
Alternatieve narratieven – Wallonië in het Belgische en internationale kunstdiscours
Waar Vlaanderen en Brussel vaak de aandacht opeisen in het internationale kunstdiscours, blijft het kunstleven in Wallonië opvallend onderbelicht. Is dat terecht? Ive Stevenheydens gaat in gesprek met enkele vertegenwoordigers uit het Waalse kunstenveld over onzichtbare barrières en ondergewaardeerde sterktes.
Van beperkte middelen en een complex taalkundig landschap tot een andere culturele benadering van kunst: Wallonië heeft te maken met unieke uitdagingen die de zichtbaarheid en invloed ervan beperken. Terwijl Vlaanderen en Brussel hun stempel drukken op de internationale kunstwereld, lijken Waalse instellingen te worstelen met het vinden van een eigen stem. Maar klopt dat beeld wel? Om dit intrigerende vraagstuk te doorgronden duik ik in het Waalse kunstenlandschap en praat ik met drie sleutelfiguren: Pierre-Olivier Rollin, directeur van het BPS22, het Museum voor kunst van de Provincie Henegouwen in Charleroi, Frank-Thorsten Moll, directeur van het IKOB Museum für Zeitgenössische Kunst in het Duitstalige Eupen en Anne-Françoise Lesuisse, artistiek directeur van de Biennale de l’Image Possible in Luik. Wat zijn de verborgen krachten die deze regio uniek maken? En hoe kan Wallonië zijn culturele potentieel herontdekken en internationaal versterken?
Ive Stevenheydens: Hoe positioneert jouw instituut zich? Welke criteria hanteren jullie bij het kiezen van kunstenaars en het aangaan van verbindingen met bredere artistieke netwerken?
Pierre-Olivier Rollin, BPS22: ‘Onze filosofie is gebaseerd op het idee van democratische participatie via een kritische bijdrage aan de samenleving. Daarom focust ons programma op (inter)nationale kunstenaars die vragen stellen over de toestand in de wereld en over thema’s die relevant zijn voor onze tijd. Tegelijkertijd bieden we steun aan kunstenaars uit de Federatie Wallonië-Brussel. Afhankelijk van het project werkt BPS22 internationaal samen met verschillende Europese en soms ook Franstalige Canadese instellingen.’
Frank-Thorsten Moll, IKOB: ‘Ik woon in Düsseldorf en voel me daarom een goed geïnformeerde buitenstaander. Al 32 jaar staat IKOB bekend als de kunsthub van [Duitstalig] Oost-België. We groeiden van een bescheiden off-space uit tot een museum met een collectie van vijfhonderd werken. We zetten in op kunstenaars uit de grensregio: België, Nederland, Duitsland, en Luxemburg, eigenzinnige stemmen vaak. Sinds 2019 geven we extra aandacht aan feministische kunst, waarvoor we een jaarlijkse prijs uitreiken. Speciale aandacht geven we aan Duitse “mid-career” talenten, zoals André Butzer in België. Andersom trekt er ook via ons Belgische kunst naar Duitsland. IKOB wil graag een flexibele plek zijn waar kunstenaars uit de Euregio elkaar ontmoeten. Ons publiek bestaat evengoed uit buurtbewoners als curatoren uit Düsseldorf, Maastricht en Luik.’
Anne-Françoise Lesuisse, Biennale de l’Image Possible: ‘De Biennale de l’Image Possible (BIP) werd in 2007 in Luik opgericht door het cultureel centrum Les Chiroux. Aanvankelijk lag de focus op fotografie van zowel jonge als gerenommeerde internationale kunstenaars. Sinds 2016 is de reikwijdte verbreed naar een groter scala aan visuele kunstvormen. De biënnale evolueert ook naar een meer collaboratieve en open aanpak door samen te werken met lokale en internationale organisaties en haar te koppelen aan de realiteit van het publiek. Maar we zien onszelf niet noodzakelijk als militant. We kiezen kunstenaars die actuele sociale en politieke thema’s behandelen en het hedendaagse beeld vanuit verschillende invalshoeken benaderen. ’
IS: Wat zijn volgens jou de unieke sterktes van het hedendaagse kunstenveld in Wallonië, en waar zie je concrete kansen voor de ontwikkeling ervan op nationaal en internationaal niveau?
Pierre-Olivier Rollin: ‘Ik denk eerlijk gezegd dat er meer zwakke punten zijn. Ten eerste is Wallonië, net als Brussel, een van de armste regio’s van Europa. De middelen zijn beperkt. Ten tweede hangt cultuur af van de gemeenschappen, die op taalkundige basis zijn georganiseerd. De schaarse middelen worden voornamelijk toegekend aan domeinen waarin de Franse taal wordt gepromoot, zoals film, theater en literatuur. Voor de beeldende kunsten geldt dat helaas veel minder, die worden stiefmoederlijk behandeld.’
Frank-Thorsten Moll: ‘Wallonië is als een eiland met een speedboot naar Parijs. Dat is tegelijk de kracht en een beperking van de Waalse kunstscene.’
Anne-Françoise Lesuisse: ‘Een sterk punt is dat het om een relatief klein gebied gaat waar iedereen elkaar kent en er, ondanks de verschillen, respect en solidariteit heerst tussen de institutionele spelers. Ook de kwaliteit van de kunstenaars is opmerkelijk. Recentelijk hebben kunstenaars en vertegenwoordigers uit de beeldende kunst federaties opgericht om onze stem beter te laten horen, vooral in de politieke arena. We hebben nu meer invloed, wat veelbelovend is voor de veranderingen die de komende vijf jaar op stapel staan.’
IS: Er wordt vaak gesuggereerd dat de Waalse kunstscene minder zichtbaar is of minder verbonden is met internationale netwerken dan die van Vlaanderen en Brussel. Wat denken jullie?
Anne-Françoise Lesuisse: ‘De Waalse kunstscene lijdt onder een gebrek aan structurele ondersteuning, wat de ontwikkeling van ambitieuze artistieke initiatieven en internationale zichtbaarheid vertraagt. Hoewel steden zoals Luik en Charleroi boeiende kunstinstellingen hebben, blijft het moeilijk voor hen om door te breken op internationaal niveau. Tegelijkertijd groeit het bewustzijn van de kracht van het lokale. De uitdaging is om een evenwicht te vinden tussen internationale samenwerking en een sterke, onderscheidende, compromisloze artistieke identiteit. We hoeven grote kunststeden niet te imiteren, maar we moeten juist de alternatieve, ondergrondse en radicale energie die we bezitten koesteren.’
Pierre-Olivier Rollin: ‘Belgen zijn op verschillende manieren bezig met hun verleden. De Vlamingen, lang gedomineerd door de Fransen, verwerpen dat verleden en willen zich ervan losmaken. Die verwerping ligt aan de basis van moderniteit: de zoektocht naar nieuwigheid, doorbraak en vooruitgang. Aan Franstalige kant daarentegen worden mensen nog vaak in nostalgie gesust door een “roemrijk industrieel verleden”. Ze geven vaak de voorkeur aan kunstvormen die die tijd idealiseren. Dit maakt het lastig om hedendaagse kunstenaars te promoten. Dit verschil in mentaliteit is ook duidelijk symbolisch zichtbaar in de gebouwen waarin de parlementen van de regio’s zijn ondergebracht. Wallonië verwierp een voorstel van architect Mario Botta om naar een historisch gebouw in Namen te verhuizen, het Vlaams Parlement in Brussel deed beroep op de toparchitecten Robbrecht en Daem.’
Frank-Thorsten Moll: ‘Vlaanderen heeft actieve verzamelaars en een sterke kunstmarkt, terwijl Wallonië deze ondersteuning mist. Toch heeft beperkte zichtbaarheid voordelen: meer artistieke vrijheid en ruimte voor experiment. De Duitstalig regio, zonder eigen kunstacademie, fungeert vooral als werkplek voor kunstenaars die elders in België of Duitsland actief zijn. Het gebrek aan institutionele druk biedt hierbij een unieke voedingsbodem voor onafhankelijke kunstpraktijken. Beperkte internationale exposure levert niet minder kwaliteit op, maar vooral andere kwaliteiten. Waar Vlaanderen excelleert in internationale netwerken, bieden Wallonië en de Duitstalige regio ruimte voor autonome kunstontwikkeling. Ik zie dat als een noodzakelijk tegenwicht in het Belgische kunstlandschap.’
IS: Is er een merkbaar verschil in de ondersteuning en presentatie van hedendaagse kunst in Wallonië, vergeleken met Vlaanderen en Brussel?
Pierre-Olivier Rollin: ‘Mijn eerdere antwoorden verklaren al waarom er weinig tot geen interesse is in hedendaagse kunst op politiek niveau. Dat geldt ook voor de privé-sfeer: er zijn in Wallonië weinig verzamelaars en galeries. Daar komt nog bij dat er geen gestructureerd cultuurbeleid is voor de beeldende kunst.’
Anne-Françoise Lesuisse: ‘De presentatie van kunst in Wallonië, Brussel en Vlaanderen verschilt weinig, omdat die vooral afhangt van de curatoren en instellingen. Vlaanderen geniet echter een grotere financiële ondersteuning, wat betere communicatie en zichtbaarheid mogelijk maakt. Vaak gaat ons budget vooral naar kunstenaarshonoraria en productie, wat ten koste gaat van onze promotie en daardoor dus ook onze zichtbaarheid.’
Frank-Thorsten Moll: ‘De Duitstalige perifere positie zorgt voor betaalbare ateliers, artistieke vrijheid zonder beperkende commerciële druk, weinig bemoeienis van subsidieverstrekkers. Het is een complementaire rol die het Belgische kunstlandschap verrijkt. De sterke kant van Wallonië is zelforganisatie: de interessantste plekken worden gerund door kunstenaars zelf zoals Space Collection of het jaarlijkse festival art au centre, beide in Luik.’
IS: Is de taal niet ook een factor? Beperkt de Franstalige oriëntatie van Wallonië de toegang van Waalse kunstenaars tot internationale netwerken, vooral in een meertalig land als België?
Pierre-Olivier Rollin: ‘Het probleem is niet zozeer taalkundig, maar cultureel. Als het enkel om taal ging, zouden Franstalige Belgische kunstenaars nog steeds wijdverspreid zijn in Frankrijk. Dit is echter niet het geval. Om verschillende redenen leeft er in Wallonië geen echte interesse in hedendaagse kunst. In tegenstelling tot film, bijvoorbeeld, die het bijzonder goed doet, ook internationaal.’
Anne-Françoise Lesuisse: ‘Het feit dat we Franstalig zijn vormt op zich geen belemmering. Er worden veel internationale kunstenaars uitgenodigd in Wallonië. Wel is er ruimte voor verbetering: instellingen kunnen Waalse kunstenaars beter ondersteunen in hun contacten met internationale en Vlaamse partners.’
Frank-Thorsten Moll: ‘Ik erken het probleem maar heb tegelijkertijd de indruk dat mensen steeds beter Engels leren spreken en zich internationaler opstellen. Kunst is bovendien altijd lokaal én internationaal.’
IS: Welk potentieel bestaat er om de samenwerking tussen de kunstinstellingen in Wallonië, Vlaanderen en buurlanden zoals Nederland te versterken, om de positie van de Waalse kunst internationaal beter te positioneren?
Anne-Françoise Lesuisse: ‘Waalse kunstenaars, vooral jonge en opkomende, hebben soms moeilijk toegang tot internationale netwerken, deels door het gebrek aan galeries. In Luik is Nadja Vilenne de enige professionele en internationale galerie. Instellingen zoals BIP kunnen een rol spelen in het ontdekken van nieuw talent. Ik ben er erg trots op dat we kunstenaars als Emmanuel Van der Auwera, Eva L’Hoest en Stéphanie Roland, om er maar een paar te noemen, aan het begin van hun carrière hebben ondersteund. Het stelde hen in staat om de sprong te maken naar grotere instellingen in het buitenland.’
Frank-Thorsten Moll: ‘Een goed voorbeeld is het Maastrichtse project Elements dat Belgische, Nederlandse en Duitse instellingen samenbrengt, al kende het matig succes door de beperkte Belgische en Duitse deelname. Wij werken mee aan het gecoördineerde programma Very Contemporary en het performancekunstfestival Performing Landscapes, dat tussen de landen reist. Ook bestaat de mogelijkheid voor Waalse instellingen om met Nederlandse, Vlaamse of Duitse instellingen gezamenlijke subsidieaanvragen in te dienen, maar die komen zelden voor vanwege de extra administratieve inspanning en toch ook, het is niet anders, de onderlinge culturele verschillen.’
Pierre-Olivier Rollin: ‘Het zou goed zijn als we om te beginnen een echt cultuurbeleid uitstippelen waarin we ook de rol van onze verschillende instellingen herdefiniëren, in dienst van dat grotere gemeenschappelijke belang. Alleen zo kunnen we onze schaarse middelen optimaal inzetten.’
Feminist Art Prize
IKOB, Eupen
15.4 t/m 24.8.2025
Kunst in Wallonië
Wallonië heeft een meer organisch en zelfsturend ecosysteem ontwikkeld, met nadruk op grassroots-inspanningen van kunstenaars die vaak moeten improviseren met beperkte middelen. In Luik focust Space Collection zich bijvoorbeeld op multidisciplinaire praktijken. Deze zomer is daar een immersieve installatie van Caroline Mesquita en Martin Belou te beleven. In dezelfde stad fungeren Les Brasseurs en La Zone – beide gevestigd in voormalige industriële panden – als belangrijke ontmoetingsplekken voor DIY-cultuur en experimentele kunst.
Le Delta in Namen is een regionaal centrum voor kunsten, film en muziek waar ook tentoonstellingen plaatsvinden. Deze zomer presenteert het de groepstentoonstelling Cabane, met werk van onder anderen Atelier Van Lieshout, James Benning en Sophie Nys. Le Labo Astrid is een door de provincie ondersteunde werkruimte voor makers en kunstenaars. Vergelijkbare initiatieven zijn te vinden in steden als Doornik, Hoei, Bastogne, Bouillon en Nijvel.
Onder de in Nederland al bekende instellingen bevindt zich het MACS in Bergen, gehuisvest op de historische mijnsite van Le Grand Hornu. Het museum heeft een lange traditie in het tonen van vooraanstaande Waalse en Franstalige Belgische kunstenaars. Deze zomer opent een tentoonstelling van Haim Steinbach, gevolgd door een project van Honoré d’O. In dezelfde stad biedt ook het CAP, of Museum voor Schone Kunsten, ruimte aan hedendaagse kunst. De lopende tentoonstelling Pulsaties. Gezichten van een Stad brengt een veertigtal kunstenaars samen, onder wie Charley Case en Tadashi Kawamata.
Naast BPS22 in Charleroi is ook het Fotografiemuseum het vermelden waard. Het bevindt zich in een gerenoveerd karmelietenklooster in neogotische stijl en biedt naast een indrukwekkende vaste collectie dit jaar tentoonstellingen van de Nederlander Ruud van Empel en de Brusselaars Eva Giolo en Justine Dofal.
Ive Stevenheydens
is schrijver, curator, deejay en dramaturg




