
Tegen (kunst)historische lacunes – Lawan! Bij Framer Framed
Van 12 tot 21 september was bij Framer Framed de tentoonstelling Lawan! te zien. Het Indonesische woord lawan betekent: vecht, verzet je. Een oproep die vaker klinkt in Indonesië, bijvoorbeeld tijdens de recente protesten tegen corruptie en de schrijnende kloof tussen de rijke politieke elite en hardwerkende, maar grotendeels in armoede levende bevolking. In de tentoonstelling werden twee projecten samengebracht die beide een ingewikkelde historische achtergrond hebben. Voor het begrip van de tentoonstelling en het programma is kennis van deze geschiedenissen essentieel, maar daar is voor de meeste bezoekers de tijd te kort voor.
Ondanks de korte looptijd pakt Framer Framed stevig uit. Het Papoease kunstenaarscollectief Udeido werd speciaal ingevlogen, terwijl de organisatie Watch65 posters en tijdschriften rond het Komitee Indonesië (KI) toont uit het archief van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Dat aanbod werd aangevuld met een tweedaags, strak door Watch65 georganiseerd en door veel mensen met een achtergrond in Indonesië bezocht symposium over het KI en ballingen die door Suharto’s regime buitengesloten en bedreigd werden en daarom (vaak via omwegen) in Nederland zijn beland.
Bij de installatie van Udeido en Kevin ter Braak ontbreekt een begeleidende tekst, maar maskeren lijkt zowel letterlijk als symbolisch het centrale thema te zijn. De installatie bestaat uit zeven monumentale panelen van zo’n anderhalve meter breed en twee meter hoog, opgesteld in houten stellages. Elk paneel draagt een driedimensionaal masker tegen een geschilderde of met collagetechniek opgebouwde achtergrond. Samen verbeelden de panelen hoe de Indonesische overheid de Inheemse Papoea’s tot assimilatie dwingt en elk verzet – vaak met militair geweld – probeert te onderdrukken.
Een van de panelen valt mij op door een collage van krantenknipsels met koppen als ‘Djakarta beperkt bezoek van pers aan West Irian’, ‘Primitieve Papua-cultuur gedoemd te verdwijnen’ en ‘Nazi’s in Nieuw-Guinea’. Deze laatste kop staat boven een artikel van 28 april 1947 over ‘119 voormalige NSB’ers, Landwachters, Waffen-SS’ers en andere collaborateurs’ die door de Nederlandse overheid tegen betaling naar Nieuw-Guinea werden gestuurd. Daar kregen zij de taak ‘in de Nederlandse kolonie geallieerd oorlogsmateriaal op te ruimen’. Deze ‘bergen van militaire spullen’ waren door de Amerikanen na het einde van de Tweede Wereldoorlog in delen van Zuidoost-Azië achtergelaten. De regering mocht het van de Amerikanen voor een ‘vriendenprijs’ overnemen en kon het waarschijnlijk goed gebruiken bij de gewelddadige poging Indonesië tussen 1945 en 1949 opnieuw te koloniseren. In het midden van het paneel houdt het masker de handen voor haar ogen en mond.
De krantenknipsels zijn afkomstig uit de archieven van de Nederlandse stichtingen Papua Erfgoed (PACE) en Hapin. De geschiedenis die zij oproepen is complex en gevoelig, maar kan hier slechts kort worden aangestipt. Tijdens de vredesonderhandelingen van 1949 dwong de Nederlandse regering de Indonesische delegatie akkoord te gaan met de oprichting van een nieuwe federale staat, die alle gebieden van het voormalige Nederlands-Indië zou omvatten – met uitzondering van West-Irian, ook bekend als (West-)Papua of, in oud-koloniale termen, Nederlands Nieuw-Guinea.
In de jaren vijftig worstelde de Indonesische regering met de unificatie van de uiteenlopende bevolkingsgroepen op de eilanden van de archipel, waardoor de positie van president Sukarno onder druk kwam te staan. Hij ontwierp daarom een politieke strategie en riep alle Indonesiërs op om gezamenlijk de strijd aan te gaan tegen de overblijfselen van de Nederlandse koloniale macht. West Irian moest worden gedekoloniseerd en Indonesisch worden. Dit stond echter haaks op het verlangen van de meeste Papoea’s, die streefden naar een onafhankelijk Papoea.
Midden jaren vijftig dreigde het conflict tussen Nederland en Indonesië uit te lopen op een nieuwe oorlog. Diplomatie wist dit te voorkomen, maar in 1962 droeg Nederland het bestuur over West-Irian over aan de Verenigde Naties. Afgesproken werd met Indonesië dat een volksraadpleging zou volgen – de Act of Free Choice – waarin de Papoea’s hun politieke toekomst konden bepalen. Deze raadpleging vond pas in 1969 plaats. Intussen had Suharto in 1965 de macht gegrepen. Zijn Orde Baru (Nieuwe Orde) begon daarop met de massamoord op honderdduizenden vermeende communisten, vooral aanhangers en sympathisanten van de Partai Komunis Indonesia (PKI) en verwante organisaties.
Na zijn machtsovername zette Suharto Sukarno’s West-Irian-politiek voort. De volksraadpleging werd door zijn regering zo sterk gemanipuleerd dat men in Papua sprak van een Act of No Choice. West-Papoea werd een Indonesische provincie in plaats van een onafhankelijke staat.
De bredere gevolgen van Suharto’s machtsovername stonden centraal in het symposium dat Watch65 in het kader van Lawan! organiseerde. Watch65 is een in Nederland gevestigde vrijwilligersorganisatie die zich inzet voor gerechtigheid voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen in Indonesië. Op de eerste dag van de tentoonstelling ging een nieuwe documentaire in première over Komitee Indonesië (KI), dat in 1968 werd opgericht door een groep studenten. Tot 2000 speelde KI een actieve rol in het verzet tegen het Suharto-regime vanuit Nederland. Tijdens de middag in Framer Framed fungeerde KI ook als startpunt voor een debat over internationale solidariteit. Activisten uit het publiek deelden hun visie op Palestina, Oekraïne en de toekomst van Inheemse gemeenschappen in Indonesië.
Op de tweede dag van het symposium vertelden een aantal ballingen hoe zij na Suharto’s machtsovername niet meer konden terugkeren naar hun geboorteland. Als studenten, journalisten of leden van Sukarno’s diplomatieke staf waren zij gestrand in landen als de Sovjet-Unie, Bulgarije, Tsjechië, Cuba of China. Indonesische ambassades namen bijvoorbeeld de paspoorten van studenten in en eisten voor teruggave een loyaliteitsverklaring aan Suharto’s regime, iets wat de ballingen weigerden te ondertekenen. Journalisten of diplomatieke staf kregen deze opties vaak niet eens aangeboden. Velen hadden familie, vrienden of andere contacten in Nederland en vestigden zich daarom in de loop der jaren hier.
Kunstenaar Basuki Resobowo (1916-1999) was een van de ballingen. Eind jaren dertig behoorde hij, samen met Agus Djaya, Sindo Sudjojono, Emiria Sunassa en anderen, tot het eerste modernistische kunstenaarscollectief van Indonesië: Persatuan Ahli-Ahli Gambar Indonesia (Persagi). Later werd hij lid van Lembaga Kebudayaan Rakyat (Lekra), een kunst- en cultuurbeweging verbonden aan de PKI. Door die betrokkenheid was hij in het Orde Baru-Indonesië niet veilig en leefde hij in ballingschap in China, Duitsland en later in Nederland, waar hij in een kelderruimte in de Amsterdamse Oosterparkbuurt zijn atelier had. In Lawan! waren enkele posters te zien die hij voor KI ontwierp. Resobowo’s ontwerpen waren wel aanwezig, maar bleven tijdens het symposium helaas onbesproken.
Bij het publieksprogramma van Lawan! lag de nadruk op politiek activisme, waarbij de rol van kunst en kunstenaars grotendeels onbesproken bleef. Dat is opmerkelijk, want juist veel hedendaagse kunstenaars in Indonesië en Nederland zetten dit verleden vandaag de dag kritisch uiteen, omdat het nog steeds impact heeft op hun levens. Dat Nederland na 1965 een toevluchtsoord bood aan Indonesische ballingen en activisten die voor het Suharto regime vluchten is prijzenswaardig, maar de Nederlandse historische verantwoordelijkheid voor de huidige status van Papoea blijft in de onheldere communicatie rondom de tentoonstelling en in het publieksprogramma onderbelicht.
Dat het hier over specifieke gevoeligheden gaat die te maken hebben met de Indonesische, Nederlandse en Papoease identiteiten, kwam bij Lawan! niet helemaal goed uit de verf. Tijdens het symposium van Watch65 spraken de ballingen zoals Holocaustoverlevenden dat vaak deden, over de gruweldaden die hen en hun dierbaren zijn overkomen. Maar terwijl de Tweede Wereldoorlog in Nederland veel interesse en historische aandacht heeft, mist het brede publiek kennis over wat er in 1965/1966 in Indonesië gebeurde.
Met meer tijd, zorgvuldigheid en met kunstenaars die in hun werk het trauma van het autoritaire Suharto regime van 1965/66 in beeld brengen, was Lawan! toegankelijker, aantrekkelijker en informatiever voor een breder publiek geweest. Hedendaagse kunstenaars en (kunst)historici die zich ermee bezighouden zijn er zowel in Nederland als Indonesië. Toelichtende tekst en dialoog met het publiek over de historische rol van Nederland in West Papoea ontbrak, maar voor het begrip en de impact van de installatie van Udeido was dat een waardevolle toevoeging geweest. Waarom niet ook een symposium over solidariteit met Papoea, als verdieping en uitnodiging tot dialoog?
De tentoonstelling Lawan! was van 12 tot 21 september te zien bij Framer Framed
Kerstin Winking
is schrijver, curator en promovendus bij het Leidse Instituut voor Geschiedenis







