
Wie bestuurt wie? – Li Yi-Fan Screen Melancholy
Het is een van de hoogtepunten van de huidige Biënnale van Venetië: Screen Melancholy van Rijksakademie-resident Li Yi-Fan namens Taiwan. Het project is een wervelende zelfbeschouwing op onze digitale conditie, waarin het overmatig schermleven ons zicht op de werkelijkheid definitief verandert.
Wanneer ik Li Yi-Fan in zijn studio aan de Rijksakademie spreek, zet hij een VR-bril op en laat hij me zien hoe hij zijn zelfgecreëerde wereld binnenstapt. ‘He is a little bit shy around other people’, zegt hij over de VR, terwijl hij het systeem opstart, alsof die zelf verlegen wordt zodra er iemand meekijkt. In die digitale omgeving beweegt een figuur die gebaseerd is op een 3D-scan van hemzelf. Hij laat me zien hoe hij de avatar bestuurt: een vorm van puppetry, met knoppen waarmee hij vingers, gebaren en props activeert. Het lichaam beweegt bewust niet realistisch, het schokt en is wankel, alsof vallen onderdeel is van de choreografie. Er zitten absurde details in verwerkt: een sigaret die uit een neusgat steekt, een roos als accessoire, een lijf dat onnatuurlijk alle kanten op kan buigen. Zelfs de blik is geconstrueerd: tijdens het opnemen heeft het personage geen ogen; die worden later toegevoegd, zodat het telkens oogcontact met de camera lijkt te zoeken. Het geheel roept een unheimisch gevoel op en legt bloot hoe kwetsbaar het menselijke lichaam kan worden in zijn digitale representatie.
Die spanning vormt ook de kern van Screen Melancholy, de door het Taipei Fine Arts Museum georganiseerde presentatie van Taiwan op de Biënnale van Venetië, gecureerd door Raphael Fonseca, die Li selecteerde. ‘Screen melancholy’ is voor Li een reactie op een digitale wereld die beklemmend aanvoelt. Hij behoort tot een generatie die opgroeide zonder internet, toen het nog niet onlosmakelijk verwikkeld was met ons leven. ‘Eerst was het scherm een soort portaal waardoor de wereld te begrijpen was en je kennis kon opdoen, die oneindige mogelijkheden bood. Pas later kwam de twijfel: wat is er eigenlijk “waar” achter die interface, en wat projecteren we erin omdat we het willen geloven?’ Zelfs wanneer we denken dat we de schermen sturen, sturen ze ons, door te laten zien wat we willen zien.
Je zou kunnen zeggen dat ‘screen melancholy’ een conditie van de huidige tijd is, en tegelijk een symptoom van hyperkapitalistische structuren, waarin Meta en Google de touwtjes in handen hebben. Ik denk dat velen dit gevoel wel herkennen van het oneindige scrollen waarna je je leeg voelt. Als ik in de ochtend de trein neem naar werk, zie ik iedereen al scrollen op Instagram en TikTok: het licht van het scherm verlicht hun vermoeide gezichten. Ik zie mensen op hun werklaptops mails beantwoorden, nog voordat ze op kantoor officieel de werkdag zijn begonnen. Vervolgens zit ik de hele dag achter een scherm, naar pixels te kijken die betekenis vormen en letters die, hoe langer de dag duurt, een abstractie worden. Eenmaal thuis, murw van alle digitale prikkels, toch maar weer kijken naar het laatste nieuws, recente Instagram-stories, mijn bieding op Catawiki en Vinted, opnieuw mijn mailbox openen en sluiten.
Is het scherm slechts een vlak oppervlak, of is het een systeem dat stuurt hoe je je tot de wereld verhoudt? Li beschrijft een kwetsbare positie: niet simpelweg technologie afwijzen, maar ermee leren leven en worstelen. ‘Ik probeer het publiek niet te overtuigen om “nee” te zeggen tegen technologie. Maar tegelijkertijd zeg ik ook niet dat technologie de oplossing is. Voor mij is het altijd een worsteling.’
Je zou kunnen zeggen dat ‘screen melancholy’ een conditie van de huidige tijd is, en tegelijk een symptoom van hyperkapitalistische structuren
Intuïtie
Die houding en interesse in technologie komen voort uit zijn achtergrond. Li studeerde af in New Media Art aan de National Taiwan University of Art en begon in traditionele keyframe-animatie, maar liep vast op het trage, omslachtige ritme. ‘Een paar jaar geleden begon ik me af te vragen: hoe maak ik het animatieproces intuïtiever? Traditionele animatie is traag, en het is moeilijk om te improviseren tijdens het maken. Toen ben ik mijn eigen toolkits gaan bouwen in een game engine, waarin ik als het ware in virtual reality kan performen. Ik denk dat dat het startpunt was van mijn praktijk.’
Vanaf het begin is dat ook een uitgesproken DIY-praktijk. Hij bouwt zijn eigen systemen om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van commerciële tools. Hij ontwikkelt zijn eigen mechanics en props en doet zoveel mogelijk zelf, tot en met de voice acting. ‘Zeventig procent van mijn tijd gaat op aan ontwikkelen’, zegt Li. Die intensiteit beschrijft hij als ‘een death match tussen de kunstenaar en software’, elke tool heeft mogelijkheden, maar brengt ook beperkingen met zich mee. Pas wanneer hij een wereld heeft geconstrueerd, kan hij erin stappen om haar te manipuleren; het narratief ontstaat achteraf. ‘Bij de productie werk ik niet met een gedetailleerd storyboard of script. Ik speel gewoon in de virtuele omgeving en neem alles op.’ Wie hem aan het werk ziet, begrijpt meteen wat hij daarmee bedoelt. ‘Wanneer ik in de virtual reality ben en het opneem, ben ik dat eigenlijk, en er is nog een “ik” die de camera vasthoudt.’
Veel van zijn werk draait om dialoog, met afwisselende stemmen, toon en ritme. Via monologen probeert hij uit te leggen hoe beeldvorming werkt, net als in een YouTube-tutorial. ‘Het zijn enerzijds technische gesprekken, waarin ik het publiek leer hoe beeldmaken werkt, een soort recursieve les over hoe moderne technologie mensen in staat stelt om beelden te maken.’ Het lichaam is daarbij nooit neutraal: digitale lichamen hebben vaak één soort normatieve vorm, bepaalde verhoudingen en dezelfde logica. Het personage in zijn werken draagt witte, geschilderde make-up die aan butoh-performers doen denken, en kan in nieuwe gedaantes en persona’s veranderen.
Het videowerk What Is Your Favorite Primitive (2023, 37 min.), dat te zien was bij de Rijksakademie Open Studios in mei vorig jaar, begint als een presentatie, maar ontpopt zich al snel als een dissectie van het presentatiemodel zelf. De film speelt zich af in een greenscreen-achtige setting: een scherm-achter-een-scherm, waarin je niet alleen naar de lezing kijkt, maar ook naar het opnemen ervan. Je kijkt naar een spreker die zichzelf presenteert, terwijl je tegelijk de randvoorwaarden ziet waarbinnen die presentatie mogelijk is. De verteller spreekt vanuit de positie van een onafhankelijke content creator, die zijn twijfel uitspreekt: ‘As an independent content creator I have had a magical feeling that I’ve got the power, I can learn and construct a very complex space and time all by myself.’ Maar direct daarachter schuilt de crux: ‘Without a computer I have no power.’ De overdenkingen gaan over de belofte van autonomie van de maker, die geldt zolang je binnen het regime van tools, interfaces en platforms blijft.
Ook in dit werk zit een soort ‘screen melancholy’, vooral in een van de latere scènes, waarin de figuur keyboard in een theaterzaal speelt. Na de hyperactieve presentatietoon verschuift hier het register van uitleg naar kwetsbaarheid. Hij speelt een melodie en zegt: ‘I heard that before you die, you will hear your favorite song.’ Misschien is het een besef dat onze herinneringen steeds vaker via technologie tot ons komen – denk aan de eindeloze galerijen foto’s en video’s op onze telefoons – terwijl we toch blijven zoeken naar een vorm van betekenis die niet volledig door het scherm wordt voorgeschreven.
Spel met taal
De videoinstallatie Screen Melancholy die hij zal tonen in de Palazzo delle Prigioni in Venetië, is ontstaan vanuit dat gevoel, maar ook vanuit frictie. Li vertelt dat het Mandarijn geen letterlijke vertaling kent voor het woord ‘melancholie’, alleen woorden die richting depressief en somber schuiven. Zijn werk ademt wel melancholie, een gevoel dat moeilijk vast te pinnen is, maar hij legt er tegelijk een laag donkere humor overheen. Die taalverwarring wordt onderdeel van de vorm. Li werkt expliciet tweetalig, Engels en Mandarijn door elkaar. Juist omdat zijn Engels niet perfect is, en het imperfecte spreken zoals hij dat expres doet in zijn werk, iets blootlegt over de autoriteit en performativiteit van taal.
In Screen Melancholy schakelt hij moeiteloos tussen registers: ‘Welcome to the Taiwanese Pavilion,’ zegt hij met een tutorial-achtige opgewektheid, om even later te vervallen in trage, bijna slaapverwekkende uitleg. Hij noemt het zelf ‘slow language’: spreken dat niet overtuigt door helderheid, maar door tempo en toon. Wat betekent animatie in het Engels?, vraagt hij. ‘Maybe you want to ask ChatGPT, I do it twice a week.’ Het is een grap, maar ook een opvatting van de huidige tijd, waarin zelfs betekenis lijkt te worden uitbesteed. We hebben het ook over hoe mensen steeds intiemer tegen chatbots praten: ChatGPT als therapievorm, of als gesprekspartner die altijd beschikbaar is. Maar ook over hoe die systemen zo ontworpen zijn dat ze je vaak teruggeven wat je wilt horen, en hoe taal geprogrammeerd is in een reeks contradicties: vaak ‘niet dit’, maar dat.
Die spanning keert terug in de narratieve opzet van de film. Li beschrijft Screen Melancholy als bestaande uit gesprekken, een verhaal in een verhaal, opgebouwd uit meerdere hoofdstukken. Er is een ‘family business between organs’, en de hoofdpersoon is het oog: een lichaamsonderdeel dat kijkt, registreert, en tegelijk verstrikt raakt in wat het ziet. Een stem, soms officieel, dan weer absurd, of AI die mansplaint. De film speelt bovendien met de vraag wat het überhaupt betekent dat een beeld door technologie is gemaakt. Op een gegeven moment moet de verteller haast bewijzen dat het werk niet door AI is gegenereerd. Wat blijft er dan over van representatie, van auteurschap, van kijken? Die verschuivingen in toon zijn geen stilistische gimmick; ze leggen bloot hoe snel we autoriteit toekennen aan digitale systemen.
Dat alles krijgt extra gewicht door de context van Taiwan. Het paviljoen is geen vanzelfsprekende nationale representatie, maar een collateral event georganiseerd door het Taipei Fine Arts Museum, omdat Taiwan geopolitiek niet als staat wordt erkend. In Screen Melancholy wordt die bemiddeling haast letterlijk: Li laat zien hoe je tegenwoordig zelfs moet ‘bewijzen’ dat een beeld niet door AI is gegenereerd. Daarmee verschuift de vraag van wat een beeld zegt naar wat het kan aantonen en onder welke voorwaarden. Daarachter schuilt een reflectie op de collectieve onzekerheid waarin technologie juist belangrijk is, omdat zichtbaarheid en technologische vooruitgang ook als definiëring van Taiwan wordt gezien.
Terugkerend naar zijn studio in de Rijksakademie, waar hij nog bezig is met zijn residentie, vertelt Li dat eerdere deelnemers vaak gevestigde namen waren met diepe netwerken in de kunstwereld. Nu staat hij ineens in dat format, met alle verwachtingen die daarbij horen. Hij lacht erom, maar de opmerking verraadt wat er meespeelt: de zichtbaarheid, het tempo, de verwachtingen. Screen Melancholy gaat daardoor niet alleen over technologie en hoe die zich in het lichaam nestelt, maar ook over identiteit die nooit helemaal vastligt en via schermen en systemen wordt gemedieerd. En de vraag blijft: wie bestuurt wie?
Li Yi-Fan, Screen Melancholy
Palazzo delle Prigioni, collateral event 61e Biënnale van Venetië 9.5 t/m 22.11.2026
Nadeche Remst
is kunsthistoricus en criticus, eindredacteur van Metropolis M




