Wish you were here
In het eden is de schilderkunst regelmatig gebruikt om politiek geïnspireerde visioenen van een betere maatschappij te verbeelden. Toch is het vooral een medium dat geassocieerd wordt met paradijselijke voorstellingen van werelden die dichter bij fantasie dan de werkelijkheid liggen, dichter bij Arcadia dan Utopia. Maxine Kopsa constateert dat Arcadia onder jonge kunstenaars erg leeft. Ze vraagt zich af waar ze het moet lokaliseren.
‘A drowsy, dreamy influence seems to hang over the land, and to pervade the atmosphere.’ 1
Er hangt iets saais om de gedachte aan Arcadia. Dat is vreemd want het roept wel degelijk idylles op. En idylles zijn hemels, overweldigend, betoverend, kortom ze zijn perfect. We brengen een groot deel van onze tijd door met het dromen over en zoeken naar deze bestaande (ze moeten bestaan!) idylles, en boeken hotelkamers, Bed & Breakfasts en landhuizen, op zoek naar verlaten eilanden. We spreken vrienden en wisselen toeristische informatie uit over het meest actuele, nog betaalbare, onaangetaste gebied, het ultieme toevluchtsoord. Romantisch, rustig, mooi. Ons eigen paradijs Arcadia. En toch is de gedachte aan Arcadia zo saai als muzak.
Waarom? De algemene omschrijving van Arcadia is niet veel veranderd sinds Et in Arcadia Ego van Poussin. Bucolische dromen, vredige heuvels met herders en schapen. 2 Saai. Geen gruis, geen mislukking en zeker niet sexy. En ook niet politiek. Als we naar politiek op zoek zijn, meer naar koppigheid en minder naar idylle, dan kunnen we beter te rade gaan bij Utopia. Toegegeven, verwant aan Arcadia in die zin dat het ook Nergens is, maar een nergens dat anders dan haar rijkere nouveau riche nicht, altijd in staat van wording verkeert, en mogelijk, hopelijk, het nieuwe fundament wordt van een betere wereld. Utopia begint bij een concrete situatie, de wereldbeschaving, een natie, en is erop uit een nieuw en beter systeem, een betere natie tot stand te brengen, namelijk zichzelf. Arcadia, anderzijds, is a priori onbereikbaar. Het is een soort eldorado, 3 waar het erom gaat te dromen. De onmogelijke droom te beleven… 4
Daar wordt het waarschijnlijk saai: je weet dat de droom nooit vervuld wordt, of preciezer, je zult zoeken en zoeken en je weet dat je het nooit zult vinden. Dat is de loze belofte van Arcadia. 5 Haar verleidelijke schoonheid is vluchtig, haar pastoraliteit landt nooit (geen ongedierte), wortelt niet (geen onderhoud) en er zijn nooit meer dan drie personen tegelijk (asociaal). Het is eigenlijk maar eenzaam.
Maar ik herinner me dat ik als kind erg opgewonden was over een boek dat vanwege al haar intensiteit evengoed Arcadia had kunnen heten. De titel was De geheime tuin en het stond op de leeslijst van de vierde klas. We waren vol verwachting als tienjarigen om eindelijk een boek te lezen over dat wat we allemaal in het geheim wilden: een geheime tuin, een verborgen plek, weg van de regels, die nog niet de onze waren en waar nieuwe, fijnere dingen, dingen die meer bij ons kinderen pasten, ons zouden omringen. We hadden geen idee van wat zich binnen de muur die de geheime tuin omringde, bevond. We hadden maar twee woorden: Geheim en Tuin.
Het kostte ons maanden om het boek door te werken, maanden om door te dringen tot het geheim. De suggestieve hoofdstuktitels werden halve gedachtes, halve dromen en intensiveerden alleen maar het oneindige wachten op wat wij langzamerhand begonnen te zien als ons Arcadia. 6
Dus toen we eindelijk de verdomde tuin bereikten waren we meer dan teleurgesteld. Wat een verspilling. Het was gewoon een tuin. Ja, verlaten en ja, ommuurd en overwoekerd maar toch niet meer dan een gewone tuin. Niks geen magie, geen feeën, geen nieuwe wereld, geen dromen. Onze hoop crashte.
Let wel, we waren kinderen, kinderen gericht op directe ervaringen. We waren nog niet in staat om afstand te nemen van wat we lazen om de totaliteit van de situatie te kunnen waarderen. We waren niet in staat om de positie van de voyeur (of de intellectueel) in te nemen en afstand te nemen van onze primaire, emotionele reacties om te zien dat onze verlangens en frustraties en het opbouwen van de spanning zelf een onderdeel waren van het spel van de geheime tuin. Onze opwinding kwam niet voort uit getoetste kennis, maar uit onze speculaties en veronderstellingen aangaande wat een Geheime Tuin zou kunnen zijn. We werden gedreven door onze eigen projecties en voorstellingen, vol vooroordelen, vol clichés.
‘If ever I should wish for a retreat whither I might steal from the world and its distractions, and dream quietly away the remnant of a troubled life, I know of non more promising that this little valley.’
Maar toch, maar toch, zelfs als volwassenen dromen we nog over Arcadia. We worden nog steeds verleid en geprikkeld en ergens blijven we op zoek naar dit clichématige paradijs. Een geheime tuin. Dat is precies waar de schilder Silke Otto-Knapp (Osnabrück, 1970) mee bezig is. Wat is banaler dan een reisgids? Wat is er gewoner dan pagina na pagina grote hotels, palmbomen en zwembaden met te blauw water te zien? Alles in een reisgids is te blauw, te groen of te wit, de lucht, de gazons en de gebouwen. Allemaal om te verkopen. Veel van Silke Otto-Knapps werk uit de jaren 1999 tot en met 2001 houdt zich bezig met die glamour en de opgewaardeerde kleuren. Ze toonde, herhaalde en droomde ze opnieuw. Ze schilderde de dromen van reisgidsen en gaf ze titels als Mirage I, Mirage II, Flamingo, Riviera en Blue Palmtrees. Ze mixt totale banaliteit en laag amusement met het feit dat we allemaal de droom delen om te ontsnappen, om ergens anders een perfecte plek te vinden. Het paradoxale hand in hand gaan van banaal toerisme en verlangen, wordt pastelkleurig uitgesmeerd in een zoetig beeld. Waarom? Omdat haar droombeelden in waterverf op veel niveaus werken. Ze brengen ons terug bij onze simpele zucht naar het banale en tonen onze eigen trivialiteit door het ons mogelijk te maken ons verlangen naar die banaliteit onder ogen te zien. Ze zorgen ervoor dat we onszelf tegelijkertijd slim en onnozel voelen. De onduidelijke en met opzet incomplete beelden, die van het canvas lijken te glippen als verbleekte herinneringen, verlenen ons juist genoeg ruimte om de rest van ons banale verlangen in te vullen en net voldoende figuurlijke ruimte voor de rest van onze intellectuele overwegingen. 7 Met andere woorden, Silke Otto-Knapp brengt ons naar Arcadia en verlost ons ervan. Ze toont onze ware verlangens en hun verwording. Het is precies als met De geheime tuin, alleen zijn we nu volwassen. Nu kennen we onze snelheid, zogezegd. We kunnen tegelijk de limieten en de absurditeiten van onze eigen wensen inzien. Nog beter, we kunnen dat intellectueel waarderen (en ervan genieten). We zijn getuigen van de werking van het mechanisme achter het concept Arcadia.
Otto-Knapps recentere aquarellen tonen vooral planten en tuinen. Het lijkt of het werk van stedelijke dromen naar fraaie landschapjes geëvolueerd is, en daarna naar tuinen in kassen die ze bijna als oerwoud afbeeldt. Ze ziet een gelijkenis tussen de kracht van neonlicht en die van begroeiing. Van heldere lichten in de grote stad zijn we naar flora met vleugjes stedelijke architectuur gegaan. Beide zijn volgens de kunstenaar even kunstmatig in hun overdaad en beide zijn in staat om een proces van ontbinding te initiëren. Ze geeft een voorbeeld: ‘De Huntington Gardens in Pasadena [het onderwerp van tenminste drie van haar recente werken, MK] worden omringd door de San Gabriel Mountains. Kunstmatige natuur verschijnt hier als een locatie in de “echte” natuur.’ De natuur wordt zo kunstmatig gereconstrueerd en verplaatst, ze wordt geregisseerd en aangepast en tot beeld gemaakt. Ze zegt verder: ‘Als eigen landschap wedijveren deze tuinen met de natuur gebaseerd op criteria van decoratie.’ Deze manie om het buiten te verzorgen en het natuurlijke op te tutten opdat de natuur aan onze verwachtingen voldoet, deze manie om de natuur te gebruiken om te voldoen aan onze vooroordelen en clichés, dit is onze poging om Arcadia te verwerkelijkenn.
De golf van schilderkunst in de instituties en de media lijkt erop te duiden dat het publiek snakt naar het schilderachtige, niet alleen in beelden en de symbolen die gelezen kunnen worden, maar ook in het vakmanschap van de schilderijen. Vakmanschap in de zin van handgemaakt. Deze kwaliteit wordt de laatste tijd benadrukt door de makers en verwelkomd door het publiek. Veel nieuwe schilderkunst toont handgemaakte, tweedimensionale vertellingen die verslag leggen van het heden op een heel andere manier dan de pop-art. Deze vertellingen zijn zich bewust van hun vlakke, decoratieve karakter, ze maken gebruik van kant en klare schilderkunstige elementen, citeren maar eigenen zich de citaten niet toe zoals in de jaren tachtig en negentig het geval was (van David Salle tot Tobias Rehberger). Appropriation was toen gladjes en had te maken met consumentisme. Deze nieuwe schilderijen eigenen zich ook stijlen en verhalen toe, maar doen dat eerder ordinair. Het is even gericht op de oppervlakte als haar voorganger die met toe-eigening bezig was, maar het is nu een ernstige oppervlakte, eerlijk in haar handgemaaktheid. Het is een oppervlakte van vakmanschap die haar vlekken niet verbergt omdat ze een deel van het verhaal zijn. Net zoals de mislukte techniek van Silke Otto-Knapp perfect versmelt met haar dromerige suggesties, zo verenigt haar glossy reisgidsenesthetiek zich met haar oprecht gemeende mooie afbeeldingen.
Delacroix zei dat we het schone niet moeten verwarren met het schone van andere tijdperken. En hij vertelt ons ook: ‘Ga verder, wees brutaal genoeg wanneer je moet zeggen dat het schone van dertig of veertig jaar geleden nu lelijk is. (…) Een nieuwe revolutie is nodig om de ideeën van de mensen te veranderen alvorens we in al dit materiaal de personen met waarde weten te vinden.’ En een kleine revolutie is gaande.
Een machtige naakte engel, half mens, half vlinder, spreidt haar enorme vleugels en kijkt naar beneden van een lichtblauwe bergtop. De hemel achter haar is smeulend oranje-bruin. Haar borstkas is vol lucht en steekt vooruit, roept ze haar volk? Een oproep aan de troepen van half-mens, half-vlinders? Een zoetige jonge muze speelt de luit (de luit nota bene) tegen een achtergrond van verwassen grijze en roze tinten. De letters LOVE zijn op haar vingers geschilderd en ze draagt een Grieks-Romeins gewaad. Een naakte vrouw zit half gekeerd met gekruiste benen op de grond bij een boom waarachter de zon ondergaat met een explosie van paars en geel. Geschilderd op een lang stuk zachte zijde zit een sexy vrouw schrijlings op een rustieke houten tafel. Ze kijkt naar ons, verleidelijk, bijna smekend, terwijl een kikker naar haar omhoog kijkt tegen een modderige achtergrond. Een moederzwaan, in pastel, zweeft boven een abstracte achtergrond, jonge zwanen wachten onder een kolkende zee van verschillende kleuren. Een vrouw, getekend met potlood, kijkt naar haar eigen spiegelbeeld op de top van een niet afgemaakte vallei. Gele bergen omringen haar.Wat zou Delacroix daarvan zeggen?
Met de vijand slapen
Het lijkt erop dat we de gebrekkige hand van de maker willen zien om te weten wat hij te zeggen heeft. We willen dromen en conflicten en clichés. Het gaat erom de terugkeer van deze clichés, van deze Arcadische beelden, niet als regressie te beschouwen, niet als het einde van iets, maar als de terugkeer naar de kracht van het vertellen. En belangrijker nog, als de herwaardering van een gemeden concept. Daar gaat het immers om in het leven, om je bewust te worden van de morele oordelen, het waarom er achter te ontdekken en dan je eigen oordeel veilig te stellen, los van de algemene norm. 8 Om een eigen opvatting te hebben, niet gehinderd door de angst anders te zijn, of, als je daar zin in hebt, je vrij te voelen in de pas te lopen met de populaire theorieën. Als je maar weet waar je staat en je het van beide kanten kunt bekijken. Dus als D.H. Lawrence schrijft: ‘Het cliché is de dodelijke vijand voor de ware kunstenaar en voor de levende fantasie’, moeten we het eerst met hem eens zijn (want we zijn opgegroeid met het idee dat het cliché slecht is) en dan, in het licht van deze tekst, moeten we het niet met hem eens zijn, om vervolgens te begrijpen waar deze uitspraak vandaan komt (vóór het postmodernisme was het natuurlijk lastig om de ironie van kitsch te waarderen), om uiteindelijk tot een oordeel te komen. Of niet?
D.H. Lawrence refereerde aan Cézanne, en in zijn tekst, geschreven in 1929, verklaart hij perfect hoe de schilder inderdaad een revolutie ontketende, die te maken had met de onmogelijkheid van ware representatie en het gevaar van clichématigheid. Lawrence spreekt over Cézanne’s mislukking toen Cézanne niet in staat was om de waarheid van zijn onderwerp te vangen, toen hij het clichématige lijken-op niet kon vermijden, of het nu ging om een figuur of een appel. Hij beweert dat Cézanne’s succes ligt in het feit dat hij de appleyness (de appelheid van de appel) van zijn onderwerp bij de kraag weet te vatten, de amorele essentie, zijn onverkorte representatie.
De jonge generatie van nu, kunstenaars als Silke Otto-Knapp, Dan Jakob, Kalin Lindena, Uwe Henneken en Dirk Bell, wiens werken ik hierboven beschreef, is niet geïnteresseerd in het raken van de wereld van de substantie, zoals Cézanne. Zij is geïnteresseerd, overigens net als Cézanne, in het uitdrukken van een intuïtieve gewaarwording van de wereld rondom hen. Ze zijn niet uit op het raken van de appleyness van de tastbare wereld, zij zijn uit op het raken van de appleyness van de clichés. Hun doel is deze ‘vergissingen’ te kopiëren en zo een fantastische atmosfeer te realiseren, een grungy stemming.
Een nieuwe appleyness
Maar als het waar is dat we in een periode zijn beland waarin vakmanschap weer wordt gewaardeerd, waar cliché zijn visuele partners kitsch en decoratie door de achterdeur naar binnen brengt en waar we tegelijk verleid kunnen worden en vol afschuw wegkijken, waarom het dan eens zijn met D.H. Lawrence?
Omdat hij gelijk heeft, enerzijds. Natuurlijk is het cliché de dodelijke vijand als je het serieus neemt, zonder de knipoog, zonder de afstand, zonder het van twee kanten te beschouwen. 9 Maar anderzijds hebben we blijkbaar een tijd bereikt waarin het cliché niet alleen ironisch begrepen kan worden, als een mechanisme (dit is natuurlijk als een tijdje bezig), maar ook op zichzelf kan staan. Het heeft nu betekenis. Daarom is het fout om het simpelweg eens te zijn met de uitspraak dat het cliché de vijand is. De situatie is nu veel complexer, de wereld valt niet te verdelen in twee categorieën waarin appleyness waarheid is en het cliché de leugen.
Was John Currin de voorganger? Waarschijnlijk. Maar er is een verschil tussen zijn kitsch en die van deze generatie. Het verschil zit ‘m in de oppervlakte, zou ik zeggen. Die van hem is er een van complete, zachte, maniëristische effecten en vertoont meesterlijk vakmanschap, aldus vele waarderende artikelen (al denk ik dat dit er niet toe doet, het bewonderen van zijn techniek lijkt een manier te zijn om in de val te lopen, maar goed). De oppervlakte van de nieuwe generatie is er geen van meesterlijk vakmanschap. Tenminste niet op dezelfde manier. Het is te lo-fi, te smerig, te anders om vergeleken te worden met Currins professionaliteit.
Dromen en decoratie
Het zou veel beter geweest zijn om de Biënnale van Venetië dit jaar Dromen en Decoratie te noemen, in plaats van Dromen en Conflicten. Dan zouden we niet geconfronteerd zijn met een algemeen (wereldlijk), fantasieloos (bona fide), actueel (voorbijgaand) cliché, dat van het conflict, maar met iets complexers: de werking van onze persoonlijke, gemeenschappelijke clichés, onze continue zoektocht naar perfectie, het paradijs, en verveling.
Bewust te zijn van de verveling van de perfectie, te weten dat we er moe van zijn nog voor we haar bereikt hebben en door dat feit gestimuleerd te worden, dat maakt de fascinerende complexiteit van onze persoonlijke clichés uit. Het intrigerende ervan is dat het gebaseerd is op één beeld, dat twee conflicterende resultaten oplevert: we worden er in den vleze en tegelijk ook intellectueel door verleid. Door hetzelfde beeld.
De clichématigheid van dit beeld van het paradijs, van Arcadia ligt natuurlijk in haar banaliteit en voorspelbaarheid en daarom in haar decoratieve kwaliteit. Als een beeld voorspelbaar is wordt het decoratief. En als decoratie is het plezierig, frivool, ornamenteel en beantwoordt zo aan onze verwachtingen. Oftewel het is een cliché. We moeten de term cliché in ere herstellen in al haar fundamentele glorie. Samen met kitsch en decoratie. En dan niet op een Jeff Koons-manier, niet steunend op een opzichtige mix van groot gebaar, slechte smaak en glad product. Deze perfectie, dit Arcadia is veel kleiner nu. Het is licht, voorzichtig, stil. In haar subtiliteit is het zelfs nog burgerlijker, nog onopvallender, wordt ze nog makkelijker voor een echt cliché versleten dan haar voorganger, met zijn postmoderne slimmigheid. Entree van, godzijdank, gruis, mislukking, lelijkheid, kleine imperfecties en glitches in de precisie. Nu krijgen we zoveel meer, twee voor de prijs van een. We krijgen beide kanten van de dubbele betekenis: vakmanschap en concept. Niet alleen concept. Ze menen het, dat is het verschil. De kitsch is kitsch, het cliché is cliché. En het concept zweeft er boven en er doorheen.
‘The dominant spirit, however, that haunts this enchanted region…is the apparition of a figure on horseback, without a head.’
2. Het echte Arcadia is een plek op de Peloponnesos in Griekenland. Het is er droog, bergachtig en bruin. Niet fris en groen.
3. Eldorado (o.; -‘s) [
Utopia (o.) [Eng., de verkorte titel van een werk van Sir Thomas More (1478-1553), de benaming van een ideaal eiland, gevormd van Gr. Ou (niet) + topos (plaats), dus: nergens], naam van een denkbeeldig, volmaakt gelukkige staat, waar alles volkomen is, land van belofte, syn. Droomland, heilstaat.
Ontleend aan Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, twaalfde druk.
4.
The Impossible Dream
To dream the impossible dream,
to fight the unbeatable foe,
to bear with unbearable sorrow,
to run where the brave dare not go…
To right the unrightable wrong,
to love pure and chaste from afar,
to try when your arms are too weary
to reach the unreachable star!
This is my quest —
to follow that star
no matter how hopeless,
no matter how far —
To fight for the right
without question or pause,
to be willing to march into hell
for a heavenly cause!
And I know
if I’ll only be true
to this glorious quest
that my heart
will be peaceful and calm
when I’m laid to my rest.
And the world will be better for this
that one man, scorned and covered with scars,
still strove with his last ounce of courage
To reach the unreachable stars!
5. Edgar Allen Poe, Eldorado, 1849
Gaily bedight,
A gallant knight,
In sunshine and in shadow
Had journeyed long,
Singing a song,
In search of Eldorado.
But he grew old-
This knight so bold-
And o’er his heart a shadow
Fell as he found
No spot of ground
That looked like Eldorado.
And, as his strength
Failed him at length,
He met a pilgrim shadow-
“Shadow,” said he,
“Where can it be-
This land of Eldorado?”
“Over the Mountains
Of the Moon,
Down the Valley of the Shadow,
Ride, boldly ride,”
The shade replied-
“If you seek for Eldorado!”
6.
THERE IS NO ONE LEFT
MISTRESS MARY QUITE CONTRARY
ACROSS THE MOOR
MARTHA
THE CRY IN THE CORRIDOR
“THERE WAS SOME ONE CRYING–THERE WAS!”
THE KEY TO THE GARDEN
THE ROBIN WHO SHOWED THE WAY
THE STRANGEST HOUSE ANY ONE EVER LIVED IN
DICKON
THE NEST OF THE MISSEL THRUSH
“MIGHT I HAVE A BIT OF EARTH”
“I AM COLIN”
A YOUNG RAJAH
NEST BUILDING
“I WON’T!” SAID MARY
A TANTRUM
“THA’ MUNNOT WASTE NO TIME”
“IT HAS COME!”
“I SHALL LIVE FOREVER–AND EVER–AND EVER!”
BEN WEATHERSTAFF
WHEN THE SUN WENT DOWN
MAGIC
“LET THEM LAUGH”
THE CURTAIN
“IT’S MOTHER!”
IN THE GARDEN
uit Frances Hodgson Burnett, The Secret Garden, 1906. Online op www139.pair.com/read/Frances_Hodgson_Burnett/The_Secret_Garden/index.html
7. Ook uit haar recente catalogus Silke Otto-Knapp, Orange View. Zij zegt over haar techniek: ‘De transparantie en efemere kwaliteit van de waterverf zorgen ervoor dat het beeld op het oppervlakte van het canvas lijkt te zweven.’ (p. 12)
8. Dit om bewust te worden van de historiciteit van het concept en daarmee van de relativiteit van de eigen gedachten. Theatraliteit is ook op weg naar een herwaardering. Sinds Michael Fried het als vloek gebruikte toen hij het over de minimalisten had, heeft het zich niet aan het zwarte gat weten te ontworstelen, of wel? Maar dit is een heel ander verhaal.
9. www.jimwarren.com. ‘Jim is the greatest of the new millennium. His work carries on (in a most beautiful way) the torch for Dali, Norman Rockwell and Maxwell Parrish. I love this man’s work’. (Chaka Khan).
Maxine Kopsa





