
Waarom geloven we wat we geloven? – aantekeningen bij het katholicisme
Religie vormt een terugkerend thema in het werk van schrijver en curator Isabella Greenwood, die recentelijk meerdere tentoonstellingen maakte rond geloof. In deze tekst neemt ze ons mee in haar persoonlijke en filosofische reflecties op het katholicisme, en de sporen die het nalaat in lichaam, herinnering en in de relatie tot de ander.
I would like to ask her so many things:
How to rub shame of your best blouse
How to survive a bee storm
How to make God storm How to survive God
Joy Sullivan, ‘What Eve Knew’, uit: Instructions for Traveling West, 2024
Mijn eerste herinnering aan religie was de doop van mijn jongere broer. Men zegt dat je je eigen doop nooit herinnert, misschien omdat het ritueel ervan uitgaat dat je vóór de doop nog niet werkelijk geboren bent, althans niet in de ogen van God. Die van mijzelf herinner ik me inderdaad niet, alsof het sacrament niet helemaal was aangeslagen (en, vraag ik me nu af, zou me dat op de een of andere manier onheilig maken?). Het is alsof mijn eerste herinneringen aan religie gaan over de aard van herinnering zelf: als we ons herinneren dat we goed en gezegend zijn, zullen we heilig blijven. Zondigen we dan door te ze vergeten?
Toen ik negen jaar oud was, gaf een vrouw in de kerk mij haar rozenkrans. Hij lichtte op in het donker, net als de liefde van de Heer, zei ze. Die straalt zelfs in de duisternis. Ik bewaarde hem op mijn nachtkastje, naast een lichtgevende beeltenis van de Heilige Maagd Maria die ik van mijn grootmoeder had gekregen. Op sommige avonden wilde ik dat mijn kamer volledig donker was, maar met het licht van de Heer zou het toch helder zijn. Toch hing er, ondanks de vrijgevigheid van de vrouw, een voorwaarde aan haar gebaar (Bid elke avond, dan mag je hem voor altijd houden, zei ze). Een vorm van onvoorwaardelijkheid die afhankelijk blijft van een reeks voorwaarden, typisch voor religie. Wat als ik op een avond zou vergeten te bidden? Zou mijn kamer dan ophouden met stralen?
Nee, zei de priester die op zondag in de kerk was, jij wel. Mijn tweede les over religie was dat vriendelijkheid in religie niet zonder voorwaarden komt.
Het derde ging over de fenomenologie van het geloof. Tijdens mijn jeugd droeg religie een uitgesproken fenomenologisch gewicht. Die verankering begon in de kerk die ik elke zondag bezocht, een plek van ritueel, herhaling en eerbied, maar reikte verder, tot in de bredere parochiegemeenschap. Buiten dit sociale en architectonische centrum sijpelde het katholicisme door in het bredere culturele weefsel: het zat gecodeerd in mijn Italiaanse afkomst, ingebed in alledaagse, huiselijke gebaren. Maar misschien was de meest blijvende manifestatie van religie terug te vinden in het lichaam zelf: in het langzaam groeiende schuldgevoel en de voortdurende zelfbewaking. Zoals de psalmist schrijft: “Er is niets gezonds aan mijn lichaam vanwege uw woede, geen vrede in mijn gebeente vanwege mijn zonde.” (Psalm 38:3).
Hoewel ik het prettig vond om mijn kleine roze bijbel in mijn handen te houden – het gewicht ervan voelde betekenisvol – dwaalden mijn gedachten vaak af. Ik keek steeds herhaaldelijk op de klok tijdens de dienst. En telkens weer vroeg ik me af: is dit de ware betekenis van geloof? En in het verlengde daarvan: van religie? In stilte moe worden terwijl je wacht op verlossing, en toch blijven zitten (zelfs als de uitgang binnen handbereik is).
Het vierde ging over de manier waarop mannen naar vrouwen kijken. Naarmate ik ouder werd, worstelde ik minder met verveling en meer met de frustratie over de katholieke opvatting van vrouw-zijn. Als God wordt gedefinieerd als de bron van al het leven, degene die de wereld baart, dan volgt daaruit dat God, per definitie, een vrouw is – zij die in staat is tot schepping. Onder patriarchale systemen is God herleid tot heerser, rechter en man. Ze herschiepen God naar hun eigen beeld: losgemaakt van de baarmoeder, onttrokken aan het lichaam, en zo ver mogelijk verwijderd van het vrouwelijke. Zo ontstond een nieuwe God: ontlijfd en onmiskenbaar mannelijk.
Het vijfde ging over het geweld van het toe-eigenen van archieven voor politiek gewin. Een andere belangrijke les die ik uit religie trok, was het onderscheid tussen dienen en gemeenschapszin. Ik leerde dat de Schrift, verre van een neutraal vat van goddelijke waarheid, kon worden ingezet als wapen – losgerukt uit haar context en hergebruikt om politieke hiërarchie te legitimeren, sociale ongelijkheid te rechtvaardigen en economische systemen in stand te houden. Religieuze archieven bleken niet alleen getuigenissen van geloof, maar ook instrumenten van macht. Hetzelfde geldt voor de kunstgeschiedenis. Heilige beeldtaal is eeuwenlang gebruikt om gezag te naturaliseren, van monarchen met aureolen in middeleeuwse handschriften tot de theatrale grootsheid van barokke altaarstukken, geënsceneerd om te imponeren en te onderwerpen.
Verhalen over verlossing en opoffering veranderden in mechanismen van controle zodra ze door een patriarchale, koloniale of kapitalistische lens werden bekeken. Dit was geen les in devotie, maar in manipulatie: hoe het goddelijke ten dienste van het imperium, patriarchaat en uitsluiting kon staan. Heilige teksten dienden niet langer tot bevrijding, maar tot beheersing. Dat bracht me tot de vraag: kan religie bestaan buiten de instituties die haar vormgeven? En als dat zo is, mogen we het dan nog religie noemen, of verandert het dan in iets totaal anders? Hier beginnen de grenzen tussen religie, spiritualiteit en geloof te vervagen, en dringt zich de noodzaak op voor scherpere, kritischere definities.
Het zesde ging over de marktwaarde van vergeving. Op de ochtend dat ik de opdracht kreeg om deze tekst te schrijven, sprak een vrouw mij aan bij de ingang van het metrostation. Ze deelde folders uit met de tekst Jesus Saves. Ik moest denken aan het T-shirt uit de vroege jaren 2000 met de slogan: Jesus Saves So I Can Spend. Ik hield die gedachte voor mezelf, uit angst dat zij er de humor niet van zou inzien, en omdat het, op een bepaalde manier, ook voelde als nog meer bewijs van hoeveel ik misschien wel gered moest worden.
Thema's
Ze vertelde me dat ik vergeven kon worden. Vergeven, waarvoor precies? Het katholicisme, net als veel andere christelijke tradities, biedt de belofte van onmiddellijke vergeving. Geen ondervraging, geen moreel kruisverhoor. In theorie hoef je alleen te biechten, en de absolutie wordt verleend. Maar als zonde met één enkele uitspraak kan worden uitgewist, waar blijft dan de verantwoordelijkheid? Ze gaf me nog een folder. Op de voorkant stond: The book for you, met een kitscherige clip-art afbeelding van een bijbel, beschenen door lichtstralen. Ik nam hem mee naar huis, ironisch genoeg, misschien juist daarom.
Is vergeving iets dat je kunt verpakken, op de markt brengen, verkopen?
In religieuze economieën wordt vergeving gepresenteerd als oneindig, maar in de praktijk vaak selectief toegekend, op basis van systemen van verdienste, berouw en macht. In neoliberale structuren wordt vergeving gecommodificeerd – verpakt als zelfhulp, ingezet als therapeutisch instrument. Maar binnen die logica verliest vergeving haar aard als radicale daad van genade, ze wordt een transactie, opgeëist in naam van sociale of spirituele efficiëntie.
Het zevende ging niet zozeer over religieuze leer, maar over een reactie: het toe-eigenen van religie door een camp-lens. Katholieke propaganda is het best te verstaan met een Camp-gevoeligheid. De overdaad, het schaamteloze spektakel, leent zich moeiteloos voor ironische consumptie. Zoals Susan Sontag schrijft in Notes on “Camp”, wordt overdrijving een vorm van overleving, hier als manier om dogma te consumeren zonder eraan onderworpen te raken. Het ironisch lezen van bijvoorbeeld Jezus-pamfletten betekent niet enkel spotten, maar ook het theatrale van geloof erkennen, en misschien het gezag ervan ontwapenen.
Toch had ik iets van mijn katholieke opvoeding behouden, iets nostalgisch: de koele, schemerige kerken, met plafonds en muren vol met honderden met de hand gesneden en beschilderde engelen; de warmte van een zee van kaarsen onder een Mariabeeldje; een moeder die met gebogen hoofd heen en weer wiegt terwijl ze bidt, haar schreeuwende kind die aan haar mouw trekt; een oudere vrouw die alleen binnenkomt, een kaars aansteekt en haar blik naar de hemel richt.
Buiten de met steen ommuurde stilte bleef de cultuur van religie, specifiek het katholicisme, me fascineren: waarom geloven we wat we geloven? Hoe kan religie tegelijkertijd gemeenschap vormen én verdeeldheid zaaien? Hoe roept ze evenveel twijfel op als vertrouwen? Ze wekt conflict en troost, geloof en achterdocht.
Ik onderzocht deze vragen in mijn tentoonstelling God Willing (Londen, 2024), waarin queer kunstenaars hun eigen ervaring met religie herclaimen – of dat nu Grieks-orthodox, Iers/Italiaans-katholiek of boeddhistisch-katholiek is. Belangrijk is dat het hier niet gaat om een romantisering of esthetisering van religie, maar een toe-eigening van religieuze symbolen door een queer en hedendaagse lens. Zo verbeeldde M. Lissoni’s werk, zoals Saint John the Baptist, Patron of Baptism and people dealing with storms (2020), de iconografie van heiligen aan de hand van eigentijdse relieken: poppers, haarlokken van vrienden. Het met chroom beklede kruisbeeld van Dyke Viagra, gecombineerd met een lederen kralenmat vol tatoeages, vormde een devotioneel theater van queer martelaarschap, verlangen en het geërotiseerde lichaam als offer.
De toekomst van de katholieke theorie ligt noch in het verleden, noch in de toekomst, maar in het vlezige tussengebied waar beide samen kunnen komen.
Zoals bekend kent religie geen definitieve leer, en daarom keer ik terug naar het begin: het doopsel. Als religie een plaats is waarin we worden geboren, zou het dan ook een plaats kunnen zijn waaruit we groeien? Kunnen we haar verlaten en meenemen als een kritische – en soms ironische – reflectie? Zoals Deleuze schrijft: We bevinden ons niet in de wereld, we worden met de wereld; we worden door haar te aanschouwen. Religie is geen statische erfenis, maar een veranderlijke verhouding – iets waar je doorheen beweegt, van een afstand naar kijkt, en misschien zelfs opnieuw vormgeeft.
Isabella Greenwood
is schrijver en curator, die afgelopen jaren meerdere tentoonstellingen maakte gewijd aan religie




