metropolis m

Susanne Khalil Yusef

Heksenkruid is de twaalfde editie van de terugkerende tentoonstelling Beelden op de Berg — de vorige vond plaats in 2018. Sinds de vorige editie is de wereld ingrijpend veranderd, zo wordt nog eens duidelijk als je door het online archief van alle edities Beelden op de Berg struint. Toen was er nog weinig kritische context, en iedere kunstenaar was wit. Zo niet deze editie van 2024, samengesteld door Mijam Westen, die een duidelijke en welkome verandering biedt. Fabienne Rachmadiev bezocht de tentoonstelling en leert hoe elk plantje en zaadje onderdeel is van geladen geschiedenissen.

De muskaatnoot is niet alleen aromatisch, maar ook esthetisch. De pit, gebruikt als nootmuskaat, wordt omhuld door een rood vliesje — dat we kennen als het kruid foelie. Het doormidden snijden van het bolletje onthult een netwerk van purperen aders. Oorspronkelijk groeide de muskaatboom uitsluitend op de Banda-eilanden, deel van de Molukken. Om een monopolie op de specerijen van de muskaatboom te bestendigen, pleegde de V.O.C. onder leiding van J.P. Coen in 1621 een genocide op de inwoners van Banda en verving de bevolking door tot slaaf gemaakten uit Madagaskar en India. Ook werd er een nieuwe naam aan de boom gegeven: Myristica fragrans Houtt. — zo genoemd door de Nederlandse botanist Martinus Houttuyn. De schrijver Amitav Gosh gaat in zijn boek The Nutmeg’s Curse op zoek naar de oorspronkelijke naam: pala, of jâyaphal, om te onderzoeken wat er verloren is gegaan bij deze nieuwe naamgeving. Is een gewas een geïsoleerde grondstof, of is het onderdeel van een wereld vol verhalen en herinneringen? Hij schrijft:

When I look at a pala lying in my palm and think of it as a jâyaphal, it is no great stretch to think of it as a tiny planet, or as a maker of history, or as something that hides within itself a vitality that endows it with the power to bless or curse. This possibility is not foreclosed even when I think of it as a “nutmeg” or nootmuskat. It is only when I think of it as Myristica fragrans Houtt. that those thoughts evaporate and the nut becomes subdued and muted — reduced, as it was intended by the Linnaean system, to the status of an inert resource. 1

In deze passage wordt beknopt duidelijk hoe in een enkele boom, een enkel gewas, de verwevenheid van kolonialisme en kapitalisme, plantkunde en klimaatverandering zit verstopt. Dat kolonialisme een sine qua non voor kapitalisme en de daarmee samenhangende klimaatcrisis is, mag inmiddels duidelijk zijn, maar, volgens Gosh, moeten we op juist op zoek naar de ‘liederen, gedichten en verhalen’ die kennis herbergen waarmee de toekomst, tegen de monocultuur in, kan worden verrijkt. Gosh zien hoe de geschiedenis en vernietiging van een leefwereld te vinden is in het verhaal van nootmuskaat. De kracht van een verhaal is geworteld in de details.

De openluchttentoonstelling Heksenkruid, in het Belmonte Arboretum te Wageningen, vertrekt vanuit dezelfde premisse als het boek van Gosh. Aan de hand van bomen, planten en kruiden die te vinden zijn in het Arboretum, vertellen de kunstwerken verhalen over de koloniale verbintenissen van de botanie. Het is een thematiek die de afgelopen jaren in diverse tentoonstellingen terug te vinden was, en die ook door curator Mirjam Westen in haar inleiding worden genoemd; tentoonstellingen waarin kunst zich verhoudt tot de politieke en maatschappelijke implicaties van ‘neutraal’ geachte flora. Via een wandelroute in het Arboretum is het werk van in totaal veertien kunstenaars en kunstcollectieven te zien, die elk een ander aspect van de flora en geschiedenis van het Arboretum als vertrekpunt nemen.

In het begin van de route springer er meteen twee gekleurde en meer dan levensgrote sculpturen in het oog. Een vrouwfiguur gekleed in felrode gewaden die contrasteren met een wonderlijke, diepblauwe huid zit plots in een boom. Het is een kunstwerk van Beya Gille Gacha: een eerbetoon aan de Braziliaanse kunstenares en ecofeministe Fabiana Ex-Souza. Het blijken kleine kralen te zijn die de sculptuur een sprookjesachtig effect geven, ondanks de realistische gelaatstrekken. De kralen zijn geïnspireerd op een Bamileke traditie uit West-Kameroen, waar de moeder van de kunstenaar vandaan komt, zo is te lezen in de bijbehorende catalogus. Objecten die gebruikt worden voor rituelen, worden binnen deze traditie bedenkt met kostbare kralen. Door in dit werk een mens in plaats van een object te versieren, bevraagt Gille Gacha wie er als object of subject wordt gezien. Door deze traditie aan te wenden voor een Braziliaanse klimaatactiviste, worden afzonderlijke plekken en hun unieke leefwerelden, toch met elkaar verbonden.

Dit weefsel van verbintenissen zit in alle werken van de tentoonstelling, maar steeds met een ander accent. De andere sculptuur die meteen opvalt bij aanvang van de route, en vanaf meerdere plekken op de route zichtbaar is, is van Susanne Khalil Yusef. Zij maakte een liggend hoofd in de vorm van een pot (of een pot in de vorm van een hoofd). De keramieken sculptuur is in een gestreept patroon geglazuurd in aantrekkelijke kleuren: groen, lila en subtiel blauw en goud. Maar waar een smaakvolle, decoratieve plantenpot rechtop zou staan, is hier het gevallen hoofd van een jongere in te herkennen. De wetenschap dat Khalil Yusef haar familiegeschiedenis van de Palestijnse diaspora onderzoekt in haar werk, geeft het beeld een beladenheid. Die beladenheid wordt ook versterkt doordat rondom het hoofd wat boompjes schots en scheef staan; het zijn Libanese ceders, die op verschillende plekken in Wageningen groeien. Deze snelgroeiende boomsoort werd doelbewust geplant in historisch Palestina door de zionistische bezetters, waardoor, na het verdrijven van de inwoners, ook de dorpen overgroeid werden door deze bomen. Een gewas wordt zo gebruikt om niet alleen eeuwenoude ecosystemen te verstoren, maar ook om doelbewust de verbintenis met en de herinnering van mensen aan een plek te verbreken en uit te wissen.

Naast deze sculpturale eyecatchers zijn er ook verschillende installaties die juist wat subtieler in het Arboretum zijn geplaatst, waarin de kunstenaars een combinatie van onderzoek, botanie, en (lokale) geschiedenissen hebben laten samenkomen. De installatie van Kim Ng lijkt haast een vast onderdeel van het Arboretum en is getiteld Pindah (move/relocate/travel) dat verplaatsing in het Maleis betekent. Tussen de planten staan witte meubels die in een vierkant staan opgesteld, waarop, inmiddels wat vervaalde, afbeeldingen van planten te zien. Van veraf lijken het plantenhouders, maar van dichtbij zijn het een soort stoelen, die te hoog en te klein zijn om op te zitten. Naast de stoelen staan terracotta plantenpotten half in de grond, met daarin ingeburgerde kamer- en tuinplanten, zoals de bananenplant, de bougainville en de sanseveria. De installatie nodigt uit tot het raden van de herkomst van planten, en roept de vraag op over hoe deze in Nederland zijn beland. Wederom in de catalogus — die overigens onmisbaar is voor de context van de zeer uiteenlopende werken — is te lezen dat de planten op de afbeeldingen dan weer inheemse Maleisische planten zijn. Ook hier zijn de planten onlosmakelijk verbonden met geschiedenis en kolonialisme.

Ana Bravo Pérez legde een heel andere geografische verbintenis met het Arboretum. Om een plataan ligt een cirkel van steenkool. Erbinnen staan kegelvormige sculpturen van leem en er hangen maiskolven aan de takken. Het lijkt een miniatuur van een dorp, of een kunstwerk als plek voor een ritueel. Als je er tussendoor loopt hoor je subtiel stemmen die verhalen van de Inheemse Kamëntšá uit het huidige Colombia vertellen. In die verhalen worden verbintenissen gelegd tussen de neokoloniale praktijk van extractie en de verdwijning van Inheemse kennis van en relaties met planten en bomen.

Minstens zo interessant als de werken zelf, zijn de essays die voor deze tentoonstelling geschreven zijn (al is het jammer dat een Inheems perspectief lijkt te ontbreken). Zo schreef Robin Bredero zur Lage een inzichtelijk essay over de herkomst van esdoorns in het Arboretum, waarin een beknopt overzicht gegeven wordt van Inheemse kennis en gebruiken betreffende deze esdoorns, waarbij het gebruik van esdoornsiroop wellicht het meest bekende voorbeeld is. Ook al hebben esdoorns een ‘kleine rol in het koloniale verleden vergeleken met producten die economisch belangrijk waren, zoals rubber, rietsuiker of katoen,’ schrijft Bredero zur Lage, ‘ging ook hun reis, vanuit o.a. Japan, naar Europa gepaard met ‘koloniale patronen.’2

De titel van de tentoonstelling, ‘Heksenkruid’, refereert ook aan de lokale geschiedenis, waar, veelal vrouwen ooit kennis bezaten over geneeskrachtige planten en kruiden, maar werden vervolgd als ‘heks’. Ook dat gegeven is verbonden met de opkomst van kolonialisme en kapitalisme, waarin de mens wordt losgeweekt van de natuur. De thematiek waaiert soms wat uit, ondanks de grondgedachte het Arboretum als vertrekpunt te nemen voor het ‘dekoloniseren van de botanie’ door middel van andere perspectieven op de botanie. De werken waarin er een direct tastbare connectie is met het Arboretum, zoals in het geval van de Libanese ceders, zijn wellicht binnen de context het meest geslaagd.

Aleyda & Entgen, de bijdrage van Femke Herregraven, blijft het dichtst bij de titel ‘heksenkruid’ en richt zich op de geschiedenis van het Arboretum zelf. Het eerste wat er van deze installatie is te zien op de wandelroute, is een schutting van houten palen in verschillende kleuren, met daarop namen in een middeleeuws schrift. Het zijn de namen van maar liefst 400 wegens hekserij ter dood veroordeelden die Herregraven achterhaalde, die tussen de 15e en 17e eeuw aan de galg gehangen werden op de plek van het Arboretum. Wandelend langs de houten palen doemt de ene na de andere naam op. De twee eiken waar de installatie omheen is opgebouwd, zijn door Herregraven tot Aleyda en Entgen gedoopt. Vrouwen die waarschijnlijk zijn omgebracht wegens hun kennis van kruiden en planten.

De twaalfde editie van Beelden op de berg benadrukt alle verhalen die verstopt zitten in het Arboretum. Een botanische tuin is een collectie van flora vanuit de hele wereld en de uitgenodigde kunstenaars representeren niet alleen die uitgestrekte koloniale geografie, maar laten, tezamen met de essays, zien hoe zo’n collectieve flora tot stand is gekomen, en vooral ten koste van wat. Zo’n ingewikkelde en omvangrijke geschiedenis en de doorwerking ervan in het heden, kan uiteraard door een enkele editie niet beantwoord worden, maar Heksenkruid biedt een heel aantal microkosmossen om in te duiken.

1 Amitav Gosh, The Nutmeg’s Curse: Parables for a Planet in Crisis, 2022 (2021), p. 98
2 Robin Bredero zur Lage, ‘Dekolonisatie en esdoorns in Belmonte,’ in: Decolonising Botany. Een ander verhaal over planten. (2024)

Beelden op de berg 12 in Wageningen is nog te bezoeken t/m 15.9.2024

Fabienne Rachmadiev

is schrijver en onderzoeker

Gerelateerd

Recente artikelen