metropolis m

Tara-Eva Kuijpers Wentink, VHDG, Onlosmakelijk verbonden. Foto: Gerben Vernhout.

Quilts, parasieten, mycelium, herinneringen, familie en omhelzingen: Bij VHDG putten de kunstenaars uit de diversiteit aan manieren van verbinding. Onlosmakelijk verbonden, die is samengesteld door Roísín Douglas, poogt die verschillende relaties samen te brengen. Dinnis van Dijken bezoekt de tentoonstelling waar materialiteit de boventoon voert.

De tentoonstelling Onlosmakelijk verbonden bij VHDG opent met Sting of Poison (2023) van Tara-Eva Kuijpers Wentink. Het grote keramisch werk verbeeldt de Rafflesia arnoldii: de lijkenbloem, een parasiet zonder eigen wortels die volledig bestaat via het lichaam van een andere plant. Het is een scherpe beeldkeuze voor een tentoonstelling over relationaliteit: leven dat enkel mogelijk is door radicale afhankelijkheid van de ander.

Onlosmakelijk verbonden brengt vier kunstenaars en één collectief samen rond het idee dat verbondenheid wederkerig is, geworteld in familie, gemeenschap en ondergrondse netwerken, zoals mycelium organismen met elkaar verbindt. Justus de Rodes Mycelium (2021-2023) bestaat uit vijf bescheiden foto’s die zijn vader, ook kunstenaar en levend met Alzheimer, overschilderde. Vlakbij hangt Sandwi(t)ch (2025) van Lieve van Meegen: een schildering die ontstond doordat vier performers elkaars naakte lichamen aftekenden op een doek in een veld in Grensdalur (IJsland). Videodocumentatie laat het ontstaansproces zien, maar er is zo ver uitgezoomd dat het doek een klein punt in het landschap wordt en de handelingen nauwelijks te onderscheiden zijn. In contrast met het schilderij dat je met je neus in het materiële spoor en de lichamelijke intimiteit drukt, wordt de menselijke handeling teruggebracht tot iets nietigs en surrealistisch.

Sander Coers toont onder andere Intensive Care (Pietà) (2026), een jacquard geweven tapijt dat ontstond uit zijn familiearchief, deels afkomstig uit voormalig Nederlands-Indië. Door het archief met AI iteratief te herwerken dreven de beelden zover weg dat de kern zich onbedoeld in één beeld samenvatte: een vader-zoon omhelzing die uit het materiaal opdook als een pietà. Kuijpers Wentinks installatie Song of a Source (2022) staat bij de ramen en in de kelder: een lichaam van onderling verbonden systemen in textiel en keramiek, met een hoorbaar pompje binnenin en een stroomsnoer dat omhuld is in zelfgemaakt textiel. In de achterste ruimte toont videodocumentatie Rita Mae Pettway en Louisiana P. Bendolph, beiden van het collectief Gee’s Bend Quiltmakers, aan het werk aan een quilt, naast een gedrukte reproductie van hun quilts op licht textiel.

Alle deelnemende kunstenaars leveren sterk werk. Opvallend is wel dat alle Nederlandse kunstenaars deelnamen aan Prospects in 2025 en 2026 en/of Art Rotterdam 2025 en 2026. Met wederzijdse verbondenheid als uitgangspunt, geworteld als mycelium in de specifieke omgeving waarin een organisme opereert, had een consequente curatoriële logica kunnen beginnen vanuit het ecosysteem waarin VHDG zelf is ingebed en van daaruit naar buiten werken.

De tentoonstellingstekst belooft dat ‘zoals ondergrondse mycelium structuren ecosystemen verbinden, er ook tussen mensen en hun omgeving netwerken van afhankelijkheid, uitwisseling en zorg ontstaan’. Die belofte vraagt om een curatoriële laag die werken actief met elkaar in relatie brengt: in de keuze van de kunstenaars, de inrichting van de ruimte en de manier waarop het thema wordt benaderd. Nu wordt elke kunstenaar apart uitgelicht en gaat het meer om het beeld van verbondenheid, dan mogelijke diepere verbanden.

Tara-Eva Kuijpers Wentink, VHDG, Onlosmakelijk verbonden. Foto: Gerben Vernhout.
Tara-Eva Kuijpers Wentink, VHDG, Onlosmakelijk verbonden. Foto: Gerben Vernhout.

Het vocabulaire waaruit de tentoonstelling put, mycelium, rizoom, embeddedness, komt juist voort uit een denken dat de mens wil decentraliseren, in relaties voorbij het menselijke subject. Het suggereert het bestaan van netwerken, zoals die van het mycelium. Dat idee blijft echter beperkt tot Kuijpers Wentink, wier parasietbloem, lichaam van verbonden systemen en verspreide rizomen, het netwerk zelf tot onderwerp maakt. De overige praktijken draaien om de mens, om familie, lichaam en biografie. Verbondenheid wordt hier iets natuurlijks en vanzelfsprekends, het is losgezongen van de machtsverhoudingen en afhankelijkheden die haar in de praktijk vormgeven. Hierdoor biedt de curatoriale aanpak een vorm van nabijheid eerder dan verstrengeling.

Dat ligt niet aan de individuele werken. De Rodes foto’s gaan over zijn relatie met zijn vader, Coers’ tapijt over een familiearchief, Van Meegens schildering over de spanning die ontstaat tussen en rondom het lichaam en het schilderkunstig oppervlak. Elk werk is in zichzelf voltooid. De werken die voorbij de mens proberen te raken, keren er toch steeds naar terug: Coers’ machinale drift eindigt in een menselijke omhelzing en bij Van Meegen staat uiteindelijk niet de natuur, maar het lichaam centraal.

Op zich is die gerichtheid op zichzelf geen probleem, maar het maakt de curatoriële verbinding des te belangrijker, en het is daar waar de tentoonstelling het laat liggen: de werken staan en hangen naast elkaar, ze groeien niet naar elkaar toe. Kuijpers Wentinks Rhizomes (2025) mag als voorbeeld dienen. Het ligt als losse keramische knooppunten over de hele tentoonstelling gedrapeerd, maar het verbindt niets. Weliswaar wordt een rizoom gedefinieerd door wat je niet ziet, door de ondergrondse verbindingen die het laten functioneren, maar sculpturen verspreid door een kunstruimte vormen niet automatisch een rizoom. Het is eerder een constellatie, dingen op afstand van elkaar.

Een ander voorbeeld is de curatoriële positionering van de Gee’s Bend Quiltmakers. Deze quilttraditie ontwikkelde zich in een geïsoleerde, overwegend Zwarte gemeenschap in Wilcox County, Alabama, onder omstandigheden van rassensegregatie, armoede en doelbewuste economische uitsluiting die doorgingen tot diep in de twintigste eeuw. De tentoonstellingsbrochure focust zich op de schaarse middelen en koude winters, maar doet daarmee geen recht aan de maatschappelijke onrechtvaardigheid waaruit de praktijk is ontstaan. Deze quilttraditie is een materiële praktijk die volledig gevormd is door haar sociale en politieke omstandigheden, en juist hier wordt zichtbaar wat een algemene metafoor kost: verbondenheid als iets natuurlijks laat een overlevingspraktijk samenvallen met de intieme familiale gebaren elders in de zaal.

The Gees Bend Quiltmakers, VHDG, Onlosmakelijk verbonden. Foto: Gerben Vernhout.

Desondanks zijn de quilts wel de enige werken in de tentoonstelling waarvan het maakproces inherent gemeenschappelijk en naar buiten gericht is, precies de kwaliteit die het thema veronderstelt, maar die de tentoonstelling onvoldoende biedt, en juist daarom een scherpere contextualisatie behoeft om de historische lading te dragen die het vereist. Dat die context binnen VHDG voorhanden is, blijkt uit het eigen programma: rond Keti Koti organiseert het samen met Comité 30 juni – 1 juli Fryslân en Noorderlicht een collectief quiltproject dat quilten expliciet verbindt met het trans-Atlantische slavernijverleden. De tentoonstelling houdt het echter bij een MAAK-tafel waar de bezoekers kunnen quilten ‘helemaal op jouw manier’, zonder enig historisch besef, waardoor het meer geknutsel is dan een vorm van herdenken.

De tentoonstelling vat heel verschillende praktijken, van een overgeschilderd familiealbum tot de quilttraditie van Gee’s Bend, samen onder één woord: verbondenheid. Maar wie alles schaart onder zo’n breed thema, wist het verschil uit dat ertoe doet. De tentoonstelling maakt er warme verbondenheid van en ontdoet ze zo van hun politieke kern. Sterke werken, maar als geheel blijft de tentoonstelling steken in nabijheid, terwijl het thema verstrengeling belooft.

Onlosmakelijk verbonden is tot en met zondag 21 juni te zien bij VHDG Leeuwarden

Dinnis van Dijken

is beeldend kunstenaars, kunstcriticus, organisator, schrijver en mede-oprichter van het kunstkritiek-platform Zandbank.

Recente artikelen