
Wie bepaalt het ‘wij’?
Hoe kritisch de kunst zich op de Biënnale van Venetië ook toont, ze dient er als representatie van een natie. Hoe moet je in dat licht de deelname beoordelen van een dictatoriaal regime dat de eigen bevolking hardhandig onderdrukt en in Venetië opkomt voor de staatloze Palestijnen, die niet in Venetië vertegenwoordigd zijn. Sohrab Kashani bekritiseert bedenkelijke politieke mechanismen van de biënnale, waar ook de vertegenwoordigde liberale staten medeplichtig aan zijn. GO TO ENGLISH VERSION
Als kind dat opgroeide in Teheran, herinner ik me dat ik beelden zag van de Biënnale van Venetië en leerde dat elk land een eigen paviljoen had. Een huis voor de natie, dat was bedoeld als ruimte waarin ‘wij’ ons aan de wereld zouden presenteren. Het klonk eenvoudig, zelfs waardig. Maar ik herkende mezelf nooit in een ‘wij’.
Sinds 1979, na de Islamitische Revolutie, wordt de deelname van Iran aan Venetië georganiseerd door de Islamitische Republiek via het Ministerie van Cultuur en Islamitische Leiding en het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran. Wanneer Iran op dat podium verschijnt, is het de staat die verschijnt. Kunstenaars worden geselecteerd binnen een kader van ideologische aanvaardbaarheid. Het paviljoen is minder een weerspiegeling van een levendige kunstscene dan een instrument van culturele diplomatie, een zorgvuldig samengesteld beeld dat samenhang suggereert.
Het Iran dat ik kende, en de kunstenaars waarmee ik ben opgegroeid, waren zelden zichtbaar in dat beeld. Af en toe waren er momenten, afhankelijk van verschuivingen binnen de regering, waarop de selectie dichter bij de scene die er voor mij toe deed leek te staan. Maar die momenten hebben de structuur zelf nooit veranderd. Het kader bleef intact.
En dat kader is niet uniek voor Iran. Een nationaal paviljoen wordt toegekend aan een regering. Culturele aanwezigheid is gekoppeld aan soevereiniteit. Wanneer soevereiniteit autoritair is, is de vertekening duidelijk. Maar het model wordt niet neutraal alleen omdat een regering liberaal is. Deze biënnale berust op de aanname: dat een natie door middel van een tentoonstelling als een leesbaar onderwerp kan worden gepresenteerd.
Op de Biënnale van 2024 richtte het Iraanse paviljoen zich op Gaza en Palestina. Sommigen zagen dit als een blijk van solidariteit. Anderen zagen het als een poging van de regering om in het buitenland morele autoriteit uit te stralen, terwijl de regering thuis afwijkende meningen onderdrukte. Tegelijkertijd was er hevige controverse rond het Israëlische paviljoen, gezien de aanhoudende genocide in Gaza. Israël verschijnt in Venetië als een erkende staat met een paviljoen. Gaza niet. Palestina niet. Gaza komt indirect in de ruimte, gefilterd door het verhaal van een andere staat.
Dit is geen toeval. De Biënnale is georganiseerd rond erkende staten. Staatloze volkeren, bezette gebieden en versplinterde soevereiniteiten vertalen zich niet automatisch in ruimtes. Zichtbaarheid volgt erkenning.
Het proces klinkt eenvoudig: een land selecteert kunstenaars en die kunstenaars vertegenwoordigen een cultuur. Maar culturen bewegen niet in koor. Ze bestaan uit meningsverschillen, breuken, concurrerende herinneringen, onverenigbare verlangens. Wanneer een paviljoen het label ‘nationaal’ krijgt, wordt er iets gecomprimeerd. Zelfs wanneer de werken kritisch zijn, zelfs wanneer ze zich tegen de macht uitspreken, presenteert de structuur nog steeds een coherent onderwerp aan de wereld.
In het Iran van vandaag, na decennia van onderdrukking en hernieuwd geweld tegen demonstranten, en recentelijk het bloedbad onder demonstranten op straat, ontvouwen zich overal strijdpunten over wie namens de natie spreekt.
De Islamitische republiek presenteert zichzelf als de natie. Monarchisten scharen zich achter de zoon van de voormalige sjah en roepen op tot eenheid als noodzaak. In die taal van eenheid wordt onenigheid al snel gezien als ontrouw. Tegelijkertijd zorgen de standpunten rond Gaza en Israël voor een hertekening van de allianties binnen de Iraanse politiek zelf, terwijl de Iraanse strijd wordt opgenomen in bredere geopolitieke blokken. Ook hier wordt veelzijdigheid teruggebracht tot één enkele stem.
De Biënnale verzint dit niet, maar weerspiegelt het wel. Door cultuur te organiseren via nationale paviljoens, accepteert het dat regeringen de legitieme dragers zijn van culturele identiteit. Het behandelt een tentoonstelling alsof deze een bevolking kan vertegenwoordigen.
Wat betekent het dan om vertegenwoordigd te worden? Wie bepaalt het ‘wij’ aan de ingang van een paviljoen? Wanneer een internationaal erkende staat als cultureel subject verschijnt, terwijl staten zonder soevereiniteit geen eigen paviljoen hebben, welke vormen van legitimiteit worden dan stilletjes versterkt? Wanneer een regering die ervan wordt beschuldigd haar burgers het zwijgen op te leggen, zich presenteert als een stem van solidariteit voor anderen, wat wordt er dan precies opgevoerd?
Voor degenen die zijn opgegroeid met deze tegenstrijdigheden, is dit geen theoretische kwestie. Voor een paviljoen staan dat de naam van je land draagt en geen herkenning voelen, is een bijzonder soort afstand. Je bent aanwezig in het beeld, maar afwezig in het auteurschap ervan.
Zolang de natiestaat het kader blijft waarbinnen cultuur wordt geautoriseerd, verdwijnt de breuk niet. Ze reist met ons mee. Tussen wat wordt getoond en wat wordt beleefd. Tussen wie spreekt en voor wie wordt gesproken.
Deze tekst is uit het Engels vertaald door de redactie
Sohrab Kashani
is een kunstenaar, onderzoeker en curator die werkt met video, performance, installaties en langdurige, locatiegebonden praktijken. Kashani is mede-beheerder van Rabt, een kunst- en onderzoeksplatform, en oprichter van Sazmanab, een langlopende onafhankelijke kunstruimte in Teheran die nu voortleeft als een curatoriale en onderzoeksstudio in Rotterdam.




