metropolis m

Janesch Albert, Wassersport

Sinds de recente ruk naar rechts in de Nederlandse politiek klinkt overal in de cultuursector de vraag wat ons te wachten staat. Worden kunst en cultuur gekielhaald en monddood gemaakt, of juist tot inzet gemaakt van een ware cultuurstrijd waarin politieke stromingen van links en rechts elkaar binnen en buiten de kunstarena gaan bestrijden? Silvia Rottenberg gaat in gesprek met Jelle Bouwhuis, curator van de tentoonstelling Kunst in het derde rijk in Museum Arnhem. Kunnen de gebeurtenissen uit het verleden ons helpen inzicht te verwerven in de toekomst?

Een focus op de streek en het platteland, het omarmen van ‘vaderlandse tradities’ en afstand nemen van culturele uitingen die niet-Nederlands zouden zijn, het liefst op een zo begrijpelijk mogelijke manier zodat de ‘normale Nederlander’ zich ertoe kan verhouden. De plannen voor een Nationaal Historisch Museum worden nieuw leven ingeblazen en er moet meer aandacht komen voor kunst uit de regio. Dat is wat de rechtse politieke partijen van Nederland voor ogen hebben voor de Nederlandse cultuursector, althans, als we de cultuurparagrafen in hun verkiezingsprogramma’s moeten geloven.

De Nederlandse politieke actualiteit dringt zich aan me op terwijl ik door de tentoonstelling Kunst in het derde rijk (bewust geschreven zonder hoofdletters) loop, die momenteel te zien is bij Museum Arnhem (t/m 16.4.24). Hoewel dit kunst uit een onvergelijkbaar andere tijd is, gemaakt onder een extreem nationalistisch regime, herken ik onwillekeurig de door de rechtse Nederlandse politieke partijen geagendeerde onderwerpen in de geromantiseerde verbeeldingen van het platteland, de landschappen en het idyllische boerenleven. Voeg hieraan toe de verering van helden uit de nationale geschiedenis, alsmede veldslagen en vruchtbare naakten, en je hebt een redelijk compleet beeld van wat Adolf Hitler ‘de eeuwigdurende Grote Duitse Kunst’ noemde.

Stimuleren en censureren

In nazi-Duitsland was kunst onderdeel van een geraffineerd propaganda-apparaat. Hitler zorgde ervoor dat kunst gemaakt door andersdenkenden, communisten, joodse kunstenaars en kunstenaars met een niet-realistische beeldtaal uit de musea werd gehaald. In 1937 werd een selectie van deze werken bij wijze van spot in de tentoonstelling Entartete Kunst getoond, die na Duitsland ook enkele steden in Oostenrijk aandeed en vele bezoekers trok. In het buitenland oogstte deze tentoonstelling veel lof en werden alle door de nazi’s afgewezen kunstenaars bijna onvoorwaardelijk omarmd. In München werd het Huis voor de Duitse Kunst gebouwd, waar jaarlijks de Großen Deutschen Kunstausstellung (Grote Duitse Kunsttentoonstelling) werd samengesteld uit tienduizenden werken, die elk jaar kon rekenen op honderdduizenden bezoekers.

Ik spreek af met Jelle Bouwhuis, een van de twee curatoren van Kunst in het derde rijk, om met hem te praten over deze tentoonstelling en de vraag hoe de politiek zowel onder de nazi’s als in het heden kunst tegelijkertijd kan stimuleren en censureren. Bouwhuis verwijst naar Van Links Naar Rechts, een tentoonstelling die hij eerder maakte bij Museum Arnhem (13.5 t/m 20.11.22), waarin realistische schilderkunst uit de jaren dertig werd getoond van bekende rechtse kunstenaars naast die van in vergetelheid geraakte linkse antifascistische kunstenaars. Hij vertelt dat het de Nationaal Socialisten waren die een structurele goed-fout-dichotomie in de moderne kunst institutionaliseerden. ‘Trof hun censuur destijds vooral expressionistische en abstracte kunst, na de Tweede Wereldoorlog kwam, in Nederland althans, juist het realisme in een kwade reuk te staan, hoewel ook linkse kunstenaars in deze stijl geschilderd hebben.’

De dichotomie die Hitler wilde bewerkstelligen met het onderscheid tussen ‘goede kunst’ versus ‘ontaarde kunst’ nestelde zich in het bewustzijn van het vrije liberale Westen op zo’n manier dat deze retoriek ten tijde van de Koude Oorlog opnieuw werd gebruikt. De Verenigde Staten doopten het abstract-expressionisme tot representatie van vrijheid en democratie, en promootten deze met overheidssteun in de hele wereld. Realisme werd taboe verklaard. Ook het Stedelijk Museum Amsterdam ging hier bijvoorbeeld in mee en heeft sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog nauwelijks nog realistische werken getoond. De kunst die ooit door Hitler gecanceld werd, gold plots als norm voor ‘goede’ kunst.

Bezuinigingen

Een aantal maanden geleden stelde de PVV bij monde van Martin Bosma in de cultuurcommissie van de Tweede Kamer dat er een einde moet komen aan ‘woke-cultuur’ en ‘racisme’ ten aanzien van de witte man in het hedendaags culturele beleid. Inmiddels is de PVV verkozen tot de grootste politieke partij van Nederland. Ik vraag me af hoe we het heden kunnen duiden in relatie tot het verleden. Bouwhuis stelt dat het niet reëel is dat een rechtse regering zich in zal zetten voor een cultuursector waarin een zogenaamd representatief beeld van een traditioneel Nederland wordt uitgedragen en betwijfelt of zijn tentoonstellingen enige voorspellende waarde hebben met betrekking tot de mogelijke culturele impact op de recente ruk naar rechts in de Nederlandse politiek.

De dreiging die de culturele wereld momenteel ervaart, heeft volgens hem meer te maken met de aangekondigde bezuinigingen op de cultuursector dan met inhoudelijke eisen die door het mogelijke nieuwe regime aan kunst gesteld zouden kunnen worden. Zou je de lijn van de nazipropaganda naar het heden vertalen, dan zou dat zich manifesteren in meer dwang en sturing vanuit de overheid, zowel voor instituten als kunstenaars en critici, om bepaalde thema’s te behandelen en andere te laten liggen. Een nationalistische inslag zou daarbij voorrang krijgen, terwijl thema’s als bijvoorbeeld diversiteit naar de marge zouden verdwijnen. Op dit moment staat diversiteit juist heel hoog op de agenda, als tegengeluid voor exclusie en marginalisering. Bouwhuis stelt echter dat je ook die tendens een vorm van staatspropaganda zou kunnen noemen. Hij refereert aan een scène uit de documentaire White Balls on Walls (2022) over het Stedelijk Museum Amsterdam, waarin de wethouder van Amsterdam dreigt met het terugtrekken van gelden als het museum niet actiever een diverser beleid nastreeft.

Anders dan de plannen van een mogelijke rechtse regering in Nederland, betekende het cultuurbeleid onder de nazi’s juist een enorme monetaire impuls voor de kunstsector. Het nazi-bewind van destijds investeerde juist in kunst, benadrukt Bouwhuis. ‘Je hebt geen idee hoeveel geld er in het Derde Rijk in de kunst omging! Het was een heel systeem dat zichzelf in stand hield. Als Hitler een werk van een kunstenaar aankocht, dan wilden de partijtop en verschillende bedrijven en particulieren ook opeens werk van die kunstenaar. Er waren veel kunstopdrachten te vergeven. Een kunstenaar die in de smaak viel, kon al gauw gaan rentenieren. Voor een landschapje ving je zomaar 10.000 Reichsmark, daar kon je toen twee huizen van kopen! Honderden kunstenaars zijn toen in korte tijd schatrijk geworden.’ Bouwhuis maakt een snelle rekensom: Hitler besteedde acht miljoen rijksmark aan aankopen op tentoonstellingen tussen 1937 en 1944. Dat is naar de maatstaven van onze tijd ongeveer zestig miljoen euro. ‘Stel je voor dat Rutte in de afgelopen acht jaar zestig miljoen euro had uitgegeven aan hedendaagse kunst… Op de Kunstrai ofzo?’ Hij moet lachen bij het idee.

Een rechtse regering in Nederland zal naar alle waarschijnlijkheid juist niet investeren in het ondersteunen en faciliteren van kunst zoals dat gebeurde onder het Nationaal Socialisme. Bouwhuis vertelt dat de Reichskunstkammer, de overheidsinstantie waar kunstenaars lid van moesten zijn om te mogen exposeren, wel veertienduizend leden kende. ‘Iedereen wilde wel meeliften op de nieuwe tendens en enorme geldstroom.’ Iedereen die lid was van de Kunstkammer mocht werk inzenden voor de Grote Duitse Tentoonstellingen, ook amateurs. ‘Je hoefde je alleen maar in te schrijven en een Ariërverklaring te ondertekenen’, aldus Bouwhuis. ‘Er is relatief maar een klein deel entartet verklaard, de overgrote meerderheid van de kunstenaars, ik schat zo’n negentig procent, schreef zich gewoon in en schilderde wat ze altijd al schilderde: realistische landschappen, stillevens, naakten, mythologische onderwerpen en portretten’.

‘Wat je in deze tentoonstelling goed kan zien is hoe exclusie werkt en wat er gebeurt in een institutioneel racistische omgeving waarin je niet direct door hoeft te hebben dat er sprake is van exclusie.’

Adolf Ziegler, 'De vier elementen' 1937

Ideologie

Het doel van het cultuurbeleid onder het Nationaal Socialisme, waar ook de Grote Duitse Kunsttentoonstellingen deel van uitmaakte, was duidelijk propagandistisch. Er werden enkel werken ondersteund, gefaciliteerd en getoond in een realistische stijl en met bepaalde thema’s, die ertoe dienden een specifiek beeld van Duitsland te communiceren. Bezoekers aan de tentoonstellingen lieten zich er ongetwijfeld door verleiden, en afleiden van de gruwelijkheden die ten grondslag lagen aan die ideologie. De vraag is of we deze blauwdruk van een succesvol nationalistisch kunstbeleid wel moeten tonen in Nederland? Als het aan Bouwhuis ligt wel.

In Kunst in het derde rijk staat uiteraard duidelijk vermeld dat de getoonde werken onderdeel waren van een propagandistische campagne en er is een korte film die de historische context toelicht. Verder zijn de beschrijvingen echter summier, alsof ervan wordt uitgegaan dat de bezoeker de geschiedenis kent en een eenduidig moreel standpunt inneemt. Bouwhuis vertelt dat het een bewuste keuze is geweest om de toeschouwer zo onbevangen mogelijk naar het werk, dat ooit de nazi-top toebehoorde, te laten kijken: Ideologie

Het doel van het cultuurbeleid onder het Nationaal Socialisme, waar ook de Grote Duitse Kunsttentoonstellingen deel van uitmaakte, was duidelijk propagandistisch. Er werden enkel werken ondersteund, gefaciliteerd en getoond in een realistische stijl en met bepaalde thema’s, die ertoe dienden een specifiek beeld van Duitsland te communiceren. Bezoekers aan de tentoonstellingen lieten zich er ongetwijfeld door verleiden, en afleiden van de gruwelijkheden die ten grondslag lagen aan die ideologie. De vraag is of we deze blauwdruk van een succesvol nationalistisch kunstbeleid wel moeten tonen in Nederland? Als het aan Bouwhuis ligt wel.

In Kunst in het derde rijk staat uiteraard duidelijk vermeld dat de getoonde werken onderdeel waren van een propagandistische campagne en er is een korte film die de historische context toelicht. Verder zijn de beschrijvingen echter summier, alsof ervan wordt uitgegaan dat de bezoeker de geschiedenis kent en een eenduidig moreel standpunt inneemt. Bouwhuis vertelt dat het een bewuste keuze is geweest om de toeschouwer zo onbevangen mogelijk naar het werk, dat ooit de nazi-top toebehoorde, te laten kijken: ‘Wat je in deze tentoonstelling goed kan zien is hoe exclusie werkt en wat er gebeurt in een institutioneel racistische omgeving waarin je niet direct door hoeft te hebben dat er sprake is van exclusie.’ Het gaat inderdaad heel geleidelijk. De werken tonen het idee van een vooruitstrevend Duitsland: het prachtige land, de mooie familie, de knappe mensen. En daar vallen we voor, daar willen we onderdeel van zijn. Daar worden we toe verleid.

In Duitsland ligt het tonen van deze kunst gevoeliger dan in Nederland. Daar worden de werken niet tot nauwelijks tentoongesteld. Maar hier, zo redeneert Bouwhuis, is er toch meer afstand. In de publicatie bij de tentoonstelling stelt Gregor Langfeld eveneens dat men de ogen niet moet sluiten voor deze kunst. Al is het maar zodat we kunnen leren alerter te zijn buiten de muren van het museum, waar extreem rechts zomaar een opmars kan maken.

Dit artikel is gepubliceerd in Metropolis M Nummer 1 Patronen, Systemen, Abstracties. Meer info hier

Recente artikelen