Scherpstellen op beeldgeletterdheid
Fotografie is overal, het vloeit door de haarvaten van onze samenleving. We beschouwen de aanwezigheid van fotografisch beeld in ons dagelijks leven als vanzelfsprekend. Maar juist door deze alomtegenwoordigheid loopt fotografie paradoxaal genoeg ook het gevaar dat ze uit de zichtbaarheid verdwijnt. De essaybundel Scherpstellen: Acht auteurs over de ontwikkeling van fotografie binnen de beeldende kunst (2023) probeert daar iets aan te doen door fotografie weer in ons zichtveld te brengen. De bundel is uitgegeven door het Mondriaan Fonds als nieuw deel in de al langer lopende essayreeks die anders dan voorheen niet bestaat uit een langere tekst van een auteur maar uit achttal bijdragen van fotografen, critici en conservatoren die fotografiecollecties beheren.
Wat de meerderheid van de essays in Scherpstellen met elkaar gemeen hebben is dat veel van de inzichten en argumenten erin politiek gemotiveerd zijn. Kunsthistoricus en voormalig FOAM curator Kim Knopper vertelt bijvoorbeeld over de maatschappelijke impact van fotografie bij het zichtbaar maken van wereldproblemen zoals de klimaatcrisis. Fotograaf des Vaderlands Marwan Magroun en curator Anne Ruygt hebben het beiden over de democratisering van het medium, die volgens kunstcriticus Hans den Hartog Jager in diens bijdrage aan het boek zo succesvol is verlopen dat we fotografie inmiddels kunnen beschouwen als de ‘ultieme democratische kunstvorm’. Dat levert volgens hem ook direct een probleem op. Het medium is zo algemeen geworden dat er ‘nauwelijks inhoudelijke criteria meer bestaan’.
Juist in dit tijdsgewricht is de noodzaak groot om niet oppervlakkig naar fotografische beelden te kijken en de beeldgeletterdheid te stimuleren. In algemene zin verwijst zulk ‘beeldbewustzijn’ naar het kritisch bevragen van de context waarin het beeld is geschoten, de intenties van het beeld, de betekenis die achter het beeld schuilt. Waarop duiden de beelden? Wat impliceren en provoceren ze, en met welk doel? Al in het eerste essay van de bundel stelt curator Amanda Maddox aan de hand van een citaat van Ariella Aïsha Azoulay dat fotografie ‘de weg vrijmaakte voor “een universeel burgerschap”.’ Tegelijkertijd zou je de vraag kunnen stellen of fotografie echt zo democratisch is, aangezien maar weinigen in staat zijn de beelden echt te doorgronden. Want camera’s mogen dan wel massaal het leven op beeld vastleggen, dat betekent niet dat iedereen die beelden ook doorziet in hun technologie en de dimensies van hun betekenis. Voor actief burgerschap in de democratie van fotografie zou er meer verantwoordelijkheid voor beeld gedragen moeten worden, met geletterdheid in beeldcodes en het kunnen ontmantelen van clichés in fotografie. Anders is er geen sprake van ‘democratisering, maar enkel van popularisering,’ aldus Marwan Magroun in diens bijdrage aan de bundel.
Visuele geletterdheid en beeldbewustzijn dragen bij aan ons vermogen om onderscheid te maken tussen reclame, kunst en nieuws. Vooral met het oog op de snel groeiende opkomst van AI-gegenereerde beelden en deepfakes die zich voorstellen als nieuwsbeelden ligt de noodzaak hoog om niet enkel te lezen wat het beeld toont, maar om ook in staat te zijn beelden in de media (technisch) te analyseren. Onderwijs speelt hierbij een cruciale rol. Magroun pleit voor beeldgeletterdheid als vast onderdeel in basis- en voortgezet onderwijs, om jongere generaties al eerder de kans te geven zich te ontwikkelen tot denkers en kijkers met een kritische blik.
Kunsthistoricus Joke de Wolf benadrukt in haar essay het belang van een leerstoel fotografie. Er zijn momenteel meer fototentoonstellingen dan specialisten, schrijft ze, en er is meer expertise nodig om het medium fotografie technisch te kunnen contextualiseren. Ze noemt als voorbeeld Lust for Life, een tentoonstelling van het werk van fotograaf Ed van der Elsken in het Nederlands Fotomuseum in 2019. Voor de tentoonstelling waren 42 duizend aangetaste kleurendia’s gerestaureerd, maar er werd geen enkele dia daadwerkelijk tentoongesteld. Er waren alleen kleurenafdrukken en gedigitaliseerde beelden, wat ertoe leidde dat bezoekers het werk niet konden zien zoals het was bedoeld. Een beter georganiseerd samenspel tussen musea en universiteiten zou dit soort problemen kunnen voorkomen, en zou dus bevorderd moeten worden, beargumenteert De Wolf.
Alhoewel Scherpstellen leest als een ietwat onsamenhangende verzameling aan essays, delen de auteurs met elkaar een uitgesproken interesse in het stimuleren van een zelfbewuste, kritische omgang met fotografie. Deze gedeelde roep om beeldgeletterdheid raakt aan wat de filosoof Jacques Rancière in het essay De Geëmancipeerde Toeschouwer (2009) schrijft over de podiumkunsten in een pedagogische benadering ervan die ook voor fotografie inzichtelijk kan zijn. Rancière breidt ons begrip van toeschouwerschap uit naar een actieve deelnemer die niet passief kijkt maar actief observeert, selecteert, relateert aan eigen associaties en interpreteert naar eigen verhalen. We horen beelden te lezen en ze als enigma’s te beschouwen. De emancipatoire potentie van Rancières toeschouwerschap heeft betrekking op het idee dat de maker van het werk geen eenzijdige weg aflegt om de kijker een boodschap over te brengen. De kijker hoort het proces van interpreteren als gelijkwaardig te zien aan het maakproces van de kunstenaar. Er is sprake van een medeplichtigheid aan de schepping van beeld die de toeschouwer in die zin op dezelfde hoogte stelt met de maker.
Maar wat als er niets te vinden is achter het beeld, en beeld en werkelijkheid een spiegelpaleis vormen waarin het origineel niet te doorprikken is? In een artikel getiteld ‘Beeldoorlog’, gepubliceerd in Simulacrum (30/4), beargumenteert filosoof Joost De Bloois dat actief kritisch verzet volledig is opgeslokt door onze voortrazende beeldcultuur. ‘Kritiek is vervangen door paranoia, de veronderstelling dat er altijd iets achter beeld zit: de waarheid is per definitie dat wat je niet ziet, er wordt ons altijd iets onthouden, aan het zicht onttrokken. Kritiek en verzet zijn onderdeel van het waanbeeld.’ Beeldgeletterdheid alleen blijkt dus niet voldoende te zijn. De Bloois stelt daarom voor om niet zozeer kritisch te zijn, maar om bewust te kiezen om helemaal niet deel te nemen aan de woekering van beeldproductie. Deze afzondering is een politiek geste en dient tevens om een ruimte te creëren waarin herzien kan worden hoe ons wel tot fotografisch beeld te verhouden.
Zover willen de auteurs in Scherpstellen niet gaan. Zij houden vertrouwen in het potentieel van fotografie, door bijvoorbeeld het kritisch kijken te verenigen met een roep om het imaginaire. Fotografie draagt juist door haar subjectieve aard de potentie om een grotere maatschappelijke impact teweeg te brengen, zoals Kim Knoppers schrijft in haar bijdrage: de zintuiglijke en lijfelijke ervaring van fotografie zet aan tot andere manieren van kijken en denken, om bestaande ideeën los te laten en nieuwe realiteiten te creëren. Beeldgeletterdheid wordt daarmee een vorm van kritisch fantaseren, beargumenteert ook fotograaf Katja Mater. Zij schrijft in haar bijdrage dat haar werk zich richt op ‘fotografische beelden die zich op een andere manier verhouden tot de realiteit dan onze eigen ogen’. Laten we Mater volgen en niet enkel actief proberen mee te denken wat een foto te betekenen heeft, maar vooral ook te voelen wat we in een foto zouden kunnen zien.
Milo Vermeire (red.), Scherpstellen. Acht auteurs over de ontwikkeling van fotografie binnen de beeldende kunst, Mondriaan Fonds essay #15, Jap Sam Books, 2023
Mirna Vrdoljak
schrijft over kunst en performance en is redacteur




