roep om functionaliteit, maar vooral dankzij een even communicatieve als tastbare vorm van verbeelding. Resteert de vraag wat dankzij het overweldigende succes van Droog Design niet zichtbaar is geworden. Zichtbaarheid produceert immers, vreemd genoeg, evengoed onzichtbaarheid. De mondiale populariteit van Droog Design heeft bijvoorbeeld geleid tot de onzichtbaarheid van andere, veelal gelijktijdige ontwikkelingen binnen design. Neem – in weerwil van alle pogingen van het voormalige Vormgevingsinstituut – de gebrekkige aandacht voor digitalisering of voor ‘social’ design in die jaren. Zelfs Droog Design heeft door het eigen succes aan kleuring verloren. Zo is Droog Design zelden tot nooit in verband gebracht met een even kenmerkend als productief subsidiesysteem in Nederland, terwijl zij juist door die mogelijkheden toch ook als een privaat-publiek fenomeen kan worden gezien. Hoewel het systeem niet langer even ondersteunend kan zijn als in de beginjaren van Droog Design, benut menig ontwerper tot op vandaag een overeenkomstige strategie als Droog Design – met een centrale rol voor het prototype, een op communicatie gerichte presentatie en een blijvende keuze voor de Salone – om mogelijk op basis van deze inmiddels overbekende strategie financieel te worden ondersteund.
Ronduit tragisch is dat het nostalgische verlangen naar het internationale media succes van weleer er waarschijnlijk toe bijdraagt dat de enorme schaalvergroting van design, ver voorbij het huiselijk interieur, niet gezien, laat staan gewaardeerd lijkt te worden. Ontwerpers zijn niet uitsluitend gericht op een product of een prototype, maar omarmen meer expliciet dan ooit tevoren verschillende vormen van onderzoek als middel om tot een mogelijk idee of inhoudelijk perspectief te komen. Het resultaat is de opkomst van wat ik eerder in dit tijdschrift ‘de probe’ heb genoemd (zie Metropolis M 2022/3). De probe kan gelijktijdig een instrument voor en een resultaat van een onderzoek zijn. De aandacht voor design lijkt echter, net als gedurende de hoogtijdagen van Droog Design, blijvend gericht op producten en prototypes.
Het inmiddels nog weinig actuele accent op onderzoek is niet alleen het resultaat van de enorme schaalvergroting die design de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. De politiek en vervolgens menig subsidiënt verwachten zelfs een uitvergroot en meer maatschappelijk perspectief van ontwerpers. Vraagstukken als klimaatverandering of de extractie en het hergebruik van grondstoffen behoren vandaag de dag tot het werkveld van de ontwerper. Tegelijkertijd is er her en der sprake van een eerste verschuiving die doet denken aan de hoogtijdagen van de Italiaanse avant-garde. Illustratief is dat er bijvoorbeeld nieuwe ideeën over esthetiek worden ontwikkeld. Niet langer gerelateerd aan een trendmatige visie op het huiselijk interieur, maar eerder als resultaat van een kritisch perspectief op gender of seksualiteit. Nogal logisch dat onderzoek een vereiste is om dergelijke vraagstukken tegemoet te kunnen treden. Het is teleurstellend te noemen dat de verschillende overheden de huidige vermaatschappelijking van design vrijwel afdwingen, maar noch als opdrachtgevers, noch door de introductie van regelgeving bijdragen aan een mogelijke realisatie van dat vermaatschappelijkte perspectief op ontwerp. Een gevolg hiervan is dat de mediamieke kwaliteit van Droog Design blijvend als enige werkelijkheid en mogelijke strategie voor design wordt gezien en andere ambities en werkwijzen ongezien en onbemind blijven.
Design – nee wij allen – verdienen meer. Al is het maar om tot een perspectief te komen voor de hitte. Want wat is het warm in Milaan!
Guus Beumer





