metropolis m

Er was een tijd dat ze er moe van werd steeds ‘geframed’ te worden als Irakees, terwijl ze al sinds haar negende in Nederland woont. Maar ze wist dit om te buigen tot een inspiratiebron: in haar werk zijn de nationale identiteit en al haar verdraaiingen steeds vaker het onderwerp.

Op een drukke vrijdagavond in 2016 stond Urok Shirhan (1984) met een megafoon op het Amsterdamse Leidseplein. In het Arabisch zong ze mee met twee geluidloze zangeressen op een ledscherm boven de Pathébioscoop. Naast het beeld liepen de woorden van het betreffende Iraakse volkslied Mawtini mee in het Arabisch en het Engels. ‘Witte Arabische letters op een zwarte achtergrond’, grinnikt Shirhan. ‘Best spannend. Toch wilde ik het doen, juist omdat het Arabisch wordt gecriminaliseerd. Bovendien is het lied voor mij ambigu. “Mawtini” betekent “mijn thuisland”, maar ik heb het niet over een bepaald land.’ In het kader van de Engaged Art Fair voerde Shirhan deze performance uit onder de titel Empty Orchestra, de letterlijke vertaling van het Japanse woord karaoke. Eerder dat jaar verwerkte ze hetzelfde lied in het audiowerk Post-National Anthems, waarin de teksten en melodieën van het Iraakse, Nederlandse en Amerikaanse volkslied tot nieuwe composities zijn gemixt. Shirhan ontdekte dat Mawtini pas na de val van Saddam Husseins regime tot Iraaks volkslied werd verkozen door een Amerikaanse commandant, niet wetende dat het van oorsprong Palestijnse gedicht het (onofficiële) volkslied van Palestina is. Shirhan: ‘Dit soort verwarringen rondom nationale identiteit en culturele artefacten fascineert mij enorm.’

Shirhan was negen toen ze met haar Iraakse ouders naar Nederland kwam en kreeg op haar veertiende de Nederlandse nationaliteit. Ze weigerde Nederlands te spreken tot ze een jaar later zeker was van een perfecte uitspraak. Toen in 2003 de oorlog in Irak begon en in 2011 de Arabische Lente uitbrak, werd ze plotseling geconfronteerd met een ander thuisland. ‘Steeds werd mij gevraagd: jij bent toch Irakees? Ik dacht: eerst willen jullie allemaal dat ik Nederlands word en nu dit. Ik was al die tijd hier!’ zegt Shirhan. ‘Ik wist niet wat ik ervan moest maken. Hoorde ik nu opeens iets te voelen?’ Lange tijd weigerde ze uitnodigingen voor projecten rond het onderwerp, ‘want dat was wat iedereen wilde’. Tegelijkertijd ergerde ze zich aan het publieke debat en wilde ze haar eigen frustratie begrijpen. Ze besloot de confrontatie met haar achtergrond aan te gaan. Shirhan: ‘Het was mijn beslissing: nu ga ik het erover hebben.’ Een van de werken waarin ze dat doet is Communist Parents (2013). Deze video toont drie leeftijdsgenoten van Shirhan, wier ouders net als die van haar actief waren bij de Communistische Partij. Als voice-overs lezen ze brieven aan hun ouders voor, waarin ze vragen stellen over hun vroegere idealen.

Het werk kwam tot stand in Beiroet, waar Shirhans ouders enige tijd woonden na hun vertrek uit Bagdad. ‘Mijn hele leven hoorde ik verhalen over die stad. Ik reisde naar Beiroet met het idee dat ik er een deel van mijn identiteit zou vinden en dat iedereen mij daar zou begrijpen. Maar niemand bleek geïnteresseerd’, vertelt ze. ‘Mensen zeiden: je hebt een Nederlands paspoort. Je bent gewoon Nederlands. Wat is je probleem? Dat was heel fijn. Voor het eerst in lange tijd was niemand geïnteresseerd in waar ik vandaan kwam. Mijn verhaal bleek niet bijzonder.’ Ze realiseerde zich bovendien dat haar werk eigenlijk helemaal niet over het verleden gaat, maar over het nu. Zoals haar ouders zich destijds politiek engageerden, waren er nu bewegingen als Occupy. ‘Net voor de opkomst van IS was er een periode waarin jonge mensen, deels uit het Westen, naar Syrië vertrokken om de plaatselijke bevolking te helpen’, herinnert Shirhan zich. ‘Ik vroeg me af: is dit een nieuw soort engagement, inter-, trans- of postnationaal? Proberen wij als kinderen af te maken wat onze ouders niet is gelukt? Of is het juist een herformulering?’

Ook in de video Watani Al Akbar (2015) zoekt Shirhan een dialoog tussen toen en nu. Ze bewerkte een operette uit 1958, geproduceerd voor de televisie in opdracht van de toenmalige Egyptische president. In een studio vertolken een orkest, een koor en achtergronddansers het gelijknamige lied, een soort hymne voor de pan-Arabische beweging onder aanvoering van de president. Steeds wanneer één van de solozangers (‘de Frank Sinatra’s van de Arabische wereld’) aan de beurt is, valt de geluidsband stil en vult Shirhans stem de zangpartij in. Een simpele ingreep met een vervreemdend effect. Ondanks de ouderwetse esthetiek en achterhaalde idealen, vond Shirhan het belangrijk de opname zonder spot te benaderen. ‘De uitwisseling tussen mijn stem en hun lichamen leek me het oprechtste gebaar. Ik zing het lied in alle ernst en probeer het zo goed mogelijk uit te voeren. De tekst verhaalt over modernisering, maar ook over een Arabische stem. Wij gaan de vijand verslaan: het zionisme, de Amerikanen, het kapitalisme. Maar in plaats van Palestina deels terug te winnen, verloor het pan-Arabische project in 1967 nog meer land. Het zit vol tegenstrijdigheden.’ Net als in Communist Parents onderzoekt Shirhan wat er overblijft van de ideeën en in dit geval ook de beeldtaal van gefaalde politieke projecten. ‘We kunnen die beelden alleen nog maar zien in de context van die tijd, als propaganda’, stelt ze. ‘We kijken niet meer onbevangen.’

Deze ‘besmetting’ van beelden beschouwt Shirhan als een vorm van bezetting, iets dat een rode draad vormt in haar werk. ‘Veel populistische bewegingen hebben tactieken van links overgenomen voor hun eigen gewin. Wat zijn de gevolgen van het verspreiden, omlijsten of puur herhalen van een bepaald beeld? Na een tijdje kun je dat niet meer traceren en niet meer ongedaan maken’, licht ze toe. ‘Het komt terug in hoe mensen zich informeren om beslissingen te maken, bijvoorbeeld wanneer ze gaan stemmen.’ Ze betrekt dit ook op zichzelf. ‘Sommige mensen vinden dat ik de verantwoordelijkheid heb mijn verhalen te delen. Maar het kan ook een last zijn wanneer je alleen nog maar met jezelf bezig bent. Zou ik het hier ook over hebben als ik ergens anders zou wonen?’ Shirhan waakt daarbij voor de lijn tussen engagement en reactionair gedrag. Ter illustratie noemt ze de protestborden bij anti-Trumpdemonstraties, waarop uitspraken als ‘nasty women’ en ‘make America hate again’ vervormingen zijn van Trumps uitspraken. ‘Daar heb ik steeds meer moeite mee’, zegt Shirhan. ‘We zetten die woorden alleen maar kracht bij. Wat willen we zelf? Zolang we dat niet kunnen verwoorden, weet ik niet of het zin heeft om alleen maar te reageren op wat de vijand doet.’

Wat betreft de rol van de actuele politiek in haar eigen praktijk, denkt Shirhan dat het ‘nu wel even genoeg’ is. ‘Het is geen thematiek meer, maar de alledaagse werkelijkheid’, verklaart ze. ‘Het is best heftig je daar voortdurend toe te verhouden. Ik moet daar niet altijd iets mee willen doen.’ Tot juli verblijft ze als resident aan het wetenschappelijk instituut NIAS, waar ze de mogelijkheid krijgt samen te werken met psychologen en neurowetenschappers. Ze probeert zichzelf op een andere manier uit te dagen. ‘Het wonen op verschillende plekken heeft me gevormd, vooral op het gebied van taal: ik wil een taal heel goed kunnen spreken.’ Zoals ze als kind vastberaden was uitstekend Nederlands te spreken, merkte Shirhan in Beiroet dat ze haar Iraakse dialect probeerde te vervangen door het Libanese accent. In dezelfde periode las ze het boek Black Skin, White Masks (1952) van psychiater en vrijheidsstrijder Frantz Fanon. Hij beschrijft hoe een zwarte man uit Martinique in het blanke Parijs wordt geïnfantiliseerd vanwege zijn accent, terwijl hij bij terugkomst wordt gewantrouwd om het verlies ervan. ‘Een openbaring’, vertelt Shirhan. ‘Het minderwaardigheidscomplex van het gekoloniseerde subject in spraak, handeling en mentaliteit. Zo had ik mijn ervaring nooit eerder beschouwd.’

Yasmijn Jarram

is schrijver en conservator hedendaagse kunst bij KM21 & Kunstmuseum Den Haag

Recente artikelen