metropolis m

Volkskunst
Een gesprek met Bartomeu Marí

Onder de titel A Arte do Povo exposeert een aantal Nederlandse kunstenaars op initiatief van Bartomeu Marí in Porto, de stad die dit jaar samen met Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa is. Het biedt een goede gelegenheid om met de Spanjaard, die dit jaar zijn zesde en laatste jaar beleeft als directeur van Witte de With, een gesprek te voeren over de identiteit van de Nederlandse kunst.

Let Geerling

In de catalogustekst die je voor A Arte do Povo schreef, typeer je de Nederlandse kunst als een vorm van ‘exorcisme’ waarbij de ver doorgevoerde rationaliteit die kenmerkend voor het Nederlandse landschap en de Hollandse mentaliteit zou zijn, wordt uitgedreven. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

Bartomeu Marí

‘Exorcisme is zelfbevrijding. In religies staat een priester of sjamaan een ander daarin bij. Ik gebruik het in sociale zin als een collectieve vorm van expressie. Soms hebben ze het karakter van een ritueel, soms ook niet. Denk aan popconcerten, voetbalwedstrijden, religieuze feesten, maar evengoed aan bepaalde soorten architectuur, zoals de grote nieuwe monumenten die de afgelopen tien jaar in Parijs zijn verrezen. De Nederlandse cultuur kent geen rituelen, je hebt er hooguit Koninginnedag of koopavond. De kunstenaars uit A Arte do Povo schuren daar ieder op een andere manier een beetje tegenaan. Ze laten zien dat de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is, nog geen zelfbevrijdend ritueel heeft gevonden waardoor ze als eenheid kan opereren.’

Let Geerling

Als je naar de beroemde Nederlandse portretten, stillevens en landschappen uit de Gouden Eeuw kijkt, zie je min of meer hetzelfde als wat jij bij hedendaagse kunstenaars constateert. Vermeer, Rembrandt, De Hooch, Ruysdael, uiteindelijk stelden ze allemaal de rationaliteit en redelijkheid van de Hollandse mentaliteit in het licht van de vergankelijkheid. De maakbaarheid en beheersing van alles werd ook toen al gerelativeerd.

Bartomeu Marí

‘Heel wat critici hebben de hedendaagse kunst uit Nederland in verband gebracht met het realisme uit zeventiende eeuw. Ik vind dat de criticus Tzvetan Todorov de zaak zeer scherp formuleert. Hij vraagt zich af wat er nu precies in die maatschappij uit het begin van de Republiek der Nederlanden is gebeurd waardoor er zulke schilderijen gemaakt moesten worden. Door de specifieke ontstaansgeschiedenis van de democratische staat met zijn volksraadplegingen aan het begin van de moderne tijd, heeft juist hier het idee postgevat dat kunst een zaak van iedereen is. Vandaar ook de titel A Arte do Povo, wat letterlijk volkskunst betekent. Het begin daarvan ligt in oprichting van de Republiek in 1588 en de Bataafse ontstaansmythe over de overwinning op het Spaanse absolutisme en de overmeestering van het water. Dat was een zaak van het volk. Voor mij ligt daar een cruciaal punt van de Nederlandse identiteit, zozeer dat de strekking van die oude ontstaansmythe nog steeds een referentie is. In geen enkel ander Europees land zie je dat. Denk aan Duitsland waar de hereniging van 1989 voor de jongere generatie het nieuwe ijkpunt wordt. Toen Immanuel Kant speculeerde over de materialisatie van de idealen van de Franse Revolutie, vrijheid van meningsuiting, geloofsovertuiging en tolerantie, schreef hij al dat dat in Holland allang een feit was. Dat was toen al zo en gaat nog steeds op. Kunst en cultuur zijn hier een zaak van het volk, iedereen kan er aan meedoen en iedereen kan er zijn mening over geven.’

Let Geerling

Die democratische gedachte is een politiek ideaal. De praktijk wijst uit dat kunst een aangelegenheid van de intellectuele elite is. Het gros van de Nederlanders gaat alleen naar het museum omdat het een verplicht onderwijsonderdeel is of omdat het buiten regent.

Bartomeu Marí

‘Natuurlijk is dat zo, maar we zijn er met z’n allen wel van overtuigd dat kunst goed voor ons is, een verworvenheid van de welvaart, iets dat bijdraagt aan de kwaliteit van het leven. In Nederland is alles veranderd toen Rick van der Ploeg in 1997 aantrad als staatssecretaris van kunst en cultuur. Hij benadert de kwestie puur economisch en stelt dat de legitimatie voor het geld dat de overheid in kunst en cultuur stopt niet in die cultuur zelf is gelegen, maar in het aantal afnemers van culturele producten. De titel A Arte do Povo neemt ook een loopje met zijn streven naar verbreding van het kunstpubliek. Want uit wie bestaat het volk vandaag in Nederland? Er wonen net als elders steeds meer mensen uit andere landen van over de hele wereld. Er is niet langer één duidelijk omlijnde cultuur. Verschillende waarden bestaan naast elkaar, het gistingsproces moet nog beginnen. Het exorcisme dat ik bij de kunstenaars uit de tentoonstelling constateer is daarvoor een instrument. Ik wil Nederlandse kunst laten zien die zich buiten het puur esthetische van het museum begeeft. ‘

Let Geerling

De tentoonstelling zelf vindt dan wel in een oude elektriciteitscentrale plaats, maar voor zover ik het nu kan overzien is het toch een redelijk klassieke presentatie van een verzameling kunstwerken. Eerder, net als in Venetië, een representatie van een bepaald soort status quo in de kunst, dan een bruisend laboratorium in een open verbinding met de alledaagse realiteit.

Bartomeu Marí

‘Een tentoonstelling is natuurlijk een uiterst beperkt medium, maar uiteindelijk blijft het toch de meest natuurlijke taal die de kunst kan spreken. Het niet-esthetische van de kunstenaars zit hem in het feit dat ze hun materiaal van buiten de kunstwereld halen. Hun werk gaat niet over kunst. Maar anders dan bijvoorbeeld de land art-kunstenaars van vroeger gaat de jongere generatie die met een fototoestel of videocamera naar buiten gaat, weer terug naar het museum of de galerie. Ze werken dan wel niet meer als klassieke kunstenaars, zonder kunstinstituten willen ze hun kunstenaarschap niet meer legitimeren. Daarom heb ik een echte tentoonstelling met kunstwerken gemaakt. We zijn allemaal wat minder streng in de leer geworden en hebben geen moeite meer met de terugkeer naar bepaalde traditionele waarden. Met A Arte do Povo wil ik ook laten zien dat kunst niet per se hoeft te bijten.’

Let Geerling

Het thema van de groepstentoonstelling Extra Muros die Jaap Guldemond en Marente Bloemheuvel voor de Biënnale van Venetië samenstelden, is Post-Nature. Ook zij wijzen de rationaliteit en het geloof in de maakbaarheid van alles aan als typisch Nederlands. Bestaat er dan toch zoiets als een duidelijk omschreven Nederlandse identiteit die zich als een pakje boter laat exporteren?

Bartomeu Marí

‘Dat zou prachtig zijn! Maar het klopt natuurlijk niet omdat er op dit moment in Nederland geen sprake is van een homogene en coherente culturele identiteit. Als je het over het Nederlandse landschap hebt ligt het echter anders. Het is in alle opzichten een symbiose tussen het natuurlijke en artificiële. Als je door Zuid-Europa reist, kom je overal reusachtige verlaten gebieden tegen die je vertellen wat voor ellende de natuur de mens aan kan doen. In Nederland is dat ondenkbaar. De criticus Hans Ibelings zegt het zeer treffend in zijn nieuwste boek: “Nederlandse architecten hebben een broertje dood aan het ondenkbare!” Dat is wel degelijk typerend voor de omgang met het Nederlandse landschap. ‘

Let Geerling

In je catalogustekst verbind je het idee van ‘volkskunst’ ook met het poldermodel van consensus en overleg waar Nederland het patent op zou hebben. Strookt dat nu werkelijk met de dingen die je hier dagelijks op straat tegenkomt?

Bartomeu Marí

‘Het beeld van consensus wordt in hoofdzaak door de media verspreid. Kijk naar het unieke publieke omroepbestel waar voor alles en iedereen wel een plaatsje is ingeruimd. Daarnaast is het vrijwel onmogelijk het onderscheid tussen politieke partijen te zien of hun specifieke agenda’s te ontcijferen. Maar de titel van de tentoonstelling refereert eens en vooral aan de vraag die vrijwel nooit gesteld wordt: voor wie wordt kunst gemaakt en uit wie bestaat het volk? In Nederland is dat momenteel niet duidelijk. Die vraag komt natuurlijk voort uit de huidige Nederlandse cultuurpolitiek, maar ik wil het vooral meer in het algemeen stellen, als een onderzoek naar de status van de huidige culturele productie. ‘

Let Geerling

Het idee van volkskunst gaat naar mijn idee wel letterlijk op voor het Nederlandse subsidiebestel. Voor alle vormen van kunst is in principe geld beschikbaar. Iedereen moet een kans krijgen. Levert dat nu ook meer goede kunst op dan elders?

Bartomeu Marí

‘Beslist niet. Het Nederlandse subsidiesysteem creëert een sfeer waarin elke vorm van competitie ontbreekt. Kunstenaars zijn daardoor ook niet solidair met elkaar, want zonder competitie kan er geen eensgezindheid ontstaan. Het werkt natuurlijk wel, al dat geld, maar het stimuleert de kunstenaar niet om beter te zijn dan een ander of om een collega te helpen om later bij diezelfde persoon aan te kunnen kloppen. Niemand kan echter exact beargumenteren waarom het een slecht systeem is. Kunstenaars hebben net als andere leden van samenleving recht op een redelijk bestaan. In andere landen voorzien de particuliere markt en het bedrijfsleven in financiële ondersteuning van de kunst. Of dat een betere optie is, weet ik niet. Kijk naar Groot-Brittannië waar de Nederlandse staatssecretaris van cultuur volgens sommigen zijn inspiratie vandaan haalde. De muziek- en mode-industrie hebben de muzikanten en ontwerpers daar enorm veel prestige bezorgd. En ook in de beeldende kunst heeft marketing er een lange traditie. Excentriciteit is er een morele waarde geworden, een culturele ook, en een financiële. Natuurlijk kleven er allerlei ethische bezwaren aan, maar het werkt wel.’

Let Geerling

De historicus Johan Huizinga vroeg zich in zijn studie naar de Gouden Eeuw al vertwijfeld af hoe het mogelijk was dat de economische en sociaal-maatschappelijke voorsprong van het zeventiende-eeuwse Nederland in relatie tot de rest van Europa in diezelfde tijd niet tot uitdrukking kwam in een cultureel overwicht ten opzichte van andere landen. Bijna vier eeuwen later is er weinig veranderd. Ondanks alle cultuurpolitieke en financiële impulsen zijn er nog maar bar weinig jonge Nederlandse kunstenaars die meedraaien in het internationale circuit.

Bartomeu Marí

‘Dat is hetzelfde liedje. Er is geen competitie, weinig ontwikkeling, er zijn geen pieken en dalen, en nergens heerst een gevoel van noodzaak. Alles is perfect in evenwicht. Op de cover van een van de laatste Artforums stonden als een godswonder twee Nederlandse kunstenaars. Dat is in twintig jaar niet gebeurd! Excelleren, beter dan de middelmaat zijn, maakt absoluut geen deel uit van de Nederlandse cultuur, de beeldende kunst incluis.’

Let Geerling

De keuze voor Liza May Post in Venetië wordt door de overheid beargumenteerd met de hoop dat die veronderstelde grote naam in het buitenland de aandacht als vanzelf naar de groepstentoonstelling van Nederlandse kunst zal trekken. Marketingtechnisch gezien zal het misschien functioneren, of het bijdraagt aan het vergroten van de inhoudelijke reputatie is maar de vraag. Wat is volgens jou als buitenlander die langere tijd in Nederland heeft gewerkt de beste remedie tegen het provincialisme dat de internationale positie van de Nederlandse kunst nog altijd plaagt?

Bartomeu Marí

‘Ik wou dat ik het wist. De politieke en financiële middelen zijn er om een soort Nederlandse kunstkoffer naar voorbeeld van Groot-Brittannië samen te stellen en over de grens te zetten. De vraag is wie die koffer samenstelt en wie hem uiteindelijk uitpakt. De Engelsen deden dat met hulp van de media en veel schandaal. Maar in Nederland zelf is er al niemand die zich echt ergens over kan verbazen of opwinden. Laat staan dat er iemand is die ook maar iets spectaculairs of uitdagends naar buiten kan uitdragen! Ook in de kunstkritiek is geen vruchtbaar debat: het is alsof je naar de keizer in het Colosseum kijkt, d’r op of eronder. Op de lange termijn heeft dat als ongewenst neveneffect dat het publiek bang wordt, in plaats van nieuwsgierig. Hoewel er beslist een heel kleine minderheid bestaat die echt met de kunst begaan is, draagt alles wat ik noem bij tot een algehele onverschilligheid ten aanzien van kunst. Kunst heeft hier geen aanzien. Dat is het verschil met andere landen. ‘

Let Geerling

Recente artikelen