Verwarring als primaire conditie
Verwarring als primaire conditie
Interview met Liam Gillick
Cryptisch was de onuitspreekbare tekst die hij in twee gedeeltes op twee locaties in de Berlin Biennale liet aanbrengen, prozaïsch waren de brievenbussen en deurbellen voor Brusselse volkshuisvesting. Liam Gillick heeft veel gezichten. De kunstenaar die internationaal vermaard is om zijn grondige theoretische analyses van kunst en openbaarheid, is er zich van bewust dat het voor de buitenstaander soms moeilijk te volgen is. Voor hemzelf is er echter geen enkel probleem: zijn kunst is helder in haar onhelderheid.
Annie Fletcher: Je maakt objecten, schrijft, ontwerpt, geeft les en stelt tentoonstellingen samen. Hoe verhouden die verschillende activiteiten zich tot elkaar, is er een belangrijker dan de ander en hoe gaat het in zijn werk?
Liam Gillick: ‘Bij mij is er altijd een gemeenschappelijke kern van ideeën. Sinds kort ben ik bijvoorbeeld in toenemende mate betrokken in meer toegepaste, pragmatische situaties, maar ik realiseer daar dingen waar ik al vaker over heb. Toegepast werk zonder connecties met een veel zwaarder of geconcentreerd gedachtegoed, houdt voor mij geen stand. Dus naast mijn toegepaste werk ga ik deze zomer schrijven aan een nieuw boek met de werktitel Literally No Place.’
In je werk lijkt alles bewust weinig transparant te zijn. Ideeën neem je voortdurend in heroverweging en je lijkt een uitgesproken voorkeur voor een open einde te hebben. Is dat een bewuste strategie of meer een neveneffect van je manier van werken? Of wil je vermijden dat de dingen geïsoleerd worden of alleen begrepen worden als autonome kunst?
‘Op een basaal psychologisch niveau doe ik dat met opzet om een gevoel van verwarring op te roepen. Veel van de dingen die ik doe zijn doordrongen van het idee dat verwarring een primaire conditie is. Een matrix van onderlinge verbanden wordt opgebouwd door voortdurend tussen het ene en het andere te switchen. Ik zie het bewuste spel daarmee als een ideologische reflectie op de hedendaagse context, als een onpartijdige manier om de tijd waarin ik leef te beschouwen. Het gaat over het afwijzen van het idee van dat iets of iemand op zichzelf staat.’
Ben je eropuit om kanttekeningen te plaatsen bij bepaalde vastomlijnde modellen in de kunstwereld en daarbuiten? Bekritiseer je de context waarin artistieke praktijken functioneren?
‘Ik denk na over een bepaalde reeks van condities en mogelijkheden. Het is vergelijkbaar met mijn bewerking van het citaat van de socioloog Pierre Bourdieu in de 2. Berlin Biennale: umneouhliberalismkindofyouknowpromotessortofcommercialisationuhitstrengthensumtheyouknowcommercialkindofuhpole…
…whileuhweakeningumtheyouknowthekindofpowerofautonomyorwhateverIn sneltreinvaart beweegt het machtscentrum van bedrijfsleven en overheid in de richting van de culturele wereld waar ze zich de terminologie van de hedendaagse creatieve context eigen maken. Als je als kunstenaar deze situatie bekritiseert, zul je erachter komen dat hoe hoger je reikt in kringen van de macht hoe meer de mensen bedreven zijn in de omgang met je ideeën. Uiteindelijk houd je er soms een heel bijzonder contact aan over. Ik ga daar overigens heel anders mee om dan bijvoorbeeld Alexandra Mir, die werkt aan een boek over sociale kritiek en daarin allerlei mensen bijeen brengt. Ik ben meer een ouderwetse hardcore marxist die het niet zo zinvol acht om heel welwillend en bedachtzaam met het machtscentrum om te gaan. Ik werk er liever parallel aan. Mijn ideeën dienen door de partijen opgepikt te worden en uitgewerkt. Het is niet de bedoeling ze alleen maar aan te horen.’
Het is interessant om na te denken over de recente artistieke praktijk die zich bezighoudt met directe infiltratie in sociale en economische systemen, vanuit de gedachte dat het metaforische en symbolische volstrekt zinloos zijn. Verzet bieden loont pas als je zelf vuile handen maakt. Het gevaar is echter dat het opnieuw een soort dienstverleningsindustrie wordt.
‘Ja, dat klopt. Ik ben zeker geïnteresseerd in dat soort werk, maar de reden dat ik een net andere positie inneem is, afgezien van genoemde sentimentele marxistische inslag, dat ik heel pragmatisch omga met de implicaties van het werken in bedrijven. Ik ben bijvoorbeeld bezig met Telenor, een Noorse telecomfirma, die me uitgenodigd heeft een van hun ingangen te renoveren, gewoon als een ingreep in het gebouw. Ik meng me er echter op een andere manier in door gesprekken te beginnen over de manier waarop dit soort omgevingen tot stand komen, hun taal en hun functioneren, om zo te komen tot nieuwe manieren om erdoorheen te bewegen en zich de omgeving eigen te maken.’
Kun je iets meer over dit project vertellen?
‘Telenor is een staatsbedrijf met 8500 werknemers, een substantieel aantal van de complete Noorse bevolking, die allemaal moeten komen te werken in hun nieuwe hoofdkantoor in Oslo. Het gebouw heeft een J.G. Ballardachtig ontwerp en staat aan de rand van een oud vliegveld. Voorheen werkten de werknemers verspreid over het land, maar ze worden nu bijeengeplaatst, vooruitlopend op de op handen zijnde privatisering. Telenor heeft hetzelfde idee van een discursieve sociale ruimte zoals we dat kennen uit de kunst en architectuur van de laatste tien jaar. Er zijn een aantal oude kantoren op het complex, maar inmiddels ook ontspanningszones en cappuccino-bars zodat mensen, althans in theoretische zin, op een prettige manier kunnen werken. De werknemers in dit gebouw werken zonder vaste plek en dus wordt hun gevoel van zekerheid op de proef gesteld. Alles in het gebouw is zo vloeiend dat alles dreigt te verdampen. Ik ben gevraagd aan een ingang een nieuwe vorm te geven, waardoor ik op al deze plezierige en meer problematische thema’s zou kunnen ingaan. Ik heb echter besloten me eerst te richten op kwesties gerelateerd aan taal en het gebruik van het Engels als lingua franca. Ik heb geprobeerd te kijken naar de tijd voordat de Engelse taal eenvormig was, toen er woorden inzaten gerelateerd aan Franse en Latijnse bronnen en, nog belangrijker, toen de taal nog een ietwat koket potentieel aan pre-industrieel denken in zich droeg. Zodra je de foyer betreedt zullen er verdwenen beschrijvingen te lezen zijn, in combinatie met woorden benignity (gunst) en bounty (premie), die niet gebruikt worden in alledaagse situaties en een relatie met ruilwaarde impliceren.’
De lezing die je gaf in het kader van de manifestatie Indiscipline in Brussel was nogal gefragmenteerd. Ga je hem ook voor je nieuwe boek gebruiken?
‘Ik heb hem bewerkt voor een recente tekst in Parkett (zomer 2011), waarvan de ondertitel luidt: ”an introduction to the book Literally No Place”, maar het gaat ook een beetje over de situatie in Noorwegen. In die tekst probeer ik in te gaan op een nieuwe moraal in en nieuw besef over de bebouwde omgeving. Het lastige is dat je dat niet kunt doen zonder het twintigste-eeuwse extremisme erbij te betrekken. Daarom ben ik veel gaan lezen over het ontstaan van de mensenrechtenwetgeving, over de kunstwereld ten tijde van het Derde Rijk en de politieke redevoeringen van Hitler, Chroetsjov, Stalin en Lenin, naast een boek als Walden2 van B.F. Skinner. Het is alleen research, ik ga het niet direct gebruiken in mijn boek. Als ik niet zoveel historisch onderzoek had gedaan en ook geen boeken had bestudeerd over ethiek in de twintigste eeuw, zou mijn boek wat prematuur en metaforisch zijn. Zodra het klaar is zal het ongetwijfeld van invloed zijn op andere projecten van mij.’
Doe je nog andere dingen die liggen in het verlengde van deze projecten?
‘Ik heb nieuwe ontwerpen gemaakt voor de hallen van gebouwen die behoren tot de oudste volkshuisvesting in Brussel. Het gaat om zes afzonderlijke gebouwen in relatief arme buurten. We bouwen met kwalitatief zeer hoogstaande materialen zodat het geld vanuit de kunst wordt aangewend voor andere dingen. We gebruiken het geld bijvoorbeeld voor brievenbussen, vandaalbestendige intercoms, deurbellen en verlichting. Een geheel ander project is mijn bijdrage aan het Fort Lauerdale Airport. Dat zal een zeer groot gordijn worden, dat je op alle niveaus van de rondgang zult kunnen zien. Ik heb ook veel tijd een ontwerp voor een negentiende-eeuwse oude chemische fabriek in Hannover, die nog steeds rattengif maakt. Het is een werk dat zo zwaarbeladen en symbolisch is, dat het pijnlijk wordt. Deze projecten brengen een soort van toegepast denken en eigen onderhandelingsgebied met zich mee, waardoor de basis, de harde kern van ideeën minder duidelijk is. Het is meer een kwestie van mondeling iets tot stand brengen, als je daar in Brussel zit te discussiëren met de stadsarchitect tot je een rood hoofd hebt of door vaak naar Noorwegen te gaan om samen met het telecombedrijf iedere fase in de nieuwe manier van samenwerken te beoordelen. Met de man van die chemische fabriek praat ik nooit, ik handel alles af via een tussenpersoon, maar ook daar probeer ik te onderhandelen.’
Je toegepaste praktijk heeft dan wel betrekking op de echte economische en sociale situaties waarover we eerder spraken, tegelijkertijd leg je een daadwerkelijke interesse aan de dag voor een sterk esthetische vorm en ontwerp.
‘Ja maar het draait niet altijd alleen om schoonheid. De brievenbussen in Brussel heb ik ook zo ontworpen dat ze hartstikke sterk zijn. Niemand weet dat ze van mijn hand zijn. Maar de mensen daar krijgen fantastische brievenbussen. Ik heb gezocht naar de beste deurbellen voor die omgeving en kwam er toen achter dat de knoppen waarmee ze de machines van een vliegtuig aan- en uitzetten het beste zijn. Als die het niet doen ben je echt een kluns. Veel mensen zijn erg bezig met de vraag hoe je ergens een voet tussen de deur kunt krijgen, alsof dat op zichzelf al interessant en kritisch zou zijn. Ik raak daar op zich niet opgewonden van. Ik ben er namelijk niet echt van overtuigd dat als je al de processen in je werk maar transparant maakt, dat je daarom iets bereikt. Of dat je dan iets creëert dat de problemen rond het idee van metafoor, stijl en ideologie in de kunst overstijgt en een nieuwe, open situatie blootlegt. Tegelijkertijd ligt mijn interesse in kunst het feit dat ik ervan overtuigd ben dat je ooit een volledig transparant idee zou moeten kunnen realiseren.’
Een belangrijk gegeven in je werk vind ik dat de elegante sculpturale objecten, muurtekeningen, affiche- en boekontwerpen, teksten, ruimtes en objecten die je ontwerpt, zoveel betekenislagen hebben. Niets kan op zichzelf staan, noch in fysieke, noch in temporele zin. Je werk weerlegt die grenzen en zal nooit een punt achter zichzelf zetten.
‘Dat klopt, maar op het fysieke niveau heeft het ook iets definitiefs. Ik beschouw het niet als iets vloeiends, zonder letterlijke fysieke relatie tot de gebouwde wereld. Mijn ideeën zweven niet vrij en volledig autonoom door de wereld. Dat bestaat niet. Dat geldt ook voor mijn project in Belfast in order to be able to draw a limit to thought we should have to find both sides of the limit thinkable…we should have to think what cannot be thought. Voor mij ging dat werk net zo goed over de bebouwde omgeving als wat dan ook. Het schrijven van een onbeantwoorde vraag op de zijkant van een gebouw in Belfast of het plaatsen van een andere op een plaquette in een bar of de Habitat of wat dan ook, heeft alleen betekenis in een bepaalde, daaraan gerelateerde sociaal-politieke context van Belfast en staat niet gelijk aan een theoretische veronderstelling binnen de fysica. Ik ben behoorlijk geïnteresseerd in kunst die een eenvoudige oplossing voor de combinatie van vorm en inhoud vermijdt, maar ironisch genoeg produceer ik dingen die er als elegante autonome kunstwerken uitzien, althans tot zekere hoogte. De ideologische inhoud komt pas goed naar voren wanneer je mijn kunst vergelijkt met bijvoorbeeld dat van Donald Judd. In relatie tot zijn klassieke minimalisme ziet mijn werk er volkomen fout en verwarrend uit. Mensen kunnen niet begrijpen waarom het werk niet soepel in de omgeving functioneert. Maar voor mij is het duidelijk dat mijn kritiek op de semiotiek van de gebouwde omgeving het hart van deze dissonantie vormt.’
En hoe gebruik je design in deze kritische praktijk?
‘Design raakt zet me aan het denken over toegepastheid. In Noorwegen is er een concrete situatie en een omgeving waarin ik kan werken met iemand die de bewegwijzering doet. Dit soort mensen kunnen alles maken wat ik maar wil. Ze zijn gewend te werken in dit soort situaties met tekens in de bebouwde omgeving. In de jaren tachtig was iedereen bezig met ideeën over het teken volgens de ideeën van een half begrepen Baudrillard, vermengd met een typisch Amerikaanse pragmatische manier om de theorie te bevrijden van zijn relatie tot kunst. Ik ben meer geïnteresseerd mensen die in technisch opzicht verantwoordelijk zijn voor de productie van tekens. Ik interesseer me voor hun visie op hoe tekens zich gedragen, wat hun idee is over wat er mogelijk of onmogelijk is als het publiek de tekens niet meer als kunst ziet en hoe ze het deconstructivistische potentieel van het recente semiotische denken hebben geabsorbeerd, ook al weten ze dat zelf niet. Verder is een van de dingen die op iedereen van mijn leeftijd zijn uitwerking heeft, niet de invloed van het feminisme op zichzelf, maar wel de daaraan te relateren heroverwegingen van stijl en design, decoratie en handwerk en van het daarmee samenhangende idee dat decoratie geslachtsgebonden zou zijn. Toen ik nog op school zat, was het een vorm van kritiek als men zei dat je werk een beetje vormgeverig of decoratief was. Net als veel anderen van mijn generatie omarmde ik bepaalde aspecten van design als deel van een kritiek op de beoordeling van kunst volgens de terminologie van de gevestigde orde. Het probleem nu is relationeel van karakter. Hoe kun je de codering van de bebouwde omgeving eigen maken en ermee spelen, zonder te vergeten een gecondenseerde kern van ideeën te formuleren die eerder constructief dan puur reflexief van karakter is?’
Annie Fletcher





