
‘Wacht, dit kunstwerk heb ik al eens gezien’ – In gesprek met Hester Oerlemans
Hester Oerlemans (1961) pakt feestelijk én dubbelzinnig uit met haar overzichtstentoonstelling WINWIN in CODA Apeldoorn, naar aanleiding van het winnen van de Wilhelminaring 2025, een oeuvreprijs voor beeldhouwers. Er zijn keramieken ballonsculpturen, maar ook schilderijen, tekeningen en posters. Ondertussen staat Oerlemans stil bij het lot van vluchtelingen. Maarten Buser gaat met haar in gesprek.
Je maakt werk in veel verschillende media: van tekeningen tot beelden in de openbare ruimte. Hoe was het om de Wilhelminaring te krijgen, gezien dat specifiek een oeuvreprijs voor beeldhouwers is?
(Lachend:) ‘Nadat ik gebeld werd met het nieuws, dacht ik even: ‘O, de jury heeft zich vergist.’ Ik ben namelijk opgeleid tot schilder en tekenaar. Al mijn werk komt min of meer voort uit de tekeningen. In mijn atelier zijn tekenen en schilderen dan ook mijn voornaamste bezigheden. Maar ik heb ook veel werk voor de openbare ruimte heb gemaakt, dat refereert aan beeldhouwkunst. De jury heeft naar mijn hele oeuvre gekeken bij de toekenning van de prijs. De breedheid werd juist gewaardeerd.’
Hoe ben je begonnen met beeldhouwen?
‘Toen ik eind jaren tachtig studeerde aan de kunstacademie in Arnhem, konden we ons werk alleen in de donkere gang van het Rietveldgebouw tonen. Daarom ben ik met een aantal medestudenten kunstruimtes begonnen door plekken in de stad te kraken. We richtten onder meer het Paleis voor Schone Kunsten op. Dat was een heel groot gebouw, met plek voor ateliers, performances, solotentoonstellingen en filmavonden. Bands konden er ook optreden. Op zulke plekken zag je heel veel disciplines bij elkaar: van mode tot architectuur. Toen besefte ik dat er veel meer mogelijk is dan alleen tekenen en schilderen en ben ik een beetje de kunst gaan afkijken bij de anderen. In die tijd heb ik onder meer geleerd om ruimtes naar je hand te zetten. Het is geen kwestie van ‘je hangt een schilderij op en dan ben je klaar’. Samenwerken en zelf ruimtes creëren, dát vind ik eigenlijk een soort beeldhouwen. Vanuit die achtergrond ben ik kunst voor de openbare ruimte gaan maken. Zo zijn tekenen, schilderen en beeldhouwen gaandeweg synchroon gaan lopen, of elkaar gaan afwisselen.’
‘Samenwerken en zelf ruimtes creëren, dát vind ik eigenlijk een soort beeldhouwen.'
In het overzicht in het CODA wordt ook aandacht besteed aan je werken in de publieke ruimte. Die staan afgebeeld op posters die je mee naar huis mag nemen. Hoe ben je op dat idee gekomen?
‘De posters hebben als titel OPEN DAILY. Dat is een verwijzing naar de mogelijkheid om deze kunstwerken in de openbare ruimte ook daadwerkelijk te bezoeken. Daarom kun je de posters meenemen en staan het adres en openingsuren vermeld. Werken in de openbare ruimte zijn meestal voor een groot publiek gemaakt en bedacht, maar een groot nadeel is dat het publiek dat ik er ook mee wil bereiken – namelijk het kunstpubliek – deze werken zelden ziet.’
Er zijn ook twee andere posters, waarop je zelf te zien bent in zichtbaar te kleine kleding: Life/size 38 uit 2001. Wat is het verhaal daarachter?
‘De titel verwijst zowel naar maat 38, wat vaak als de ideale maat wordt gezien, en naar mijn leeftijd op dat moment. Die posters heb ik gemaakt in Berlijn, waar ik sinds 2001 het grootste deel van de tijd woon en werk. Op de foto’s heb ik H&M-kleding aangetrokken in maatje 38, wat mij niet past. Het is natuurlijk een kritiek op onrealistische schoonheidsidealen, waarin maat 36 zelfs nog de voorkeur heeft boven 38. Die posters hebben in bushokjes door heel Berlijn gehangen, als aankondiging van de tentoonstelling die ik daar toen had. (Lachend:) In het plaatselijke café werd me gevraagd: ‘Ben je nu het nieuwe H&M-model?’ Stiekem was dat toch wel een compliment. Ik vond het leuk om met de esthetiek van modeadvertenties te spelen en dat je in tweede instantie denkt: wacht, wat ik zie gaat toch ergens anders over.’
‘Werken in de openbare ruimte zijn meestal voor een groot publiek gemaakt en bedacht, maar een groot nadeel is dat het publiek dat ik er ook mee wil bereiken – namelijk het kunstpubliek – deze werken zelden ziet.'
Om terug te komen op het naar je hand zetten van ruimtes: de zaal in het CODA lijkt me een lastige plek om een tentoonstelling in te richten: nauwelijks muren, wel twee grote ramen, en dan ook nog eens die grote vensterbank. Hoe ben je daarmee omgegaan?
‘Ik heb voor de raampartijen twee witte wanden laten plaatsen met een tussenmuur. Daardoor krijg je twee ruimtes die ik heb laten spiegelen in de afmetingen en de plaatsing van de kunstwerken. Thema’s of materialen die je in de ene helft ziet, zie je in de andere helft in andere versies terug. Ik zie dat als een soort verdubbeling van de tentoonstelling. Er is bijvoorbeeld een kunstwerk met het woord ‘help’. De letter P zit op de as van een klok gemonteerd. Door het tikken van de klok verandert het woord voortdurend van ‘help’ naar ‘held’ en vice versa. In de andere ruimte zie je eenzelfde soort bewegend kunstwerk, maar dan met het getal ‘1961’ erop: mijn geboortejaar. Als het omdraait, blijft het 1961. Het is het enige jaartal in de twintigste eeuw dat ondersteboven hetzelfde blijft. Beide werken gaan over verdraaiing, tijd en spelen met woorden, maar op een net andere manier.’
Klokken zijn een terugkerend thema in je werk. Ook in het CODA zijn veel tekeningen daarvan te zien. Waar is die fascinatie vandaan gekomen?
‘Als kind snapte ik klokkijken niet. Toen ik het eenmaal begreep was dat echt een eureka-moment. Wat klokken zo fascinerend maakt, is dat ze steeds hetzelfde doen. Elke twaalf uur beginnen ze weer van voor af aan, terwijl de tijd zelf alleen maar vooruit kan gaan. Inmiddels maak ik overal ter wereld foto’s van klokken. Vaak gebruik ik zo’n foto als basis voor een tekening die dan de naam van die oorspronkelijke plek krijgt: Berlijn, Brno, Parijs, Pristina, enzovoort. De serie tekeningen heet samen Ticking; een titel die ook een beetje aan een tikkende bom doet denken.’
Je laat ook posters, tekeningen en schilderijen zien, hoewel het een tentoonstelling is naar aanleiding van een beeldhouwprijs.
‘Daar heb ik inderdaad wel over nagedacht. Enerzijds zijn veel van mijn beeldhouwwerken in de publieke ruimte te zien, dus die kun je niet letterlijk in het museum tonen. Anderzijds zijn schilderijen en tekeningen zo’n belangrijk onderdeel van mijn oeuvre dat ze niet mochten ontbreken. Ik maak tekeningen en schilderijen naar aanleiding van actuele foto’s die afkomstig zijn uit kranten en van het internet, maar ook op basis van foto’s die ik zelf maak. Beelden van vluchtelingen triggeren me bijvoorbeeld; hoe wij hen welkom heten en een ‘thuis’ geven, in de vorm van gymzalen vol met stapel- of veldbedden.’
De thematiek van de schilderijen wordt ook gespiegeld in de keramieken Flip Flops uit 2025.
‘In 2018 heb ik een serie gekleurde teenslippers gemaakt, ook van keramiek. Deze sculpturen leken op het eerste oog vrolijk, maar ze verbeelden de schrijnende vluchtelingenproblematiek. Veel mensen vluchten namelijk op hun slippers. In 2025 heb ik een versie met zwarte Flip Flops gemaakt, die je in het CODA ziet. Dat zijn geen paren, maar losse slippers. Samen met de zwarte kleur verwijst dat naar de rouw die bij vluchten hoort. Maar er is óók een gouden slipper: een sprankje hoop.’
De twee muursculpturen in de vorm van oren, Listen With Your Eyes uit 2026, vielen me ook op. Hun lijnenspel leek een soort schakel te zijn tussen je vrijstaande beelden en je tekeningen.
‘Ik ben al sinds kind was slechthorend. Ik moet jou echt goed aankijken om je te verstaan. Daar komt ook de titel van de beelden vandaan. Ik heb ze haaks op de muur gezet, want ik ervaar geluid vaak als een muur waar ik moeilijk chocola van kan maken. Eerst wilde ik die oorsculpturen veel massiever maken, maar die fragiele lijnen vond ik uiteindelijk toch beter passen.’
Heeft je slechthorendheid invloed op hoe je kijkt?
‘Wat doe je als je op school niet goed kunt horen? Dan ga je een beetje om je heen kijken, in je eigen hoofd zitten en fantaseren. Dat is eigenlijk wel een voordeel van slechthorend zijn.’
Ook opvallend zijn de keramieken Blobs uit 2017. Die staan uitgestald op de vensterbank van de tentoonstellingszaal, als een serie. Ik denk dat ik pas bij de derde of vierde zo’n ballonnentuitje zag. Toen ben ik weer naar het begin teruggelopen, om te kijken of de anderen die ook hadden en inderdaad: ze hadden allemaal een tuitje.
‘Al langere tijd maak ik sculpturen van lucht en rubber. Zo is de doorlopende serie Blobs ontstaan. Ik zie dat als materiële ontdekkingstocht, waarin ik me minder focus op de inhoud, maar op de techniek. Dat geeft me de vrijheid om de grenzen van het materiaal te verkennen zonder dat ik vastzit aan een vooropgezet plan. De Blobs zijn gesloten amorfe vormen, waarvoor ik ballonnen opblaas en vacuüm zuig. Zij vormen de basis voor de sculpturen.’
Hoe kun je de ballonnen eigenlijk fixeren?
‘Om daar een oplossing voor te vinden, ben ik gaan experimenteren met allerlei soorten epoxyhars als omhullende huid. Door meerdere lagen epoxy direct op de ballonsculpturen aan te brengen, ontstaat een dunne, bijna transparante laag. Maar ik werk ook met mallen waardoor het mogelijk is de vormen om te zetten naar keramiek. De versies van keramiek zijn letterlijk gebakken lucht. Ik streef er eigenlijk naar om het onmogelijke mogelijk te maken met de Blobs: lucht in een vaste, tastbare vorm te behouden. Dat maakt het werk niet alleen sculpturaal, maar ook bijna een wetenschappelijk experiment.’
‘Ik streef er eigenlijk naar om het onmogelijke mogelijk te maken met de Blobs: lucht in een vaste, tastbare vorm te behouden.'
Ik vind het moeilijk in te schatten hoe zwaar de Blobs zijn en merk ook dat dat te maken heeft met de kleur. Er zitten felroze exemplaren tussen en pikzwarte. Dan denk ik toch automatisch dat de donkere beelden het zwaarst zijn.
‘De Blobs zijn niet helemaal niet zo zwaar en de zwarte zijn juist het lichtst. In het CODA zie je ook twee keramieken Blobs die op een blikje staan. Dat verraadt hun gewicht een beetje, want een van die blikjes is al best wel gedeukt door het gewicht van een ballon. Die sokkels zijn bij toeval ontstaan. Ik had net een ballonsculptuur gemaakt en die wilde ik even ergens op zetten om te kijken hoe het er zo uit zag. Toen had ik net een blikje bij de hand en die combinatie beviel me wel: de lulligheid van dat blikje als sokkel voor keramiek, dat voor veel mensen toch bijna een heilig materiaal is. Als je een Blob zo scheef op een blikje plaatst, ontstaat er een spel met de zwaartekracht.’
Er zijn twee versies van deze Blobs in het CODA: eentje met een gedeukt blikje en eentje zonder die deuk. Is dat een voorbeeld van hoe je spiegeling inzet in de tentoonstelling?
‘Ja. Ik hoop dat bezoekers eigenlijk denken: ‘Wacht, dit kunstwerk heb ik al eens gezien. Wat is er nu anders aan?’ Als je tussen de twee helften van de tentoonstelling heen en weer blijft lopen, blijft die je aandacht langer vasthouden.’
WINWIN van Hester Oerlemans is tot en met 6 september te zien in CODA, Apeldoorn.
Maarten Buser
is dichter en kunstcriticus




